Lichtjes in de duisternis

'Zo lelijk als de nacht', zegt een bekend Nederlands spreekwoord. Maar de nacht is helemaal niet lelijk! Eigenlijk is er ’s nachts net zo veel moois te zien als overdag. Alleen zijn onze ogen daar niet op berekend. Moeder Natuur heeft ons uitgerust met een stel 'kijkers' die alleen goed functioneren als er flink wat licht is. Zodra het zonlicht verdwijnt, wordt alles in onze omgeving grijs en vaag. Maar zelfs ’s nachts zijn nog wel eens kleuren te zien, óók op plaatsen waar je geen neonreclames hebt.

Wie nog nooit in een planetarium is geweest, moet daar beslist eens naartoe. Vroeger was ik er stellig van overtuigd dat de sterrenhemel die je in zo'n koepelvormig gebouw – zoals dat van het Artis Planetarium in Amsterdam – te zien krijgt nogal nep lijkt: veel te veel sterren! Maar na een paar reizen naar Australië en Chili weet ik wel beter. De sterrenhemel in een planetarium komt heel dicht bij de werkelijkheid, maar in ons dichtbevolkte Nederland is er al zo veel kunstlicht dat je de 'echte' sterrenhemel vrijwel nooit meer te zien krijgt. Straatverlichting doet de nacht als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Na zonsondergang

Normaal gesproken wordt het donker als de zon ondergaat. In het voorjaar gebeurt dat rond een uur of zes ’s avonds – een uur later als de zomertijd is ingegaan. Maar dan is het nog niet direct helemaal donker. Eerst krijg je nog een periode van een half tot een heel uur dat je alles nog heel goed kunt zien. Deze periode wordt de (avond)schemering genoemd.
Dat het niet direct donker wordt heeft te maken met de atmosfeer of dampkring van de aarde. Onze planeet heeft een enkele tientallen kilometers dikke jas van lucht. Dat is maar goed ook, want anders zouden we hier niet eens kunnen zijn. Die lucht heeft de eigenschap dat hij het licht van de zon alle kanten op 'strooit'. Als de zon is ondergegaan zien we nog een hele tijd 'zonnestralen' die door de lucht heen en weer worden gekaatst. En als je goed oplet, kun je zien hoe, als voor jou de zon al achter de horizon is verdwenen, de toppen van bomen, heuvels en wolken nog door de zon worden beschenen. Hoe hoger je zit, des te langer duurt het voor de zon ondergaat.

Sterren en planeten

Tijdens de schemering kun je ook de eerste sterren tevoorschijn zien komen. De komende tijd kun je in het westen drie van die heldere 'sterren' laag aan de hemel zien staan. Alleen: dat zijn geen sterren, maar de planeten Venus, Jupiter en Saturnus. Alledrie draaien ze om de zon, net zoals de aarde. Dat kun je ook zien, al moet je daar wel geduld voor hebben. Venus kruipt in de loop van maart steeds dichter naar de zon toe en zal op een gegeven moment 'verdwenen' zijn. In werkelijkheid staat de planeet dan gewoon te dicht bij de zon aan de hemel om zichtbaar te kunnen zijn.
Alle andere lichtpuntjes die je na zonsondergang aan de hemel tevoorschijn ziet komen zijn sterren. Eigenlijk zijn dit helemaal geen kleine lichtpuntjes, maar enorme hemellichamen die veel licht en warmte uitstralen, net als onze zon. Sterren zijn dan ook 'gewoon' zonnen. Ze staan alleen zo ver weg, dat ze eruit gaan zien als kleine stipjes. Op een heldere avond zijn maximaal een paar duizend sterren te zien.
De ene ster is helderder dan de andere. Dat komt doordat de ene ster wat dichterbij staat dan de andere. Maar ook doordat de ene ster wat meer licht uitstraalt dan de andere. Sterren heb je in allerlei soorten en maten. Als je goed kijkt, zijn er zelfs ook kleurverschillen. Een ster als Betelgeuze in het sterrenbeeld Orion (zie de sterrenkaart) is duidelijk oranjerood van kleur, terwijl in hetzelfde sterrenbeeld ook de blauwwitte ster Rigel staat. Dat kleurverschil is een kwestie van temperatuur. Denk maar eens aan een stuk ijzer dat door een smid wordt verhit: eerst is het gewoon donker, dan begint het rood te gloeien, dan oranje, dan geel en dan wit. Een witte ster is dus veel heter dan een rode ster.

Andere lichten

Soms zie je ook een lichtpunt langzaam langs de hemel bewegen. Een ster is dat dan niet, want sterren bewegen eigenlijk niet of nauwelijks. Zo'n 'bewegende ster' is een satelliet. Satellieten bewegen op afstanden van enkele honderden tot duizenden kilometers om de aarde, en hebben allerlei metaalachtige onderdelen die het zonlicht goed weerkaatsen. Op die grote hoogte gaat de zon veel later onder dan bij jou op aarde, en dus kun je zo'n satelliet nog zien als het allang donker is. En als hij regelmatig 'knippert', weet je ook dat het ding om zijn as draait.
Flits! Daar komt nóg een lichtje voorbij. Ook een satelliet? Nee, dat is een meteoor. Vroeger, toen men nog niet wist hoe ze ontstaan, werden meteoren 'vallende sterren' genoemd. In werkelijkheid zijn het kleine korreltjes uit de ruimte die naar de aarde vallen. Tijdens hun tocht door de dampkring worden ze heet door de wrijving met de lucht, waardoor er een hete bal van hete lucht rond het korreltje ontstaat. En dat is wat je langs de hemel ziet schieten. Zodra het korreltje genoeg is afgeremd, koelt hij af en dooft de lichtbal uit.

De maan

Over één 'bewoner' van de nachtelijke hemel hebben we het nog niet gehad: de maan. Heel veel mensen denken dat de maan alleen ’s avonds of ’s nachts te zien is. Maar dat is niet waar. Vaak kun je de maan ook overdag zien. Dat hangt af van de schijngestalte van de maan. Alleen als het (ongeveer) Volle Maan is, is de maan alleen te zien als de zon al onder is. Dat is ook logisch, want dan staat de maan recht tegenover de zon aan de hemel. Maar zodra de maan niet helemaal 'vol' is, kun je hem ook overdag al zien. Let er maar eens op!