12 juli 2024 • Geomagnetische storm veroorzaakte omvangrijke migratie van satellieten
Op 10 mei jl. vond een grote uitbarsting op de zon plaats die tot een krachtige geomagnetische storm leidde. In reactie daarop moesten naar schatting vijfduizend satellieten naar hogere omloopbanen verhuizen – de grootste migratie in zijn soort. ‘De meeste waren Starlink-satellieten van SpaceX,’ aldus William Parker van het Massachusetts Institute of Technology, hoofdauteur van een artikel dat zojuist is geaccepteerd voor publicatie in het vakblad Journal of Spacecraft and Rockets. ‘Elke satelliet heeft een GNSS-ontvanger en kan autonoom ‘bijsturen’ om botsingen te vermijden. Toen ze de gevolgen van de storm voelden, besloten duizenden satellieten om naar hogere banen te manoeuvreren’. De noodzaak om naar hogere banen te migreren werd veroorzaakt door een plotselinge toename van de luchtweerstand die de satellieten ondervonden. De atmosfeer van de aarde had een enorme hoeveelheid energie van de zonnestorm geabsorbeerd, waardoor zij opzwol. Hierdoor verloren de satellieten geleidelijk hoogte. De aardatmosfeer is wel vaker zo sterk opgewarmd, bijvoorbeeld tijdens de geomagnetische storm van Halloween 2003. Maar toen was de satellietpopulatie nog vrij klein (nog geen 1000) en bleef een massamigratie uit. Vooral dankzij de komst van Starlink in 2019 cirkelen er nu echter bijna tien keer zoveel actieve satellieten om de aarde. En wanneer een fractie daarvan onverwacht ‘besluit’ om gelijktijdig van koers te veranderen, moeten satellietbedrijven in actie komen om ze te volgen en botsingen te voorkomen – met alle risico’s van dien. Dit is een probleem dat de komende jaren waarschijnlijk alleen maar groter zal worden. Ergens in de loop van 2024/2025 zal de activiteit van de zon een nieuw hoogtepunt bereiken, en ondertussen neemt de satellietpopulatie verder toe. (EE)
Meer informatie:
Superstorm Triggered a Mass Migration of Satellites (Spaceweather.com)

   
12 juli 2024 • Zwarte gaten houden sterrenstelsels in leven
Sterrenstelsels ontlopen een vroege dood omdat ze een ‘hart’ en ‘longen’ hebben die hun ‘ademhaling’ regelen en voorkomen dat ze alsmaar doorgroeien. Als dat niet ziet zo was, zou het heelal veel sneller verouderd zijn dan nu het geval is, en zouden we uitsluitend enorme ‘zombie’-sterrenstelsels om ons heen zien, vol met dode en stervende sterren. Dat is de conclusie van een nieuwe studie die vandaag is gepubliceerd in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Het doel van de studie was om een verklaring te zoeken voor het feit dat de huidige sterrenstelsels niet zo groot zijn als astronomen zouden verwachten. Iets lijkt de groei van de stelsels te smoren, door de hoeveelheid gas die ze aantrekken om in sterren om te zetten te beperken. Dit betekent dat in plaats van eindeloos door te blijven groeien met hulp van de onvermijdelijk aantrekkende zwaartekracht, er in de stelsels iets zit dat weerstand biedt. Astrofysici van de Universiteit van Kent (VK) denken nu te weten wat dat ‘iets’ is. Ze suggereren dat de groei van sterrenstelsels wordt bepaald door de manier waarop ze ‘ademen’. In hun analogie vergelijken de onderzoekers het superzware zwarte gat in het centrum van een sterrenstelsel met het hart, en diens supersonische ‘jets’ van gas en straling met de luchtwegen die een tweetal longen voeden. Ze baseren dit op computersimulaties. Pulsaties van het zwarte gat kunnen schokfronten veroorzaken die langs de beide assen van de jet heen en weer gaan, net zoals het borstmembraan in het menselijk lichaam op en neer beweegt in de borstholte om de longen op te blazen en weer leeg te laten lopen. Dit kan ertoe leiden dat de energie van de jet zich ver verspreid over de omgeving, net zoals wij warme lucht uitademen. Dit proces vertraagt de aantrekking van gas en daarmee ook de groei van het sterrenstelsel. Het verschijnsel is vergelijkbaar met de schokgolven die ontstaan bij het openen van een fles champagne of het lanceren van een raket. ‘We realiseerden ons dat er een manier moest zijn waarop de jets het ‘lichaam’ – het gas rondom het sterrenstelsel – konden ondersteunen en dat is wat we in onze computersimulaties hebben ontdekt,’ aldus promovendus Carl Richards die de theorie heeft ontwikkeld. (EE)
Meer informatie:
How the 'heart and lungs' of a galaxy extend its life

   
12 juli 2024 • Astronomen sporen donkere materie op in dwergsterrenstelsel
Door gegevens van de Hubble-ruimtetelescoop te analyseren die over een periode van bijna twee decennia zijn verzameld, hebben astronomen de ruimtelijke bewegingen van sterren in een klein sterrenstelsel in kaart gebracht. Daarbij hebben ze ontdekt dat zich waarschijnlijk donkere materie in diens centrum heeft opgehoopt (The Astrophysical Journal, 11 juli). Computermodellen suggereren dat zich in de centra van sterrenstelsels donkere materie zou moeten ophopen tot een zogeheten cusp (dichtheidspiek), maar veel telescopische waarnemingen wijzen erop dat deze materie gelijkmatiger over de stelsels is verdeeld. Om meer inzicht te krijgen in deze kwestie, heeft een internationaal team van astronomen, onder wie de Nederlander Roeland van der Marel, de bewegingen van sterren in het Draco-dwergstelsel – een klein sterrenstelsel op ongeveer 250.000 lichtjaar van de aarde – gemeten. Om meer te weten te komen over de donkere materie in een sterrenstelsel, kunnen wetenschappers kijken naar de wijze waarop de bewegingen van sterren worden beïnvloed door de aantrekkingskracht van donkere materie. Bij het meten van de snelheden van objecten die door de ruimte bewegen, wordt vaak gebruik gemaakt van het dopplereffect – een waargenomen verandering in de golflengte van het licht van het object die ontstaat wanneer dit naar de aarde toe beweegt of zich juist van ons verwijdert. Sterren bewegen echter niet alleen naar ons toe of van ons vandaan, ze bewegen ook langs de hemel: ze vertonen een zogeheten eigenbeweging. Door de twee snelheidscomponenten met elkaar te combineren heeft een internationaal team onder leiding van Eduardo Vitral van het Space Telescope Science Institute in Baltimore (VS) een baanbrekende analyse gemaakt van de driedimensionale bewegingen van de sterren in het Draco-dwergstelsel. Daarbij is een nauwkeurigheid bereikt die overeenkomt met het meten van een jaarlijkse verschuiving die kleiner is dan de breedte van een golfbal op de afstand van de maan. ‘Onze modellen lijken meer in overeenstemming te zijn met een cusp-achtige structuur, wat overeenkomt met kosmologische modellen’, aldus Vitral. ‘Hoewel we niet definitief kunnen zeggen dat álle sterrenstelsels een cusp-achtige verdeling van donkere materie bevatten, is het geweldig om zulke goed gemeten gegevens te hebben die alles overtreffen wat we eerder hebben bereikt.’ (EE)
Meer informatie:
NASA's Hubble Traces Dark Matter in Dwarf Galaxy Using Stellar Motions

   
11 juli 2024 • Dichtstbijzijnde millisecondepulsar heeft straal van 11,4 kilometer en is 1,4x zo zwaar als de zon
De dichtstbijzijnde millisecondepulsar, PSR J0437-4715, heeft een straal van 11,4 kilometer en een massa van 1,4 keer die van de zon. Dat blijkt uit precisiemetingen van een team van onderzoekers onder leiding van de Universiteit van Amsterdam. De metingen onthullen meer over de samenstelling en het magnetisch veld van deze neutronenster. PSR J0437 is een pulsar, een ronddraaiende neutronenster die elektromagnetische straling uitzendt. Hij staat op circa 510 lichtjaar van de aarde in de richting van het zuidelijke sterrenbeeld Schilder. PSR J0437 draait 174 keer per seconde om zijn as en heeft een witte dwergster als begeleider. De pulsar zwiept als een op hol geslagen vuurtoren elke 5,75 milliseconde een bundel radiostraling en röntgenstraling richting aarde. Hij is daarmee de dichtstbijzijnde millisecondepulsar. Mede doordat hij zo dichtbij staat is hij tevens de helderste millisecondepulsar.Voor hun onderzoek maakten de wetenschappers gebruik van gegevens van de NICER-röntgentelescoop aan boord van het ISS. Ze combineerden de röntgengegevens met een techniek die pulsprofielmodellering wordt genoemd. Hiervoor rekenden ze op de Nederlandse nationale supercomputer Snellius complexe statistische modellen door. Uiteindelijk konden ze de straal van de ster berekenen, mede dankzij massabepalingen door Daniel Reardon (Swinburne University of Technology, Australië) en collega’s van de Parkes Pulsar Timing Array. Ook brachten ze de temperatuurverdeling van de magnetische polen van de ster in kaart. De onderzoekers melden dat de nieuwe metingen duiden op een ‘zachtere equation of state’ (toestandsvergelijking) dan gedacht. Daarmee bedoelen ze dat het maximumgewicht van neutronensterren lager moet zijn dan sommige theorieën voorspellen. De komende tijd hopen de onderzoekers meer gegevens van de NICER-röntgentelescoop binnen te krijgen van dezelfde pulsar en van andere pulsars. Uiteindelijk willen ze voor elke neutronenster kunnen voorspellen waarvan de ster gemaakt is en welke krachten er tussen de deeltjes spelen.
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
10 juli 2024 • Middelzwaar zwart gat ontdekt in Omega Centauri
Nieuw onderzoek, onder leiding van Anil Seth van de Universiteit van Utah (VS) en Nadine Neumayer van het Max-Planck-Institut für Astronomie (Duitsland), heeft uitsluitsel gegeven over het bestaan van ‘middelzware’ zwarte gaten. Dat zijn zwarte gaten met honderd tot honderdduizend keer zoveel massa als onze zon: aanzienlijk meer dan een stellair zwart gat, maar veel minder dan het superzware zwarte gat in het centrum van ons Melkwegstelsel (Nature, 11 juli). Het nu ontdekte zwarte gat bevindt zich in het hart van Omega Centauri, een bolvormige sterrenhoop op ongeveer 18.000 lichtjaar afstand. Van deze bolhoop wordt vermoed dat het de kern is van een klein sterrenstelsel dat lang geleden door de Melkweg is opgeslokt en zich daardoor niet verder heeft kunnen ontwikkelen. Dat zich in het centrum van Omega Centauri een onzichtbare massa schuilhoudt werd al een tijdje vermoed. Maar over de grootte ervan bestond onduidelijkheid, omdat er tot nu toe geen sterren waren gevonden die – zoals verwacht – met hoge snelheden in banen om dit object bewegen. Daarom besloten Seth en Neumayer in 2019 om doctoraalstudent Maximilian Häberle aan het werk te zetten. Hij verzamelde vijfhonderd opnamen van Omega Centauri die, merendeels voor geheel andere doeleinden, met de Hubble-ruimtetelescoop waren gemaakt. Aan de hand van deze opnamen heeft Häberle de bewegingen van maar liefst 1,4 miljoen sterren in Omega Centauri in kaart gebracht. Het resultaat: een oogst van zeven hogesnelheidssterren in het centrum van de bolhoop – genoeg om vast te kunnen stellen dat zich daar een zwart gat van ongeveer 8200 zonsmassa’s verschuilt. Om hun bevinden verder te onderbouwen is het team van plan om het hart van Omega Centauri nog gedetailleerder te bekijken met de Webb-ruimtetelescoop en de Extremely Large Telescope die ESO momenteel in Chili bouwt. (EE)
Meer informatie:
Astronomers find missing link in massive black hole formation

   
10 juli 2024 • Valt naderende ’herfstkomeet’ uit elkaar?
Komeet Tsuchinshan-ATLAS (C/2023 A3) staat op het punt om uit elkaar te vallen. Tot die conclusie komt astronoom Zdenek Sekanina op basis van een nieuwe studie. Daarin voert Sekanina drie argumenten aan. Op de eerste plaats lijkt de komeet bij zijn nadering van de zon momenteel niet meer helderder te worden, terwijl dat eerder wel het geval was. Verder lijkt volgens Sekanina zijn baan te worden verstoord door een ‘niet-gravitationele versnelling’, wat erop kan wijzen dat zijn kern aan het verbrokkelen is. En ten slotte heeft de komeet een opmerkelijk dunne stofstaart met een ongebruikelijke oriëntatie. Alles bij elkaar ziet het er volgens Sekanina dus niet rooskleurig uit voor deze komeet, waarvan werd gehoopt dat deze dit najaar een mooie hemelverschijning zou worden. Toch gloort er nog een sprankje hoop: Nick James van de kometenwerkgroep van de British Astronomical Association ziet in een onafhankelijke dataset geen aanwijzingen voor niet-gravitationele versnellingen. Volgens hem lijkt het er dan ook bepaald niet op dat de komeet aan het fragmenteren is. Afwachten dus.De komeet is inmiddels helder genoeg om zichtbaar te zijn met een middelgrote amateur-telescoop. Als hij inderdaad uit elkaar valt, zullen we dat gauw genoeg merken. (EE)
Meer informatie:
IS THIS COMET DOOMED?

   
10 juli 2024 • Nabije exoplaneet zou nat en leefbaar kunnen zijn
Een onderzoeksteam onder leiding van de Universiteit van Montreal heeft vastgesteld dat de in 2017 ontdekte exoplaneet LHS 1140 b geen zogeheten mini-Neptunus is – een grote gasplaneet met een dikke waterstofrijke atmosfeer. In plaats daarvan is het een superaarde, die mogelijk een stikstofrijke atmosfeer en misschien ook een oceaan van vloeibaar water heeft. Dat blijkt uit een analyse van gegevens die zijn verzameld met de ruimtetelescopen Webb, Spitzer, Hubble en Tess. LHS 1140 b cirkelt om een lichte rode dwergster op ongeveer 48 lichtjaar in het sterrenbeeld Walvis die ongeveer vijf keer zo klein is als de zon. Hij is een van de meeste nabije exoplaneten die zich in de leefbare zone van een ster bevindt: de zone rond een ster waar de temperaturen gematigd genoeg kunnen voor de aanwezigheid van vloeibaar water. Desodanks is het niet ondenkbaar dat LHS 1140 b geheel of gedeeltelijk met ijs bedekt is. Schattingen gebaseerd op alle verzamelde gegevens laten zien dat LHS 1140 b een lagere dichtheid heeft dan verwacht wordt voor een rotsachtige planeet met een aarde-achtige samenstelling. Dit suggereert dat tien tot twintig procent van zijn massa uit water zou kunnen bestaan. Het onderzoeksteam benadrukt dat de detectie van stikstofgas nog niet ‘spijkerhard’ is: vervolgwaarnemingen met de Webb-ruimtetelescoop moeten hier nog uitsluitsel over geven. (EE)
Meer informatie:
Astronomers Find Surprising Ice World in the Habitable Zone with Webb Data

   
9 juli 2024 • Wil Tirion overleden
Afgelopen vrijdag, 5 juli 2024, is op 81-jarige leeftijd de bekende hemelcartograaf Wil Tirion overleden. Tirion maakte sterrenkaarten voor tal van boeken en tijdschriften, waaronder de jaarlijks verschijnende Sterrengids. Tirion was oorspronkelijk grafisch ontwerper en tekenaar. Hij heeft nooit een formele opleiding in de sterrenkunde gevolgd, maar raakte al op twaalfjarige leeftijd geboeid door sterrenkaarten. In 1977 maakte Tirion zijn eerste sterrenatlas, die twee jaar later werd opgenomen in de Encyclopedia of Astronomy van Colin Ronan en uiteindelijk ook als losse kaartenset werd uitgegeven. Deze kaarten werden nog volledig met de hand getekend, maar de grote steratlassen die hij later uitgaf, zoals de Uranometria 2000.0, werden met behulp van een computer vervaardigd. De resulterende kaarten werden wel nog door hem handmatig gecorrigeerd en aangevuld met extra objecten. In 1987 ontving Tirion de J. van der Biltprijs van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde voor zijn prestaties op het gebied van hemelcartografie en steratlassen. En in 1993 is een planetoïde naar hem genoemd: (4648) Tirion. (EE)
Meer informatie:
Website Wil Tirion

   
8 juli 2024 • Nabije exoplaneet stinkt naar rotte eieren
Een exoplaneet die berucht is om zijn ruige weersomstandigheden heeft nog een andere bizarre eigenschap: volgens een nieuwe studie van de Johns Hopkins Universiteit (VS) stinkt hij naar rotte eieren. De planeet, een gasreus ter grootte van Jupiter met de aanduiding HD 189733 b, heeft een atmosfeer die voornamelijk uit waterstofsulfide bestaat: een molecuul dat niet alleen stinkt, maar wetenschappers ook nieuwe aanwijzingen geeft over hoe zwavel – een planetaire bouwsteen – het inwendige en de atmosfeer van gaswerelden buiten het zonnestelsel zou kunnen beïnvloeden (Nature, 8 juli). ‘Waterstofsulfide is een belangrijk molecuul waarvan we weten dat het in Jupiter aanwezig is, maar we hadden het nog niet in een planeet buiten ons zonnestelsel ontdekt,’ aldus Guangwei Fu, astrofysicus bij Johns Hopkins die leiding gaf aan het onderzoek. ‘We zijn niet op zoek naar leven op deze planeet, omdat hij veel te heet is, maar de ontdekking van waterstofsulfide is de opmaat naar het vinden van dit molecuul in andere planeten en het verkrijgen van meer inzicht in hoe de verschillende soorten planeten ontstaan.’ Behalve het detecteren van waterstofsulfide en het meten van de totale hoeveelheid zwavel in de atmosfeer van HD 189733 b, heeft het team van Fu ook de belangrijkste bronnen van zuurstof en koolstof van de planeet nauwkeurig gemeten: water, koolstofdioxide en koolstofmonoxide. Daarnaast sluiten de nieuwe gegevens uit dat de atmosfeer van HD 189733 rijk is aan methaan, zoals eerdere publicaties deden vermoeden. Met een afstand van 64 lichtjaar is HD 189733 b de meest nabije ‘hete Jupiter’ die astronomen met regelmatige tussenpozen voor zijn ster langs zien schuiven. Dat maakt hem tot een belangrijk referentiepunt voor gedetailleerde onderzoeken van de atmosferen van exoplaneten. Hij staat ongeveer dertien keer dichter bij zijn ster dan Mercurius bij de zon staat en heeft maar twee aardse dagen nodig om één omloop te voltooien. Met temperaturen die kunnen oplopen tot duizend graden Celsius is de planeet niet alleen ziedend heet, hij is ook berucht om zijn desastreuze weersomstandigeden, waaronder glasregens die met windsnelheden van 8000 km//uur worden voortgeblazen. Het onderzoeksteam heeft eveneens het gehalte aan zware metalen in HD 189733 gemeten – een bevinding die wetenschappers kan helpen bij de beantwoording van de vraag hoe de metalliciteit van een planeet samenhangt met diens massa. Minder zware ijzige reuzenplaneten zoals Neptunus en Uranus bevatten meer metalen dan gasreuzen zoals Jupiter en Saturnus, de grootste planeten in ons zonnestelsel. Dat suggereert dat Neptunus en Uranus tijdens hun vroege vormingsfase naar verhouding meer ijs, gesteente en andere zware elementen verzamelden dan lichte gassen zoals waterstof en helium. Planeetwetenschappers zijn nu bezig om te onderzoeken of deze correlatie ook voor exoplaneten geldt. (EE)
Meer informatie:
Stench of a gas giant? Nearby exoplanet reeks of rotten eggs. And that’s a good thing

   
8 juli 2024 • Restant van historische supernova vertoont vreemd gedrag
Japanse astronomen hebben een mogelijke verklaring gevonden voor het vreemde gedrag van het restant van een supernova-explosie die in het jaar 1181 door waarnemers in Azië werd opgetekend. Modern onderzoek heeft laten zien dat deze ‘gastster’ werd veroorzaakt door een botsing tussen twee zogeheten witte dwergen: uiterst compacte sterren ter grootte van de aarde. Daarbij ontstond een supernova van het zeldzame type Iax, die één enkele, snel ronddraaiende witte dwerg achterliet. Nieuw onderzoek wijst erop dat deze witte dwerg een jaar of twintig geleden weer wat is opgeleefd en een bron van snelle sterrenwind is geworden (The Astrophysical Journal, 5 juli).Vanwege zijn zeldzame aard en locatie binnen ons Melkwegstelsel is SNR 1181, zoals het restant van de supernova-explosie formeel heet, een geliefd waarnemingsobject – sinds 2021 althans, want pas in dat jaar hebben astronomen deze supernovarest, aan de hand van de historische waarnemingen, weten op te sporen in het sterrenbeeld Cassiopeia. Recente waarnemingen wijzen erop dat SNR 1181 twee schokgebieden vertoont: een buitengebied en een binnengebied. Bij hun nieuwe onderzoek hebben de Japanse astronomen de nieuwste röntgengegevens van het object geanalyseerd en een computermodel geconstrueerd dat deze eigenschappen kan verklaren. De grootste uitdaging was dat, volgens de gangbare opvattingen, twee witte dwergen zouden moeten exploderen en verdwijnen als ze met elkaar in botsing komen. In dit geval is echter een witte dwerg achtergebleven. De verwachting was dat zo’n ronddraaiende witte dwerg direct na zijn vorming een sterrenwind – een aanhoudende stroom van snelle deeltjes – zou gaan produceren. Maar dat lijkt toch niet zo te zijn: tot verrassing van de astronomen laten hun berekeningen zien dat de sterrenwind pas ergens in de laatste twintig tot dertig jaar op gang moet zijn gekomen. Met andere woorden: de witte dwerg is wat opgeleefd – mogelijk doordat een deel van het materiaal dat bij de in 1181 waargenomen explosie werd uitgestoten naar de ster teruggevallen is en tot hernieuwde fusiereacties heeft geleid. Om dit scenario te verifiëren wil het Japanse team SNR 1181 nu nader bestuderen met de Very Large Array (VLA)-radiotelescoop in de VS en de 8,2 meter Subaru-telescoop op Hawaï. (EE)
Meer informatie:
Fresh wind blows from historical supernova

   
4 juli 2024 • Ons Melkwegstelsel is minder vreemd dan we dachten
Astronomen hebben door het stof en gas in ons Melkwegstelsel heen gekeken, en daarbij ontdekt dat de sterren in zijn kern minder dicht opeengepakt zitten dan tot nu toe werd aangenomen (Nature, 27 juni). ‘Deze aanpassing maakt de Melkweg eigenlijk ‘minder vreemd’', aldus Gail Zasowski, astronoom aan de Universiteit van Utah in Salt Lake City (VS). Daarmee verwijst ze naar het gegeven dat de sterren en andere onderdelen van de Melkweg compacter zijn dan die van vergelijkbare sterrenstelsels die wetenschappers rechtstreeks kunnen zien en meten. Zasowski: ’Vergeleken met die metingen zag ons stelsel er ’schattig en knus’ uit, maar dat maakt je ook een beetje wantrouwig.’ Zasowski en haar collega’s baseren hun revisie van het Melkwegstelsel op metingen van de posities en afstanden van bijna een kwart miljoen rode reuzen – zware oude sterren – die in het kader van het Apache Point Observatory Galactic Evolution Experiment (APOGEE) zijn gedaan. Het is altijd moeilijk geweest om de precieze structuur van het Melkwegstelsel te bepalen, omdat wij ons in een van diens spiraalarmen bevinden, ongeveer halverwege de kern en de buitengrens van de Melkwegschijf. Daarbij komt nog dat ons zicht op verre sterren wordt belemmerd door het stof dat zich over het hele Melkwegstelsel heeft verspreid. Normaal gesproken wordt het licht van hemellichamen zoals rode reuzen door dit stof aan het zicht van onze telescopen onttrokken, maar de Apache-sterrenwacht in Sunspot, New Mexico, kan nabij-infrarode straling detecteren, die door het stof heen gaat. Eerdere schattingen van de grootte en vorm van het Melkwegstelsel waren gebaseerd op bepalingen van de verdeling van sterren in de buurt van onze zon, en deze te extrapoleren met behulp van modellen van eenvoudige sterrenstelsels. Dankzij de nieuwe inventarisatie van rode reuzen hebben de onderzoekers een beter beeld gekregen van de verdeling van de sterren in het Melkwegstelsel, met name in diens centrale ‘uitstulping’ of bulge. Tot hun verrassing zagen de onderzoekers de populatie van rode reuzen tussen de rand en de bulge van het Melkwegstelsel niet exponentieel toenemen. In plaats daarvan vlakte deze halverwege af, wat erop wijst dat de sterren in het centrale deel van de Melkwegschijf minder dicht opeengepakt zitten dan de bestaande modellen aangaven. En als de materie in het Melkwegstelsel niet in het centrum is samengegepropt, moet deze meer verspreid zijn dan werd aangenomen. ‘Dankzij deze nieuwe ontdekking zullen we veel dingen opnieuw moeten bekijken,’ zegt medeauteur Jianhui Lian, astronoom aan de Yunnan Universiteit in Kunming (China). ‘Wellicht moeten we bijvoorbeeld onze schatting van de totale massa van de Melkweg verlagen. En dat zou weer kunnen betekenen dat ons Melkwegstelsel meer donkere materie bevat dan gedacht.’ (EE)
Meer informatie:
The Milky Way is ‘less weird’ than we thought

   
3 juli 2024 • Passerende planetoïde heeft een klein maantje
Wetenschappers van NASA’s Jet Propulsion Laboratory hebben de twee planetoïden gevolgd die eind juni relatief dicht langs de aarde vlogen. Bij deze gelegenheid zijn radarbeelden van beide objecten verkregen. Op de radarbeelden van de bijna anderhalve kilometer grote planetoïde 2011 UL21 is te zien dat deze een klein maantje heeft, dat op ongeveer drie kilometer afstand om hem heen curkelt. Dat is niet ongebruikelijk voor een planetoïde van deze omvang: geschat wordt dat ongeveer tweederde van alle planetoïden van deze grootte een kleine begeleider heeft. Waarnemingen van zulke ‘dubbelplanetoïden’ zijn interessant, omdat metingen van hun relatieve posities kunnen worden gebruikt om schattingen te maken van hun onderlinge banen, massa’s en dichtheden. (EE)
Meer informatie:
NASA’s Planetary Radar Tracks Two Large Asteroid Close Approaches

   
3 juli 2024 • De materieschijven rond zwarte gaten zijn veel ‘luchtiger’ dan gedacht
Een team van astrofysici is er voor het eerst in geslaagd om na te bootsen hoe het oergas in het vroege heelal opging in de materieschijven die zich rond superzware zwarte gaten vormden. Hun computersimulatie gooit de bestaande ideeën over dergelijke schijven overhoop, en maakt de weg vrij voor nieuwe ontdekkingen over hoe zwarte gaten en sterrenstelsels groeien en evolueren. De nieuwe simulatie is de bekroning op het jarenlang werk van twee grote samenwerkingsverbanden die bij het California Institute of Technology (Caltech) zijn opgezet. De eerste, FIRE geheten (Feedback in Realistic Environments), richtte zich op de grotere schalen in het heelal en bestudeerde vragen zoals hoe sterrenstelsels zich vormen en wat er gebeurt wanneer sterrenstelsels met elkaar in botsing komen. De andere, STARFORGE, was ontworpen om veel kleinere schalen te onderzoeken, zoals de vorming van sterren in individuele gaswolken. Om het verschil in grootte tussen de twee samenwerkingen te overbruggen, moesten de Caltech-onderzoekers een simulatie ontwikkelen met een resolutie die meer dan 1000 keer groter was dan de beste die tot nu toe beschikbaar was op dit gebied. Tot verrassing van de onderzoekers laat de simulatie zien dat magnetische velden een veel grotere rol spelen bij de vorming van de enorme materieschijven die zich rond superzware zwarte gaten vormen, en deze ook voeden. ‘Onze theorieën vertelden ons dat de schijven zo plat als pannenkoeken zouden moeten zijn’, aldus Caltech-professor Phil Hopkins. ‘Maar we wisten dat dit niet klopte, omdat waarnemingen lieten zien dat de schijven in werkelijkheid dikker zijn. Onze simulatie hielp ons te begrijpen dat magnetische velden het schijfmateriaal stutten, waardoor het ‘luchtiger’ blijft.’ Astronomen weten al tientallen jaren dat het gas en stof dat door de enorme zwaartekracht van een zwart gat wordt aangetrokken, niet meteen naar binnen worden gezogen. In plaats daarvan hoopt het materiaal zich op in een zogeheten accretieschijf. En op het moment dat het materiaal in deze schijf op het punt staat om naar binnen te vallen, straalt het enorme hoeveelheden energie uit in de vorm van licht en andere soorten straling. Maar er is nog veel onbekend over deze actieve superzware zwarte gaten, beter bekend als quasars, en over de schijven die hen voeden. In de jaren 70 namen wetenschappers aan dat thermische druk - de verandering in druk veroorzaakt door de veranderende temperatuur van het gas in de schijven - de belangrijkste oorzaak is dat deze schijven onder de enorme zwaartekracht die ze in de omgeving van het zwarte gat onderwinden overeind blijven. Wel erkenden ze dat ook magnetische velden daarbij een bescheiden rol zouden kunnen spelen. Uit de nieuwe simulatie blijkt echter dat de tegendruk van de magnetische velden van zulke schijven tienduizend keer zo groot is als de thermische druk van het gas. De schijven worden dus bijna volledig in stand gehouden door de magnetische velden. Dit inzicht kan grote gevolgen hebben voor de voorspellingen die wetenschappers over accretieschijven doen, bijvoorbeeld omtrent hun massa en dikte, en hoe snel het materiaal van zo’n schijf zich naar het zwarte gat zou kunnen verplaatsen. (EE)
Meer informatie:
Cosmic Simulation Reveals How Black Holes Grow and Evolve

   
2 juli 2024 • Heeft de Melkweg juist te veel satellietstelsels in plaats van te weinig?
Astronomen vragen zich al jaren af hoe het komt dat ons Melkwegstelsel minder kleine satellietstelsels heeft dan het standaardmodel voor de donkere materie voorspelt. Waarnemingen met de Subaru-telescoop hebben nu echter nieuwe satellietstelsels aan het licht gebracht, en de schattingen voor het totale aantal dat naar verwachting rond de Melkweg zwermt naar boven bijgesteld. Dit lost het zogeheten ‘Ontbrekende dwergstelsel’-probleem op, maar nu zijn de schattingen weer onverklaarbaar hoog (Publications of the Astronomical Society of Japan, 8 juni). Hoeveel kleine sterrenstelsels begeleiden de Melkweg? Dat is een vraag waar astronomen al tientallen jaren mee worstelen. Satellietstelsels zouden namelijk ontstaan wanneer koel gas zich samenbalt rond donkere materie, en vervolgens sterren vormt. Satellietstelsels zijn dus nauw verbonden met de aard van de donkere materie. Volgens de standaardtheorie zouden sterrenstelsels zoals de Melkweg meer dan duizend klonten donkere materie moeten bevatten en wordt dus een vergelijkbaar aantal satellietstelsels verwacht. Maar tot nu toe zijn er in en rond de Melkweg slechts enkele tientallen satellietstelsels ontdekt. Deze discrepantie wordt het ‘Ontbrekende dwergstelsel’-probleem genoemd. Wat klopt er niet? Is de ware aard van de donkere materie anders dan standaardtheorie voorspelt? Of wordt de stervorming in de klonten van donkere materie op de een of andere manier onderdrukt, waardoor zich minder makkelijk satellietstelsels kunnen vormen? Of zijn er wel degelijk veel satellietstelsels, maar zijn die gewoon moeilijk waarneembaar? Om deze laatste mogelijkheid te onderzoeken, heeft een internationaal onderzoeksteam met de Subaru-telescoop op Hawaï en diens ultra-groothoekcamera Hyper Suprime-Cam naar deze zwakke sterrenstelsels gezocht. Eerder ontdekten de astronomen daarmee al drie nieuwe dwergsterrenstelsels: Virgo I, Cetus III en Bootes IV. En nu hebben ze er nog eens twee ontdekt (Virgo III en Sextans II). Opgeteld bij de vier dwergstelsels die al langer bekend waren, komt het totaal voor het onderzochte stukje Melkweg daarmee op negen. Dat lijkt misschien een klein aantal, maar het is eigenlijk veel groter dan verwacht. Volgens de laatste inzichten zou ons Melkwegstelsel ongeveer 220 satellietstelsels moeten hebben, maar in het beeldveld dat met Suprime-Cam is afgespeurd zouden er maar drie tot vijf mogen zijn. Dus in plaats van te weinig satellieten lijken er nu juist te veel te zijn! Dit roept vragen op over het stervormingsproces in klompen donkere materie ter grootte van satellietstelsels. Astronomen moeten dit proces nog eens goed onder de loep nemen, om na te gaan of ze niets over het hoofd hebben gezien. Maar het goede nieuws is dat het ‘Ontbrekende dwergstelsel’-probleem, waar de standaardtheorie zoveel moeite mee had, nu dicht bij een oplossing is. (EE)
Meer informatie:
Too Many Missing Satellite Galaxies Found

   
28 juni 2024 • Mars vaker getroffen door meteoroïden dan gedacht
Onderzoek onder leiding van planeetwetenschapper Ingrid Daubar van Brown University (VS) wijst erop dat de planeet Mars twee tot tien keer zo vaak met kosmisch puin wordt bestookt dan tot nu toe werd aangenomen. De nieuwe bevindingen zijn gebaseerd op gegevens van NASA’s marslander InSight, die inmiddels buiten gebruik is (Science Advances/Nature Communications, 28 juni). In het kader van dit onderzoek hebben Daubar en haar team een aantal nieuwe inslagkraters van meteoroïden geïdentificeerd die nog niet eerder op beelden van Marsorbiters waren opgemerkt. De frequentie van deze inslagen staat op gespannen voet met de bestaande opvatting over hoe vaak Mars door meteoroïden wordt getroffen, en suggereert dat de huidige modellen voor de inslagfrequentie op Mars moeten worden herzien, met name waar het gaat om kleine meteoroïden met hoge inslagsnelheden. ‘Hierdoor zullen we een aantal modellen moeten heroverwegen die de wetenschappelijke gemeenschap gebruikt om de leeftijden van planeetoppervlakken overal in het zonnestelsel te schatten,’ aldus Daubar. Alles bij elkaar zijn de wetenschappers acht nieuwe inslagkraters op het spoor gekomen. Zes daarvan bevinden zich in de buurt van de landingsplek van InSight. De twee verder verder weg gelegen inslagen die ze op basis van de seismische gegevens van de marslander hebben geïdentificeerd zijn de grootste die ooit door wetenschappers zijn ontdekt, ondanks het feit dat er al tientallen jaren ruimtesondes om Mars cirkelen. De twee verre inslagen, die kraters ter grootte van een voetbalveld hebben achtergelaten, vonden slechts 97 dagen na elkaar plaats, wat de hogere frequentie van dit soort gebeurtenissen onderstreept. Tot nu toe werd aangenomen dat inslagen van dit kaliber slechts eens in de paar decennia voorkomen. InSight was actief van november 2018 tot december 2022. Een van zijn belangrijkste taken was het meten van seismologische schokken op de planeet. Tot dan toe werden nieuwe inslagen op Mars opgespoord aan de hand van voor- en na-beelden die door de camera’s van Marsorbiters werden vastgelegd. De seismometer van InSight introduceerde een nieuw hulpmiddel om inslagen te detecteren en lokaliseren die anders wellicht onopgemerkt zouden zijn gebleven. Om vast te stellen waar en wanneer de inslagen op Mars plaatsvonden, analyseerden Daubar en collega’s seismische signalen van InSight en vergeleken deze seismische gegevens met opnamen van de Mars Reconnaissance Orbiter van NASA. (EE)
Meer informatie:
Analysis of NASA InSight data suggests Mars hit by meteoroids more often than thought

   
28 juni 2024 • Waarom de ene sub-Neptunus de andere niet is
Rond de meeste sterren in ons Melkwegstelsel cirkelen planeten, en de meeste voorkomende zijn de zogeheten sub-Neptunussen – planeten die groter zijn dan de aarde, maar kleiner dan de planeet Neptunus. Het merkwaardige is dat er twee soorten sub-Neptunussen lijken te bestaan die in dichtheid verschillen. Een onderzoeksteam van de universiteiten van Genève en Bern (Zwitserland) heeft daar een mogelijke verklaring voor gevonden (Astronomy & Astrophysics, 27 juni). Het bepalen van de dichtheden van exoplaneten is niet eenvoudig: daarvoor moeten zowel de massa als de straal van een planeet bekend zijn. De straal van een exoplaneet kan worden afgeleid uit de hoeveelheid licht die hij wegneemt als hij voor zijn ster langs beweegt, maar de bepaling van zijn massa ligt ingewikkelder. Daarbij kan gebruikt worden gemaakt van de radiële-snelhelheidsmethode – simpel gezegd: meten hoe sterk de planeet zijn moederster aan het schommelen brengt – of de TTV-methode: het meten van de kleine variaties in het moment dat de planeet voor zijn ster langs schuift, die worden veroorzaakt door interacties met andere planeten die om de ster cirkelen. Vreemd genoeg blijken planeten waarvan de massa met de TTV-methode is bepaald een geringere dichtheid te hebben dan planeten waarvan de massa met de radiële-snelheidsmethode is bepaald. Volgens de Zwitserse onderzoekers komt dit doordat de meeste planetenstelsels die met de TTV-methode zijn gemeten resonantie vertonen. Twee planeten zijn in resonantie waneer de verhouding tussen hun omlooptijden een geheel getal is. Bijvoorbeeld wanneer de ene planeet in dezelfde tijd twee rondjes om zijn ster maakt en de andere maar één. Op basis van een statistische analyse zijn de onderzoekers tot de conclusie gekomen dat dit verband tussen dichtheid en resonantie echt bestaat. En daar hebben ze ook een verklaring voor. Hun hypothese komt er kort gezegd op neer dat alle planetenstelsels vroeg in hun bestaan een ‘resonantieketen’ vormen, wat wil zeggen dat de omlooptijden van hun planeten op elkaar afgestemd zijn. Maar slechts vijf procent daarvan blijft stabiel: in de overige 95% wordt de resonantieketen verbroken, en dat leidt tot ongelukken, zoals botsingen tussen planeten. Bij zo’n botsing smelten de planeten samen en neemt hun dichtheid toe. Door deze reeks gebeurtenissen ontstaan dus twee zeer verschillende soorten sub-Neptunussen: de ene met grote dichtheden, zonder baanresonanties; de andere met lagere dichtheden, mét baanresonanties. (EE)
Meer informatie:
The density difference of sub-Neptunes finally deciphered

   
25 juni 2024 • Donkere materie bestaat vrijwel zeker niet uit zware zwarte gaten
Met behulp van de zwaartekrachtgolfdetectoren LIGO en Virgo is de afgelopen jaren een populatie van zware zwarte gaten ontdekt, waarvan de oorsprong onduidelijk is. Een van de mogelijke verklaringen is dat de zwarte gaten zijn gevormd in het heel vroege heelal en mogelijk bijdragen aan de hypothetische donkere materie – een mysterieuze substantie die een flink deel van alle massa in het heelal voor zijn rekening neemt. Langlopend Pools onderzoek ondergraaft deze mogelijkheid echter (Nature/Astrophysical Journal Supplement Series, 24 juni). Bij hun onderzoek maken de Poolse astronomen gebruik van zogeheten gravitionele microlensing, een techniek die gebruik maakt objecten die met behulp van hun zwaartekracht het licht van verder weg staande sterren afbuigen en versterken. Ervan uitgaande dat ons Melkwegstelsel aanzienlijke hoeveelheden donkere materie bevat in de vorm van (onwaarneembare) zwarte gaten, zou dat in een flink aantal ‘microlens-gebeurtenissen’ moeten resulteren: sterren die enige tijd helderder lijken te stralen dan normaal. De duur van zo’n microlensgebeurtenis hangt af van het object dat als ‘lens’ fungeert: hoe groter diens massa, des te langer houdt het verschijnsel aan. Microlensgebeurtenissen waarbij een object van één zonsmassa betrokken is duren doorgaans enkele weken. Maar bij een zwart gat van honderd zonsmassa loopt dat op tot enkele jaren. Het Poolse team heeft de afgelopen bijna twintig jaar bijna 80 miljoen sterren in de Grote Magelhaense Wolk in de gaten gehouden, om eventuele microlensgebeurtenissen veroorzaakt door zwarte gaten in ons Melkwegstelsel te kunnen opsporen. Als alle donkere materie in de Melkweg uit zwarte gaten van tien zonsmassa’s zou bestaan, zou dat 258 microlensgebeurtenissen moeten hebben hebben opgeleverd. Bij zwarte gaten van honderd zonsmassa’s zouden het er 27 zijn geweest. In werkelijkheid hebben de astronomen echter maar dertien van die gebeurtenissen waargenomen. En daaruit leiden ze af dat de donkere materie in ons Melkwegstelsel voor slechts een paar procent uit zwarte gaten kan bestaan. Voor de botsende zwarte gaten die met LIGO en Virgo zijn gedetecteerd blijft dus een andere verklaring nodig. (EE)
Meer informatie:
Is Dark Matter Made of Black Holes?

   
25 juni 2024 • Voorlopers van bolvormige sterrenhopen ontdekt in extreem ver sterrenstelsel
Een team onder leiding van Angela Adamo van de Universiteit van Stockholm (Zweden) heeft met behulp van de Webb-ruimtetelescoop een extreem ver sterrenstelsel bestudeerd. Het licht van het stelsel, dat de Cosmic Gems-boog wordt genoemd, is 460 miljoen jaar na de oerknal uitgezonden. Normaal gesproken zijn op die afstand geen details waarneembaar, maar door het zwaartekrachtlenseffect van een grote tussenliggende cluster van sterrenstelsels wordt het zwakke schijnsel van de Cosmic Gems-boog zodanig versterkt dat op de Webb-opnamen vijf jonge, massarijke sterrenhopen te zien zijn – grote groepen sterren die door de zwaartekracht bijeen worden gehouden (Nature, 24 juni). Ondanks hun grote massa’s zijn de sterrenhopen veel kleiner dan de zogeheten bolvormige sterrenhopen die we in en om ons eigen Melkwegstelsel aantreffen: hun sterren zitten drie keer zo dicht opeengepakt. Volgens Adamo en co zullen ze op termijn evolueren tot normale bolvormige sterrenhopen. Het team is van plan om meer sterrenstelsels in het vroege heelal te gaan onderzoeken, om zo meer te weten te komen over de demografie van vroege sterrenhopen. Daarbij zullen ze ook weer gebruik maken van de Webb-ruimtetelescoop. (EE)
Meer informatie:
Star clusters observed within a galaxy in the early Universe for the first time

   
24 juni 2024 • Twee planetoïden passeren de aarde deze week
Op respectievelijk 27 en 29 juni zullen twee relatief grote planetoïden onze planeet passeren – toevallig vlak voor Asteroid Day (30 juni), een dag die door de Verenigde Naties in het leven is geroepen om aandacht te vragen voor een breed scala aan ruimte-gerelateerde onderwerpen, waaronder de potentiële bedreiging die planetoïden – ook wel ‘ruimterotsen’ genoemd – voor onze planeet vormen. De eerste planetoïde die dichtbij komt is (415029) 2011 UL21, die met een middellijn van 2310 meter groter is dan 99% van alle ‘aardscheerders’ (objecten die de aarde dicht kunnen naderen). Echt dichtbij komt 2011 UL21 overigens niet: op het moment van dichtste nadering is hij altijd nog meer dan zeventien keer zo ver van de aarde verwijderd als de maan. Bijzonder is wel dat de omloopbaan van deze planetoïde heel schuin op het vlak van de planeten staat, wat ongebruikelijk is voor een object van deze omvang. Mogelijk is dat het gevolg van een zwaartekrachtsinteractie met de planeet Jupiter. De tweede bezoeker uit de ruimte is 2024 MK, die ergens tussen de 120 en 270 meter groot is. Deze komt tot ongeveer driekwart de afstand van de maan: veel dichterbij dus dan 2011 UL21, maar nog lang niet dichtbij genoeg om de aarde te kunnen bedreigen. Wel komt de planetoïde dichtbij genoeg om met een kleine telescoop vanaf de aarde waarneembaar te zijn. (EE)
Meer informatie:
Two large asteroids safely pass Earth just 42 hours apart

   
24 juni 2024 • Superzware zwarte gaten zijn ‘groot geboren’
De Webb-ruimtetelescoop heeft een sterrenstelsel waargenomen in een bijzonder vroeg stadium van het heelal. Het licht van dit stelsel, J1120+0641 genaamd, heeft er bijna net zo lang over gedaan om de aarde te bereiken als het heelal nodig heeft gehad om zo groot te worden als het nu is. Maar op de een of andere manier had het superzware zwarte gat in zijn centrum al een massa van meer dan een miljard zonsmassa’s. (Nature Astronomy, 17 juni). Sterrenstelsels zijn enorm veranderd de afgelopen 13,8 miljard jaar (de leeftijd van het heelal). Ze zijn groter geworden en hebben meer massa gekregen – ofwel door gas uit hun omgeving aan te trekken of door zo nu en dan samen te smelten. Lang werd aangenomen dat de superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels geleidelijk met de stelsels zijn meegegroeid. Maar zwarte gaten kunnen niet willekeurig snel groeien. Materie die naar een zwart gat toe stroomt, vormt een kolkende, hete ‘accretieschijf’ daaromheen. En als dat bij een superzwaar zwart gat gebeurt, resulteert dit in een zogeheten actieve galactische kern. De helderste van deze objecten, quasars geheten, behoren tot de helderste objecten in het heelal. Maar deze helderheid beperkt de hoeveelheid materie die op het zwart kan vallen: licht oefent namelijk druk uit die de toestroom van materie afremt. Daarom waren astronomen verrast toen ze bij waarnemingen van verre quasars heel jonge zwarte gaten ontdekten met massa’s van 10 miljard zonsmassa’s. Daar zijn allerlei verklaringen voor bedacht, bijvoorbeeld dat de vroegste zwarte gaten veel efficiënter waren in het aantrekken van gas dan hun huidige soortgenoten. Of dat de aanwezigheid van stof rond een quasar een vertekend beeld heeft van diens massa. Om te bepalen welke van deze verklaringen de juiste is, heeft een team onder leiding van Sarah Bosman van het Max-Planck-Institut für Astronomie (MPIA, Duitsland) J1120+0641 in januari 2023 tweeënhalf uur lang bekeken met de Webb-ruimtetelescoop – niet om een foto van het verre stelsel te maken, maar om diens infraroodspectrum vast te leggen. Uit de waarnemingen blijkt dat het superzware zwarte gat in J1120+0641 niet uitzonderlijk snel groeit, wat erop wijst dat hij gebruik maakt van hetzelfde ‘voedingsmechanisme’ als zijn huidige soortgenoten. Het enige verschil is dat het stof rond de verre quasar ongeveer honderd graden warmer is dan dat rond nabijere quasars. Maar er is geen aanwijzing gevonden dat de quasar door uitzonderlijk veel stof omgeven is. ‘Al met al maken de nieuwe waarnemingen het mysterie alleen maar groter: vroege quasars zien er verbazingwekkend normaal uit’, concludeert Bosman. ‘Het maakt niet uit op welke golflengten we ze waarnemen, ze zien er in alle kosmische tijdperken vrijwel hetzelfde uit.’ Volgens Bosman lijkt het er sterk op dat de vroege superzware zwarte gaten simpelweg ‘groot geboren’ zijn. Ze zijn niet ontstaan uit de overblijfselen van de eerste sterren en vervolgens heel snel gegroeid, maar hebben een beginmassa’s van minstens honderdduizend zonsmassa’s gehad – waarschijnlijk door het samentrekken van omvangrijke gaswolken. (EE)
Meer informatie:
A black hole of inexplicable mass

   
19 juni 2024 • Golven in meren en zeeën op Saturnusmaan Titan kunnen erosie veroorzaken
Onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology (MIT, VS) denken dat de golfactiviteit op Titan, de grootste maan van Saturnus, sterk genoeg kan zijn om de kustlijnen van meren en zeeën te eroderen (Science Advances, 19 juni). Afgezien van de aarde is Titan het enige planetaire object in ons zonnestelsel dat actieve rivieren, meren en zeeën kent. Deze rivierenstelsels zijn vermoedelijk gevuld met vloeibare methaan en ethaan, die uitmonden in brede meren en zeeën, waarvan sommige zo omvangrijk zijn als de Grote Meren in Noord-Amerika. Het bestaan van de zeeën en meren op Titan werd in 2007 aangetoond door de ruimtesonde Cassini. Of er golven optreden op Titan is al van het begin af aan een punt van discussie. Volgens sommige onderzoekers zijn de zeeën op de Saturnusmaan zo glad als een spiegel, terwijl anderen wat oneffenheden in het vloeibare oppervlak zagen, maar er niet zeker van waren dat deze door golven werden veroorzaakt. Bij hun nieuwe onderzoek hebben de MIT-wetenschappers aan de hand van radarbeelden van Cassini de kustlijnen de meren en zeeën op Titan in kaart gebracht. Vervolgens hebben ze modellen gemaakt van hoe meren op aarde eroderen, en deze modellen vervolgens toegepast op de zeeën van Titan, om te bepalen welk soort erosie de kustlijnen op de Cassini-beelden kan hebben veroorzaakt. Daarbij zijn ze tot de conclusie gekomen dat golven de meest waarschijnlijke verklaring zijn. ‘We hebben geconstateerd dat als de kustlijnen geërodeerd zijn, hun vorm meer overeenkomst met erosie door golven dan met uniforme erosie [zoals het oplossen van kalksteen] of helemaal géén erosie,’ aldus planeetwetenschapper Taylor Perron van het MIT. De onderzoekers benadrukken overigens dat hun resultaten niet definitief zijn: om de aanwezigheid van golven op Titan te kunnen bevestigen, moeten directe waarnemingen van het oppervlak van deze maan worden gedaan. Als volgende willen de MIT-wetenschappers proberen vast te stellen hoe sterk de winden op Titan moeten zijn om golven op te wekken die de kustlijnen van de meren en zeeën kunnen eroderen. Ook hopen ze uit de vorm van Titans kustlijnen te kunnen afleiden uit welke richtingen de wind overwegend waait, en te voorspellen hoe de vorm van de zeeën op Titan mettertijd zal veranderen. (EE)
Meer informatie:
Titan’s lakes may be shaped by waves

   
19 juni 2024 • Hoe en wanneer is de Grote Rode Vlek van Jupiter ontstaan?
Wetenschappers van de Universiteit van Baskenland en Barcelona Tech hebben de resultaten gepubliceerd van een analyse van historische waarnemingen van de Grote Rode Vlek van de planeet Jupiter. Hun conclusie: de Grote Rode Vlek komt niet overeen met de donkere ovaal die Italiaanse astronoom Cassini in 1665 op de breedtegraad van de huidige Grote Rode Vlek opmerkte, en die tot 1713 waarneembaar was. Daarmee gaan de waarnemingen van de Grote Rode Vlek niet verder terug dan 1831 – het jaar waarin de Duitse amateur-astronoom Heinrich Schwabe aantekeningen maakte van een duidelijke ovaalvormige structuur in de atmosfeer van Jupiter. De Grote Rode Vlek van Jupiter is waarschijnlijk de bekendste atmosferische structuur van ons zonnestelsel. Door zijn grote omvang (momenteel is hij ongeveer zo groot als aarde) en zijn karakteristieke oranjerode kleur is hij zelfs met een kleine telescoop al goed te zien. Langs de rand van deze zogeheten anticyclonale draaikolk woeden winden met snelheden van 450 km/uur. Bij hun onderzoek hebben de Spaanse wetenschappers een analyse gemaakt van de evolutie en grootte van de Grote Rode Vlek. Deze bereikte in 1879 een grootste breedte van 39.000 kilometer, maar is sindsdien aanzienlijk kleiner en ronder geworden. Verder blijkt uit recente waarnemingen van de Amerikaanse ruimtesonde Juno dat de Grote Rode Vlek ondiep en smal is in vergelijking met zijn horizontale omvang. Om erachter te komen hoe deze grote draaikolk gevormd zou kunnen zijn, hebben de onderzoekers numerieke simulaties uitgevoerd met supercomputers, die het gedrag van ondiepe draaikolken in de atmosfeer van Jupiter nabootsen. De atmosfeer van de reuzenplaneet wordt gedomineerd door sterke stromingen die evenwijdig aan de evenaar lopen. Ten noorden van de Grote Rode Vlek waaien de winden in westelijke richting met snelheden van 180 km/uur, terwijl ze ten zuiden ervan in tegengestelde richting waaien met snelheden van 150 km/uur. Hierdoor ontstaat een sterke windschering die de vorming van wervelingen bevordert. De simulaties sluiten evenwel uit dat de Grote Rode Vlek is gevormd door het samengaan van kleine wervels of door een ‘superstorm’ (die zeker zou zijn opgevallen). Waarschijnlijk is zijn ontstaan te danken aan een stromingsverstoring tussen de twee tegengesteld gerichte straalstromen ten noorden en ten zuiden van hem. (EE)
Meer informatie:
Establishing age and origin of Jupiter's Great Red Spot

   
18 juni 2024 • Astronomen zien een enorm zwart gat ontwaken
Eind 2019 begon het tot dan toe onopvallende sterrenstelsel SDSS1335+0728 plotseling helderder te stralen dan ooit tevoren. Om te begrijpen waarom, hebben astronomen gegevens van diverse instrumenten in de ruimte en op de grond, waaronder de Very Large Telescope (VLT) van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), gebruikt om bij te houden hoe de helderheid van het stelsel is veranderd. In een vandaag gepubliceerd onderzoeksartikel komen ze tot de conclusie dat ze getuige zijn van veranderingen die nog nooit eerder in een sterrenstelsel zijn waargenomen – waarschijnlijk als gevolg van het plotselinge ontwaken van het enorme zwarte gat in diens kern (Astronomy & Astrophysics, 18 juni). ‘Stel je voor dat je een ver sterrenstelsel al jaren waarneemt, en dat het altijd rustig en inactief leek te zijn,’ zegt Paula Sánchez Sáez, astronoom bij ESO in Duitsland en hoofdauteur van het onderzoeksartikel in Astronomy & Astrophysics. ‘En dan begint zijn kern plotseling dramatische helderheidsveranderingen te vertonen – op een manier die je nog nooit eerder hebt gezien.’ Dit is wat er is gebeurd met SDSS1335+0728, die inmiddels als ‘actieve galactische kern’ is geclassificeerd – een helder compact gebied, aangedreven door een enorm zwart gat – nadat het in december 2019 sterk in helderheid toenam. Sommige verschijnselen, zoals supernova-explosies of tidal disruption events (een gebeurtenis waarbij een ster te dicht in de buurt van een zwart gat komt en uit elkaar wordt getrokken), kunnen een sterrenstelsel plotseling doen oplichten. Maar deze helderheidsvariaties duren doorgaans maar enkele tientallen of hooguit honderden dagen. SDSS1335+0728 daarentegen wordt, meer dan vier jaar nadat astronomen hem ‘aan’ zagen gaan, nog steeds helderder. Bovendien zijn de helderheidsvariaties van het sterrenstelsel, dat zich op 300 miljoen lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Maagd bevindt, nooit eerder vertoond. Vandaar dat astronomen naar een andere verklaring zijn gaan zoeken. Het team probeerde de helderheidsvariaties te begrijpen met behulp van een combinatie van gearchiveerde gegevens en nieuwe waarnemingen van verschillende instrumenten waaronder het X-shooter-instrument van ESO’s VLT in de Chileense Atacama-woestijn. Door de gegevens van voor en na december 2019 met elkaar te vergelijken, kwamen ze erachter dat SDSS1335+0728 nu veel meer licht uitzendt op ultraviolette, optische en infrarode golflengten. En in februari 2024 begon het sterrenstelsel ook röntgenstraling uit te zenden. De meest plausibele verklaring voor dit verschijnsel is dat het zwarte gat in de kern van het stelsel actief begint te worden. Als dat inderdaad zo is, zou het voor het eerst zijn dat astronomen een enorm zwart gat hebben zien ontwaken. Om alternatieve verklaringen te kunnen uitsluiten, zullen er nog vervolgwaarnemingen moeten worden gedaan. Er zou bijvoorbeeld ook sprake kunnen zijn van een ongewoon traag verlopend tidal disruption event of zelfs een compleet nieuw verschijnsel. (EE)
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
18 juni 2024 • Webb-ruimtetelescoop onderzoekt Krabnevel
Wetenschappers hebben de Webb-ruimtetelescoop gebruikt om de samenstelling van de Krabnevel te analyseren, een supernova-restant op 6500 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Stier. De nieuwe bevindingen, die zijn geaccepteerd voor publicatie in The Astrophysical Journal Letters, geven meer inzicht in de geschiedenis van dit object, maar nog geen uitsluitsel over diens bijzondere eigenschappen. De Krabnevel is het resultaat van een supernova die in het jaar 1054 waarneembaar was vanaf de aarde, en een tijdje zelfs overdag met het blote oog te zien was. Bij de explosie ontstond een uitdijende schil van gas en stof, met in het hart ervan een pulsar – een snel ronddraaiende, sterk magnetische neutronenster. Met de Krabnevel is iets bijzonders aan de hand. Hij heeft een ongewone samenstelling die tot nu toe werd toegeschreven aan een bepaald type supernova-explosie, waarbij atomen in de kern van de oorspronkelijke ster elektronen invangen. Dit maakt de kern instabiel, waardoor hij ineenstort en de ster explodeert. De kern van zo’n ‘elektronenvangst’-supernova bestaat voor een belangrijk deel uit zuurstof, neon en magnesium in plaats van het meer gebruikelijke en zwaardere ijzer. En de restanten ervan zou je kunnen herkennen aan een relatief hoge nikkel/ijzer-verhouding. Onderzoeken uit de jaren 80 en 90 lieten inderdaad zien dat de Krabnevel een hoge nikkel-ijzerverhouding vertoont. Daaruit leidden astronomen af dat explosie relatief zwak moest zijn geweest (minder dan een tiende van een normale supernova) en dat de oorspronkelijke ster een massa van acht tot tien zonsmassa’s had – zo’n beetje het minimum dat nodig is om een supernova van dit type in gang te zetten. De afgelopen jaren zijn astronomen echter meer te weten gekomen over supernova’s die door een instortende ijzerkern wordt getriggerd en ze denken nu dat ook die relatief zwakke explosies kunnen produceren, mits de oorspronkelijke ster maar licht genoeg is. Om meer inzicht te krijgen in de stellaire voorganger van de Krabnevel en de aard van diens explosie, hebben astronomen met behulp van de Webb-ruimtetelescoop twee gebieden in het hart van de Krabnevel spectroscopisch onderzocht. Daarbij hebben ze ontdekt dat de nikkel/ijzer-verhouding kleiner is dan eerdere schattingen aangaven. De nieuwe waarnemingen zijn nog steeds in overeenstemming met het elektronvangst-mechanisme, maar sluiten een ‘normale’ ineenstorting van een relatief lichte ster niet uit. De beelden en data die met de MIRI-camera zijn verzameld, hebben nog een ander bijzonder kenmerk van de Krabnevel aan het licht gebracht: zijn buitenste filamenten bevatten relatief warm stof, terwijl bij andere supernova-restanten het stof zich juist in het centrum bevindt. Ook in dit opzicht lijkt de Krabnevel dus een buitenbeentje. (EE)
Meer informatie:
Investigating the Origins of the Crab Nebula With NASA's Webb

   
17 juni 2024 • Astronomen ontdekken samensmeltende quasars in de ‘kosmische dageraad’
Met behulp van de noordelijke Gemini-telescoop heeft een internationaal team van astronomen een tweetal record-brekende quasars ontdekt. Niet alleen vormen ze het verste paar samensmeltende quasars dat ooit is ontdekt, ook is dit het tot nu toe enige quasarpaar in het zogeheten reionisatietijdperk (Astrophysical Journal Letters, 17 juni). Al vanaf het allereerste moment na de oerknal is het heelal aan het uitdijen. Dit betekent dat het vroege heelal aanzienlijk kleiner was, en dat de eerste sterrenstelsels dichter op elkaar zaten en gemakkelijker samensmolten. Dit proces resulteerde in de vorming van quasars: de extreem heldere kernen van sterrenstelsels waarin gas en stof naar een centraal superzwaar zwart gat toe vallen en daarbij enorme hoeveelheden licht uitzenden. Wanneer je heel diep het heelal in kijkt, zou je dus veel quasarparen verwachten te zien, maar tot nu toe waren die, tot verbazing van astronomen, nog niet gevonden. Met behulp van het GNIRS-instrument van de noordelijke Gemini-telescoop hebben astronomen nu echter een tweetal samensmeltende quasars opgespoord die we waarnemen zoals ze er slechts 900 miljoen jaar na de oerknal uitzagen, in een tijdperk dat de kosmische dageraad wordt genoemd. De kosmische dageraad duurde van ongeveer vijftig miljoen jaar tot een miljard jaar na de oerknal. Tijdens deze periode verschenen de eerste sterren en sterrenstelsels op het kosmische toneel en vulden ze het tot dan toe donkere heelal voor het eerst met licht. De komst van de eerste sterren en sterrenstelsels luidde een nieuw tijdperk in de vorming van het heelal in: het reionisatietijdperk. Tijdens deze periode zorgde het ultraviolette licht van de eerste sterren, sterrenstelsels en quasars ervoor dat de waterstofatomen in het heelal van hun elektronen werden ontdaan – een proces dat ionisatie wordt genoemd – en de eerste grote structuren in het heelal werden gevormd. Om te begrijpen welke rol quasars hebben gespeeld bij dit ionisatieproces, speuren astronomen al jaren naar verre (en dus vroege) voorbeelden van deze objecten. Daarbij zijn tot nu toe ongeveer driehonderd quasars in het reionisatietijdperk ontdekt. En daarbij is een team onder leiding van Yoshiki Matsuoka van de Ehime-universiteit in Japan nu bij toeval op een extreem verre dubbele quasar gestuit. Uit vervolgwaarnemingen is gebleken dat de quasars in kwestie echte kolossen zijn, met elk 100 miljoen keer zoveel massa als onze zon. Dit, in combinatie met de aanwezigheid van een ‘brug’ van gas die zich tussen de twee quasars uitstrekt, suggereert dat zij, en de twee sterrenstelsels waar zij deel van uitmaken, een grootschalige fusie ondergaan. (EE)
Meer informatie:
International Gemini Observatory and Subaru Combine Forces to Discover First Ever Pair of Merging Quasars at Cosmic Dawn

   
12 juni 2024 • Röntgenecho’s geven informatie over het superzware zwarte gat in het Melkwegcentrum
Onderzoekers van Michigan State University (MSU) zijn meer te weten gekomen over het gedrag van Sagittarius A* (Sgr A*), het superzware zwarte gat in het centrum van ons Melkwegstelsel. Ze ontdekten negen nog niet eerder opgemerkte ‘flares’ van Sgr A* – uitbarstingen van röntgenstraling – en analyseerden de röntgenecho’s van een moleculaire wolk in de buurt van het zwarte gat, om zo meer dan tweehonderd jaar in diens verleden te kunnen kijken. Hun bevindingen zijn gepresenteerd tijdens de 244e bijeenkomst van de American Astronomical Society die deze week in Madison, Wisconsin wordt gehouden. Zwarte gaten laten zich erg moeilijk bestuderen, deels omdat zelfs licht niet aan hun immense zwaartekracht kan ontsnappen. Onderzoekers leiden hun eigenschappen meestal af door hun zwaartekrachtsinvloed op nabije sterren, lichtemissies van omringende gaswolken en andere verschijnselen te observeren. Een van de technieken die daarbij worden gebruikt lijkt op het luisteren naar echo’s – in dit geval de röntgenecho’s van een grote wolk van moleculair gas in de nabijheid van Sgr A* die bekendstaat als ‘de Brug’. Anders dan sterren genereren zulke wolken van interstellair gas en stof van zichzelf geen röntgenstraling. Dus toen röntgentelescopen in de ruimte fotonen van de Brug begonnen op te vangen, ontstond al snel het vermoeden dat dit de vertraagde weerkaatsing van een röntgenuitbarsting van Sgr A* was. Uit gegevens van de röntgensatellieten NuSTAR (NASA) en XMM-Newton (ESA) blijkt dat het röntgensignaal van de Brug omstreeks 2008 helderder begon te worden, en in de twaalf jaar daarna alleen maar in intensiteit toenam, om in 2020 een piek te bereiken. Door het verloop van deze röntgenecho te analyseren, hebben de MSU-onderzoekers een reconstructie kunnen maken van de vroegere activiteit van Sgr A*. Hun berekeningen laten zien dat Sgr A* ongeveer tweehonderd jaar geleden vijf orden van grootte – een factor honderdduizend – helderder was in röntgenlicht dan nu. Overigens is nog onduidelijk wat de oorzaak van de röntgenuitbarstingen is. (EE)
Meer informatie:
‘Flares’ and ‘echoes’ from the Milky Way’s monster black hole

   
12 juni 2024 • Hoe zijn superzware zwarte gaten aan hun grote massa’s gekomen?
Door waarnemingen op röntgengolflengten te combineren met geavanceerde supercomputersimulaties van de vorming van sterrenstelsels, hebben astronomen van Pennsylvania State University (VS) meer inzicht gekregen in de ‘groei’ van de superzware zwarte gaten die in de centra van veel sterrenstelsels worden aangetroffen. Hun resultaten zijn gepresenteerd tijdens de 244e bijeenkomst van de American Astronomical Society die deze week in Madison, Wisconsin wordt gehouden. Superzware zwarte gaten kunnen op twee manieren zijn gegroeid: door koud gas op te slokken uit het sterrenstelsel waar ze deel van uitmaken – een proces dat accretie wordt genoemd – of door samen te smelten met andere superzware zwarte gaten wanneer sterrenstelsels in botsing komen met elkaar. In het tweede geval zenden de zwarte gaten – of eigenlijk hun accretieschijven – sterke röntgenstraling uit. Onder leiding van hoogleraar Niel Brandt van Penn State hebben de astronomen twintig jaar aan data van drie röntgensatellieten geanalyseerd om de ontwikkeling van meer dan achtduizend snel groeiende zwarte gaten te analyseren. Om de groei via samensmeltingen te kunnen onderzoeken, hebben de astronomen gebruik gemaakt van supercomputersimulaties die de vorming en evolutie van sterrenstelsels sinds kort na de oerknal nabootsen. Brandt en zijn team zijn daarbij tot de conclusie gekomen dat de groei van zwarte gaten in de meeste gevallen werd gedomineerd door accretie, al hebben ook samensmeltingen van sterrenstelsels een flinke bijdrage geleverd – met name in de afgelopen vijf miljard jaar. Al met al zijn superzware zwarte gaten het snelst gegroeid toen het heelal jonger was. Hierdoor bereikte het totale aantal superzware zwarte gaten zeven miljard jaar geleden zo’n beetje zijn hoogtepunt, terwijl er daarvoor nog veel nieuwe bij kwamen. De onderzoekers hebben ook gekeken naar de groei van het superzware zwarte gat in het centrum van ons eigen Melkwegstelsel, dat een massa van (slechts) vier miljoen zonsmassa’s heeft. Hun resultaten wijzen erop dat dit zwarte gat relatief laat op het kosmische toneel is verschenen. (EE)
Meer informatie:
How do supermassive black holes get super massive?

   
11 juni 2024 • Oorsprong van snelle radioflitsers beter in beeld dankzij gepolariseerd licht
Zich niet herhalende snelle radioflitsers komen waarschijnlijk uit sterrenstelsels die lijken op onze Melkweg. Dat vermoedt een internationaal team van astronomen dat het gepolariseerde licht van 128 van niet-herhalende radioflitsers vergeleek met herhalende flitsers. De onderzoekers, onder wie de Nederlander Ziggy Pleunis, publiceren hun resultaten vandaag in The Astrophysical Journal. Snelle radioflitsers (in het Engels fast radio bursts of FRB’s) werden ontdekt in 2007. Het zijn extreem energierijke flitsen, meestal van ver uit het heelal. Wetenschappers hebben inmiddels meer dan duizend snelle radioflitsers waargenomen, maar het is nog onduidelijk waar en hoe ze ontstaan. In het grootste onderzoek tot nu toe bestudeerden astronomen de polarisatie of trillingsrichting van licht van 128 zich niet herhalende snelle radioflitsers. De polarisatie van het licht laat zich lastig meten, maar biedt inzicht in het productiemechanisme van de flitsen en bevat een afdruk van alle magneetvelden die de flits onderweg is tegengekomen. De onderzoekers maakten gebruik van CHIME, een Canadese radiotelescoop die permanent de hemel afspeurt en daarbij geregeld stuit op plotselinge, eenmalige gebeurtenissen. Uit de resultaten blijkt dat van de 128 bronnen er 89 overduidelijk lineair gepolariseerd licht uitzonden. Bij nog 29 bronnen was er waarschijnlijk geen of weinig gepolariseerd licht. En bij de overige tien bronnen was het signaal te verstoord om uitspraken te doen. Herhalende flitsers waren al eerder onderzocht en zenden veelal sterk lineair gepolariseerd licht uit. Volgens Ayush Pandhi, promovendus aan de Universiteit van Toronto (Canada) en eerste auteur van de studie, lijken de meeste niet-herhalende flitsers afkomstig uit sterrenstelsels met een bescheiden dichtheid en dito magnetische velden. ‘Die sterrenstelsels lijken veel op onze eigen Melkweg.’  Daarnaast vergeleken de onderzoekers de polarisatie van de niet-herhalende flitsers met die van herhalende flitsers. ‘Tot onze verrassing bleken ze geen duidelijk waarneembare verschillen te vertonen,’ zegt Ziggy Pleunis (Universiteit van Amsterdam en ASTRON) en begeleider van Pandhi. ‘Dat is verrassend, want eerder onderzoek toonde verschillen aan qua duur en bandbreedte tussen niet-herhalende en herhalende flitsers, dus ik dacht dat we ook een duidelijk verschil in polarisatie zouden vinden.’  Volgens de onderzoekers lijken de niet-herhalende flitsers meer op de herhalende flitsers dan gedacht. ‘Het zou zo maar kunnen, maar nu ben ik aan het speculeren, dat herhalende flitsers en niet-herhalende flitsers dezelfde oorsprong hebben,’ aldus Pleunis. De onderzoekers vermoeden dat niet-herhalende flitsers bijvoorbeeld eerst herhalende flitsers zijn geweest die nu tot rust zijn gekomen. Het zou ook kunnen dat de niet-herhalende flitsers zich in een minder extreme omgeving bevinden en daardoor niet vaak flitsen. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat er aan de hand is. 
Meer informatie:
Oorsprong van snelle radioflitsers beter in beeld dankzij gepolariseerd licht

   
11 juni 2024 • Veel nabije sterrenhopen stammen af van slechts drie ‘families’
Een internationaal team van astronomen heeft de ontstaansgeschiedenis ontcijferd van een aantal jonge sterrenhopen waarvan sommige ’s nachts al met het blote oog te zien zijn. Het team, onder leiding van Cameren Swiggum en João Alves (Universiteit van Wenen) en Robert Benjamin (Universiteit van Wisconsin-Whitewater, VS), is tot de conclusie gekomen dat de meeste jonge sterrenhopen in onze omgeving tot slechts enkele families behoren (Nature, 10 juni). Met behulp van nauwkeurige gegevens van de Europese astrometrische ruimtetelescoop Gaia en spectroscopische waarnemingen heeft het team de oorsprong getraceerd van 155 jonge sterrenhopen binnen een straal van ongeveer 3500 lichtjaar rond de zon. Uit hun analyse blijkt dat deze sterrenhopen kunnen worden onderverdeeld in drie families met een gemeenschappelijke oorsprong en vergelijkbare ontstaansomstandigheden. Dit wijst erop dat de jonge sterrenhopen afkomstig zijn uit slechts drie zeer actieve en omvangrijke stervormingsgebieden. De drie sterrenfamilies zijn vernoemd naar hun meest prominente sterrenhopen: Collinder 135 (Cr135), Messier 6 (M6) en Alpha Persei (αPer). ‘Deze bevindingen geven meer inzicht in hoe jonge sterrenhopen in onze galactische omgeving met elkaar verbonden zijn, net als leden van een familie’, aldus promovendus Cameren Swiggum. Door de ruimtelijke bewegingen en vroegere posities van deze sterrenhopen te onderzoeken, kunnen we hun gemeenschappelijke oorsprong traceren en de gebieden in ons Melkwegstelsel lokaliseren waar de eerste sterren van de betreffende sterrenhopen zich tot ongeveer 40 miljoen jaar geleden hebben gevormd.’ Uit het onderzoek blijkt dat er binnen de drie families meer dan tweehonderd supernova-explosies moeten hebben plaatsgevonden, waarbij enorme hoeveelheden energie zijn vrijgekomen. Volgens de astronomen heeft deze energie waarschijnlijk grote invloed gehad op de verdeling van het gas in de lokale Melkweg. Dit zou ook de vorming van de zogeheten superbel rond de Cr135-familie kunnen verklaren: een enorme bel van gas en stof met een middellijn van drieduizend lichtjaar,’ legt Swiggum uit. Ook ons zonnestelsel is ingebed in zo’n bel, de zogeheten Lokale Bel, die is gevuld is met zeer ijl heet gas. ‘De Lokale Bel is waarschijnlijk verbonden met de geschiedenis van een van de drie families van sterrenhopen en heeft waarschijnlijk sporen achtergelaten op aarde, zoals wordt afgeleid uit metingen van ijzerisotopen in de aardkorst. (EE)
Meer informatie:
Galactic bloodlines: Many nearby star clusters originate from only three ‘families’

   
10 juni 2024 • Webb-ruimtetelescoop vindt aanwijzing voor botsing tussen grote planetoïden bij ster Bèta Pictoris
Astronomen hebben een momentopname gemaakt van een botsing tussen planetoïden in het Beta Pictoris-stelsel – een nabij stersysteem dat bekendstaat om zijn jonge leeftijd en tumultueuze planeet-vormende activiteit. De waarnemingen bieden een uniek kijkje in het beginstadium van de planeetvorming. Het nieuwe waarneemresultaat, verkregen door een team onder leiding van Christine Chen van de Johns Hopkins-universiteit, wordt vandaag gepresenteerd op de 244e bijeenkomst van de American Astronomical Society in Madison, Wisconsin (VS). Het team van Chen ontdekte duidelijke veranderingen in de infraroodstraling die door stofdeeltjes rond de ster Bèta Pictoris wordt uitgezonden, door nieuwe meetgegevens van de Webb-ruimtetelescoop te vergelijken met waarnemingen van de Spitzer-ruimtetelescoop uit 2004 en 2005. Met behulp van de gedetailleerde metingen van Webb heeft het team de samenstelling en grootte geanalyseerd van stofdeeltjes in het gebied dat eerder met Spitzer werd bekeken. De wetenschappers keken met name naar de warmte die wordt uitgezonden door kristallijne silicaten - mineralen die vaak te vinden zijn rond jonge sterren, maar ook op aarde en andere hemellichamen – en vonden daarbij geen sporen van de deeltjes die twintig jaar geleden door Spitzer waren waargenomen. Dit suggereert dat er rond die tijd een catastrofale botsing heeft plaatsgevonden tussen planetoïden en andere objecten, waarbij deze werden verpulverd tot stofdeeltjes fijner dan stuifmeel. Aanvankelijk warmde het stof in de buurt van de ster op en zond het de thermische straling uit die door Spitzer werd geregistreerd. Stof dat zich inmiddels ver van de ster heeft verwijderd, is afgekoeld en zendt geen warmtestraling meer uit. Toen Spitzer zijn data verzamelde, gingen wetenschappers ervan uit dat het stof in de loop van de tijd in beweging zou worden gebracht en worden aangevuld door langs elkaar schurende kleine hemellichamen, maar uit de Webb-waarnemingen blijkt dat het stof niet is aangevuld. De ongeveer 63 lichtjaar verre ster Beta Pictoris staat al geruime tijd onder de aandacht van astronomen. Hij is pas twintig miljoen jaar oud – veel jonger dus dan ons 4,5 miljard jaar oude zonnestelsel – en bevindt zich in de cruciale fase waarbij zich al reuzenplaneten rond de ster hebben gevormd en zich mogelijk nog aardse planeten aan het ontwikkelen zijn. Bij de ster zijn minstens twee gasreuzen ontdekt, Bèta Pic b en c, die ook invloed uitoefenen op het omringende stof en puin. (EE)
Meer informatie:
Webb Telescope Reveals Asteroid Collision in Neighboring Star System