De ‘David Attenborough’ van de sterrenkunde
Interview met David Malin

‘Waarom wil je eigenlijk met mij over sterrenkunde praten....ik weet helemaal niet veel van sterrenkunde.’ Met deze merkwaardige woorden begon het gesprek dat ik met David Malin had. Was dit nu de man die – ver voor het tijdperk van de Hubble-telescoop – met de Anglo-Australian Telescope de ene na de andere prachtige foto van de sterrenhemel maakte? Of zat ik met een onbekende naamgenoot te praten? Of waren de foto’s van David Malin niet sterrenkundig genoeg?

‘In zekere zin hebben mijn foto’s wel wat met sterrenkunde te maken,’ vervolgt Malin. ‘Maar eigenlijk moet je ze meer zien als een medium dat de afstand overbrugt tussen de professionele astronomen, die toegang hebben tot grote telescopen, en amateurs die een kleine telescoop of zelfs helemaal geen telescoop hebben, maar wel geïnteresseerd zijn in wat zich ‘daarbuiten’ afspeelt. Ze helpen ons, professionele sterrenkundigen, uitleggen waarom wij sterrenkunde zo boeiend vinden.’
Maar wordt het dan niet steeds moeilijker om de nieuwste ontdekkingen uit te leggen aan een breed publiek? Het lijkt wel of sterrenkunde steeds ingewikkelder wordt. ‘In grote lijnen verandert er niet zo veel,’ is Malins reactie. ‘Als je de hoofdlijnen maar kunt blijven duidelijk maken: dat het heelal een begin heeft gekend en dat we ongeveer weten wanneer dat begin is geweest, omdat we weten dat het heelal uitdijt en we kunnen uitrekenen wanneer die uitdijing is begonnen – dat blijft voor iedereen heel fascinerend. Natuurlijk wordt het, als het over de processen gaat die zich tijdens het ontstaan van het heelal hebben afgespeeld, heel ingewikkeld voor de gewone man of vrouw. Maar het is belangrijk dat professionele sterrenkundigen de moeite nemen om bijvoorbeeld in eenvoudige bewoordingen uit te leggen wat die Hubble-constante is en waarom deze zo belangrijk is. En dat kan best: het is immers gewoon een getal dat aangeeft hoe snel ons heelal uitdijt.’
Moeten we Malins fotografische werk dus zien als een soort verantwoording? ‘Zeker: sterrenkundigen worden immers betaald met geld van iedereen. Een piepklein, maar significant gedeelte van ons belastinggeld wordt gebruikt om mensen zoals ik te betalen. Mensen met een uiterst boeiend beroep, maar die niets tastbaars produceren. Ik breng geen geld op, ik verrijk de maatschappij niet – in financiële zin althans, hopelijk wel in culturele zin – maar als astronoom ben ik me daar ook van bewust. Een astronoom die onderzoek doet aan de een of andere obscure ster moet afstand kunnen nemen en zijn enthousiasme kunnen delen met mensen die niets met sterrenkunde te maken hebben, maar daar wel in geïnteresseerd zijn. Mijn foto’s zijn een belangrijk middel waarmee je dat kunt bereiken. Zelfs iemand die niet in wetenschap geïnteresseerd is, kan naar deze foto’s kijken en zich afvragen wat daarop te zien is. En dan kun je hem erop wijzen dat het een gebied is waar sterren ontstaan of waar twee sterrenstelsels tegen elkaar botsen. De reactie die je dan vaak krijgt is: ‘Hoe weet je dat?’ En zo begin je al snel een wetenschappelijk gesprek met iemand die aanvankelijk ‘niets’ van wetenschap moet hebben.’

Orionnevel

Malins foto’s kunnen dus als houvast dienen om een gesprek over sterrenkunde aan te knopen. Maar dat is vast niet de enige reden waarom hij zo veel moeite doet om het uiterste uit je negatieven te halen. ‘Nee, er zit natuurlijk ook veel wetenschap in verborgen,’ zegt Malin. ‘Mijn foto’s van de Orionnevel bijvoorbeeld laten nieuwe dingen zien. Ik kan je natuurlijk van alles vertellen over de Orionnevel – dat daar kort geleden nieuwe sterren zijn ontstaan en dat hun sterrewind van alles weg blaast, waardoor er een holte is ontstaan aan de rand van een moleculaire wolk – maar dat zijn maar woorden. Als je een foto van de Orionnevel maakt, waarop de hoofdrolspelers van deze processen in al hun kleuren te zien zijn, wordt dat verhaal veel duidelijker.’
Is het niet vreselijk saai om steeds maar weer datzelfde verhaal te vertellen, diezelfde foto’s te laten zien? ‘Nee, ik vind het echt heel leuk om publiekslezingen te geven. Het geeft me de kans om te laten zien wat ik doe – en daar ben ik heel trots op en ik vind het heel leuk dat de mensen mijn foto’s op prijs stellen. Ik krijg echt een kick van de ‘oh’s en ah’s’ in de zaal als ik een nieuwe dia laat zien....zo groot is mijn ego wel.’
Sterrenkunde met theatrale trekjes dus.... ‘Ja, in zekere zin wel. Ik zie mezelf een beetje als de David Attenborough van de sterrenkunde. Attenborough kan zo heerlijk ‘muzikaal’ over de olifanten, giraffen en bomen en zo praten. Zonder daarbij heel neerbuigend te doen...er gewoon heel enthousiast over vertellen. Ik ben enthousiast over dezelfde soort dingen en probeer dat tijdens mijn lezingen over te brengen. Maar er is méér: zonder dat mijn foto’s iets echt nieuws laten zien, kunnen ze bestaande ideeën helpen bevestigen. Mijn dankbaarste publiek bestaat uit theoretische sterrenkundigen. Hun sterrenkunde bestaat vaak alleen als een verzameling getallen en berekeningen, maar als ze een foto zien, valt soms alles op zijn plaats en worden al die getallen tastbaar. Dan weet je weer waar je het allemaal voor doet.’

‘Mooie plaatjes’

Als je al die foto’s ziet die David Malin in de loop der jaren heeft gemaakt, zou je haast gaan denken dat hij nacht in, nacht uit met het fotograferen van de sterrenhemel bezig is. Maar de werkelijkheid is anders. ‘Het is heel moeilijk om waarneemtijd te krijgen bij de Anglo-Australian Telescope,’ zegt Malin. ‘Voor wat voor werk dan ook. En het is de enige grote telescoop waarmee je kunt fotograferen...alle andere instituten zijn daarmee gestopt.’
‘Het zou natuurlijk prachtig zijn als je de kamer van de directeur kon binnenstappen met de mededeling ‘Ik heb een fantastisch idee voor een foto, kan ik de telescoop volgende week een paar nachten gebruiken?’ Zo werkt dat jammer genoeg niet. Je moet een zeer gedetailleerd voorstel schrijven over wat je van plan bent. De commissie die deze voorstellen beoordeelt weet natuurlijk best dat ik van plan ben om ‘mooie plaatjes’ te maken, maar ik moet iedereen van het wetenschappelijke nut overtuigen. En het mooie is dat bijna elke kleurenfoto die ik heb gemaakt ook werkelijk wetenschappelijke waarde heeft en een wetenschappelijk artikel heeft opgeleverd. Niet alleen van mij, maar ook door anderen die erdoor geïnspireerd werden.’
Ondanks de grote successen die Malin in de loop der jaren heeft geboekt, is het dus beslist niet zo dat hij een ‘grootgebruiker’ van de AAT is. ‘Gemiddeld heb ik niet meer dan zes tot acht nachten per jaar,’ zegt Malin. ‘En daarvan zijn er zeker drie bewolkt. Dat is trouwens typerend voor de moderne sterrenkunde: er is ontzettend veel te doen, en er is veel te weinig ‘telescooptijd’. Daar komt nog bij dat je tegenwoordig veel zwakkere objecten kunt fotograferen dan vroeger.’

Van microscoop tot telescoop

Waarom zijn de foto’s die Malin maakt zo anders dan de opnamen die worden gemaakt met bijvoorbeeld de telescopen van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in Chili? ‘Dat komt waarschijnlijk door mijn compleet verschillende achtergrond,’ zegt Malin na enig nadenken. ‘Ik ben van oorsprong een microscopisch fotograaf en was dus met het ‘hele kleine’ bezig. De praktische problemen die je daarbij tegenkomt, zijn in zekere zin net zo uitdagend als die in de sterrenkunde. Er zijn maar weinig mensen die door een microscoop kunnen kijken en ook snappen wat ze daar zien. En ik denk dat het met telescopen al niet veel anders is. Door mijn ervaring met microscopische fotografie heb ik de geheimen van de donkere kamer ontdekt. De methoden waarmee je het uiterste uit een ‘microfoto’ kunt halen, werken net zo goed in de sterrenkunde. En ik heb er altijd naar gestreefd om de beelden die ik van de natuur maak zo toegankelijk mogelijk te maken voor een breed publiek. Zodat iedereen, eventueel na een korte uitleg, snapt wat er op de foto te zien is.’
David Malin is zijn loopbaan dus niet als sterrenkundige begonnen; hij werkte aanvankelijk bij een Britse vestiging van het Zwitserse chemiebedrijf CIBA-Geigy. En zijn belangstelling voor fotografie ontstond in zijn vrije tijd en met name door geldgebrek! ‘Ik had een Frans vriendinnetje,’ herinnert Malin zich. ‘En op een dag nam ze mee naar Parijs, om kennis te maken met haar familie. Voor die gelegenheid had ik een camera geleend, en daarmee begon ik foto’s te maken van Parijs. Ik was gefascineerd door die stad...ik had nog nooit zoiets gezien (ik kwam uit het noorden van Engeland, dat nogal saai is). Parijs heeft mijn ogen geopend. Ik kwam thuis met twintig volle zwart/wit-filmpjes, en nog steeds zonder geld natuurlijk. Toen zeiden mijn collega’s op het lab: meng een beetje van dit met dat, dan laten we je zien hoe je die film moet ontwikkelen. En ergens in een verloren hoekje van het bedrijf was nog een donkere kamer, die al in geen twintig jaar gebruikt was. Daar heb ik de fotografie ontdekt...een prachtige ervaring.’
Het Franse vriendinnetje is Malin kwijtgeraakt, maar zijn passie voor de fotografie niet. In 1974 solliciteerde Malin met succes op een advertentie van de nieuwe Anglo-Australian Telescope, waarin men iemand vroeg voor het opzetten van de fotografische afdeling. Pas daar heeft hij kennis gemaakt met de sterrenhemel. ‘In het begin ging dat heel moeizaam,’ vertelt Malin. ‘De telescoop werd in juli 1975 in gebruik genomen en ik kwam een maand later naar Australië. Het was toen een chaotische toestand, en het viel niet mee om onder die omstandigheden met de grote telescoop te leren omgaan en de sterrenkunde te ontdekken. Maar ik had het grote geluk dat ik begin 1976 in de Verenigde Staten Bill Miller ontmoette, die zojuist was gepensioneerd als astrofotograaf van de Palomar-sterrenwacht. Bill maakte me ervan bewust dat ik me op twee dingen moest concentreren: hypersensibilisatie – het ‘opvoeren’ van bestaande fotografische materialen – en technieken als unscharp masking en fotografische beeldversterking. En dat was een goed advies. Met die technieken heb ik al heel snel een aantal interessante ontdekkingen gedaan.’
Wordt het maken van foto’s van de sterrenhemel na twintig jaar geen sleur? ‘In tegendeel,’ is Malins stellige reactie op deze vraag. ‘Het wordt juist steeds uitdagender. De problemen waar ik nu mee te maken heb zijn namelijk veel groter dan die van destijds. Toen we begonnen met de AAT, konden we de zuidelijke hemel ‘afromen’. Het was immers de eerste grote telescoop op het zuidelijk halfrond. Waar je ook keek, overal ontdekte je wel wat nieuws. Nu, twintig jaar later, is dat anders. De ESO en de Amerikaanse sterrenwachten zijn erbij gekomen, het is dus moeilijk om iets nieuws te ontdekken. Maar daarmee is het ook bevredigender geworden. En elke ontdekking geeft nog steeds een kick: eventjes ben jij de enige die ervan af weet....je loopt soms dagenlang met je hoofd in de wolken.’

Blauwfilter gezocht

De lezer die zich Malins artikelen over astrofotografie in Zenit nog weet te herinneren, weet dat hij vooral met conventionele fotografische materialen werkt. Hoe kijkt hij tegen de opkomst van de ccd en de elektronische revolutie aan? ‘Ik maak zelf ook gebruik van ccd’s,’ antwoordt Malin. ‘Het zijn prachtige dingen, maar je kunt er nu eenmaal geen echt spannende foto’s mee maken. Nog niet althans. En tot die tijd blijf ik aan klassieke fotografie doen.’
Een tijdje geleden waren er allerlei berichten in het nieuws, als zou de firma Kodak stoppen met de produktie van de fotografische platen waarmee Malin foto’s van de sterrenhemel maakt. Dat is gelukkig maar ten dele waar. ‘Kodak maakt nog steeds fotografische platen, maar in minder variëteiten dan vroeger,’ vertelt Malin. ‘En degene die ze nog wel maken, zijn minder geschikt voor kleurenfotografie. Maar dat betekent nog niet dat we ermee gaan stoppen. De mogelijkheden zijn nog niet uitgeput. Momenteel experimenteren we bijvoorbeeld met de bekende TP2415-film, een goede film al hebben we problemen met het vinden van een goed blauwfilter. De meeste blauwfilters laten toch een beetje rood door, en daar is de TP-film juist erg gevoelig voor. Het probleem is dus ernstiger dan je zo op het eerste gezicht zou zeggen.’