Kosmic Relief

Van november 1998 t/m oktober 2014 maakten illustratrice Jeannette Bos en ondergetekende de rubriek 'Kosmic Relief' (pun intended) voor het sterrenkundetijdschrift Zenit. De rubriek behandelde een recente sterrenkundige ontdekking die werd voorzien van een illustratieve knipoog. Hieronder het archief (van nieuw naar oud) dat de afgelopen zestien (!) jaar is opgebouwd.

Tekeningen © Jeannette Bos
Teksten © Eddy Echternach (tenzij anders aangegeven)

 

oktober 2014

Astronoom dateert ‘geboorte’ van impressionisme

Het impressionisme begon op woensdag 13 november 1872, even na half acht
's morgens. Volgens astronoom Donald Olson van Texas State University
was dat het moment waarop Claude Monet vanuit een hotelkamer in Le Havre
de zonsopgang waarnam die hij vastlegde in zijn schilderij Impression,
Soleil Levant, waaraan de kunststroming zijn naam te danken heeft. Olson
maakte gebruik van talloze oude foto's en kaarten van Le Havre, van
informatie over de stand van de zon, van gegevens over
scheepvaartverkeer en getijden, en van meteorologische informatie.
Uiteindelijk bleek er slechts één datum over te blijven waarop het
schilderij gemaakt kan zijn. De conclusie van Olson wordt overgenomen
door Museé Marmottan Monet in Parijs, die later deze maand een grote
Monet-expositie opent. Eerder dateerden Olson en zijn collega's al vele
andere schilderijen op basis van astronomische gegevens, onder andere
werken van Vincent van Gogh en Edvard Munch. (GS)

Meer informatie

 

september 2014

Foutjes in babyfoto van het heelal hersteld

Vorig jaar presenteerden astronomen een nieuwe, detailrijke kaart van de kosmische achtergrondstraling – de overgebleven straling van de oerknal. De afbeelding, gebaseerd op gegevens van de Europese satelliet Planck, vertoonde enkele weeffouten die het standaardmodel van de kosmologie op de proef stelden. Zwitserse en Franse wetenschappers hebben nu echter aangetoond dat diverse van deze foutjes verdwijnen door de Planck-gegevens anders te verwerken (Journal of Cosmology and Astroparticle Physics, 4 augustus). De zeer energierijke straling die kort na de oerknal het heelal vulde, is door de uitdijing van het heelal verandert in energiearme microgolfstraling. De verdeling van deze straling langs de hemel is niet helemaal gelijkmatig: het ene plekje is wat warmer dan het andere. Voor een deel is dat het gevolg van voorgrondobjecten, zoals sterren en sterrenstelsels, die óók bronnen van straling zijn. Bij het verwerken van gegevens van satellieten zoals Planck wordt daar zo goed mogelijk voor gecorrigeerd. Maar na deze correcties vertoonde de vorig jaar gepresenteerde kaart een aantal onverklaarbare afwijkingen. De bekendste is de ‘koude plek’, een relatief grote structuur waarvan de temperatuur enkele honderdduizendsten van een graad lager is dan mogelijk werd geacht. Recent Europees onderzoek wijst er nu op dat de meeste afwijkingen in de Planck-kaart verdwijnen als de gegevens van de satelliet op een andere manier worden verwerkt. Daarbij worden nieuwe technieken gebruikt om het storende voorgrondlicht van de kosmische achtergrondstraling te scheiden, en worden ook effecten zoals de beweging van ons Melkwegstelsel in rekening gebracht. De nieuwe analyse kan overigens niet alle kreukels gladstrijken. (EE)

Meer informatie

 

juli/augustus 2014

Exoplaneten zijn er in drie ‘smaken’

In ons eigen zonnestelsel kennen we twee typen planeten: kleine, rotsachtige planeten zoals de aarde en gasreuzen zoals Jupiter. Elders in het Melkwegstelsel komt echter ook een derde type voor: 'gasdwergen', die uit een rotsachtige kern en een dikke gasmantel bestaan. Onderzoekers van het Harvards-Smithsonian Center for Astrophysics hebben nu ontdekt dat de samenstelling van een ster mede bepalend is voor het soort planeten waardoor hij wordt vergezeld. De resultaten zijn vandaag gepresenteerd op de 224ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in Boston. Statistisch onderzoek aan de vele honderden exoplaneten die door de Amerikaanse ruimtetelescoop Kepler zijn ontdekt, heeft uitgewezen dat planeten die kleiner zijn dan 1,7 keer de middellijn van de aarde vrijwel altijd rotsachtig zijn. Hiertoe behoren ook de zogeheten superaardes. Planeten die groter zijn dan 3,9 keer de middellijn van de aarde zijn vrijwel altijd gasreuzen zoals Uranus, Neptunus, Saturnus en Jupiter. Planeten met afmetingen tussen 1,7 en 3,9 keer de middellijn van de aarde (die in ons eigen zonnestelsel niet voorkomen) zijn in de meeste gevallen gasdwergen. Er is nu ontdekt dat sterren met relatief weinig zware elementen, zoals onze eigen zon, vaker vergezeld worden door aardeachtige planeten. Bij sterren met een wat hoger gehalte aan zware elementen komen relatief meer gasdwergen voor. Sterren die uitsluitend door gasreuzen worden vergezeld, blijken het hoogste gehalte aan zware elementen te bevatten. Ook ontdekten de astronomen dat een rotsachtige planeetkern op grotere afstand van zijn moederster ook groter kan zijn voordat hij een dikke gasmantel aan zich bindt (het gas is afkomstig uit de materieschijf waaruit de planeten ontstaan). Zo kunnen er dus ook grote, zware aardeachtige planeten ontstaan, zoals de recent ontdekte 'mega-aarde' Kepler-10c. (GS)

Meer informatie

 

juni 2014

Planetenstelsels-in-wording ontdekt in ‘oude’ Hubble-gegevens

Bij nadere inspectie van de beeldarchieven van de Hubble-ruimtetelescoop is rond vier jonge sterren een schijf van stof en puin ontdekt. Het zwakke schijnsel van de puinschijven was in feite al in 2007 vastgelegd, maar bleef destijds onopgemerkt. Dankzij nieuwe beeldanalysetechnieken zijn ze alsnog opgespoord. De puinschijven bestaan uit materiaal dat is overgebleven na de vorming van de sterren die zij omringen. Vermoed wordt dat dit puin bestaat uit brokken gesteente met afmetingen tot enkele kilometers. Bij onderlinge botsingen tussen deze ‘planetesimalen’ komt stof vrij dat door de stralingsdruk van de ster naar de buitenste regionen van de schijf wordt geblazen. Het zwakke schijnsel dat met een (infrarood)camera van de ruimtetelescoop is vastgelegd bestaat uit sterlicht dat door de stofdeeltjes is verstrooid. Een van de sterren waarbij nu zo’n puinschijf is waargenomen, HD 141943, lijkt veel op onze zon in haar jonge jaren. Deze puinschijf is niet helemaal symmetrisch, wat erop kan wijzen dat zich hierin al planeten hebben gevormd – net als 4,6 miljard jaar geleden bij de zon.

Meer informatie

 

mei 2014

Sterbevingen bieden blik in zware, hete sterren

Sterrenkundigen van het Astrofysisch Instituut van Andalusië zijn er voor het eerst in geslaagd om de inwendige structuur van zware, hete sterren af te leiden uit sterbevingen aan het oppervlak. Eerder lukte dat alleen goed met sterren die hooguit even zwaar en heet zijn als onze eigen zon. Bevingen aan het gasvormige oppervlak van een ster worden beïnvloed door de inwendige structuur, temperatuur, scheikundige samenstelling, dichtheid etc. Uit precisiemetingen aan dat soort bevingen konden sterrenkundigen al informatie afleiden over de eigenschappen van relatief lichte en koele sterren. Nu is dat dankzij nieuwe computertechnieken ook gelukt voor sterren die 1,5 tot 2,5 maal zo zwaar zijn als de zon. De nieuwe resultaten zijn geboekt bij zogeheten Delta Scuti-sterren – veranderlijke sterren die bovendien snel om hun as draaien en daardoor enigszins zijn afgeplat. De nieuwe technieken maken het volgens de Spaanse astronomen ook mogelijk om via waarnemingen van sterbevingen informatie af te leiden over de eigenschappen en de inwendige structuur en samenstelling van andere zware, hete sterren.In de toekomst zal deze techniek (asteroseismologie geheten) vermoedelijk een belangrijke rol spelen bij het onderzoek aan de moedersterren van exoplaneten. De toekomstige Europese planetenjager PLATO zal zich bijvoorbeeld vooral op relatief heldere sterren richten. Om de oorsprong en evolutie van exoplaneten rond zware, hete sterren goed te begrijpen, moeten ook de eigenschappen van die sterren nauwkeurig bekend zijn. De Spaanse asteroseismologie-resultaten zijn gepubliceerd in Astronomy & Astrophysics. (GS)

Meer informatie

 

april 2014

NASA looft prijs uit voor verbetering software

Software-ontwikkelaars kunnen 35.000 dollar winnen in een nieuwe prijsvraag, uitgeloofd door de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. De software moet in staat zijn om zeer efficiënt en met weinig rekenkracht in bestaande foto's van de sterrenhemel op zoek te gaan naar kleine planetoïden die mogelijk een bedreiging voor de aarde kunnen vormen.Verschillende telescopen speuren elke heldere nacht de hemel af op zoek naar dit soort 'aardscheerders'. Door foto's van verschillende tijdstippen met elkaar te vergelijken, kunnen bewegende lichtstipjes worden opgespoord. Dat gebeurt volledig geautomatiseerd.Om de effectiviteit van de bestaande zoekprogramma's te vergroten nodigt NASA nu software-ontwikkelaars uit om met veel betere zoek-algoritmes te komen. De ruimtevaartorganisatie werkt in de Asteroid Grand Challenge Contest Series samen met het bedrijf Planetary Resources, dat in de toekomst mogelijk mijnbouw op een planetoïde wil gaan bedrijven. Zelf heeft NASA plannen om een kleine planetoïde te 'vangen' en in een baan rond de maan te brengen. (GS)

Meer informatie

 

maart 2014

Yutu geeft (g)een kik

Er lijkt toch nog leven te zitten in Yutu. Volgens eerdere berichten was het Chinese maanwagentje opgegeven nadat hij na zijn tweede lange, koude maannacht niet wilde ‘ontwaken’. Maar nu vertoont hij alsnog tekenen van leven. Of dat betekent dat hij zijn missie van drie maanden kan voortzetten, is nog onduidelijk. Yutu raakte drie weken geleden in de problemen, toen een van zijn zonnepanelen zich bij het aanbreken van de maannacht niet in de juiste stand liet zetten. Het paneel was ontworpen om het inwendige van het maanwagentje als een soort deksel af te sluiten, om de warmte die door een radioactieve bron werd opgewekt vast te houden. Dat is blijkbaar mislukt, waardoor Yutu’s kwetsbare elektronica is bevroren. Het maanwagentje, dat op 14 december vorig jaar op de maan landde, heeft tot nu toe ongeveer een maand metingen kunnen doen aan de samenstelling van het maanoppervlak.

Meer informatie

 

februari 2014

Ruimtetelescoop brengt kosmische ‘vogelspin’ in beeld

Met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop is een nieuwe, haarscherpe foto gemaakt van de Tarantulanevel, een groot stervormingsgebied in de Grote Magelhaense Wolk – een klein buurstelsel van de Melkweg. De foto is opgebouwd uit (infrarood)opnamen die gemaakt zijn voor het Hubble Tarantula Treasury Project. De Tarantulanevel is een grote wolk waterstofgas waarin nieuwe sterren worden geboren. In het hart ervan bevindt zich de heldere sterrenhoop R136, die tot begin jaren tachtig van de afgelopen eeuw voor een kolossale ster werd aangezien. Later bleek het om een compacte verzameling van duizenden sterren te gaan, waaronder een aantal zeer zware exemplaren. Uiteindelijk zal R136 zich waarschijnlijk ontwikkelen tot een bolvormige sterrenhoop: een samenballing van oude sterren die om het centrum van de Grote Magelhaense Wolk draait. Bij het Hubble Tarantula Treasury Project wordt de stellaire bevolking van de Tarantulanevel in kaart gebracht. Deze waarnemingen moeten meer inzicht geven in de structuur van dit bijzondere stervormingsgebied.

Meer informatie

 

januari 2014

Astronomen maken ‘plakboek’ van ontwikkeling Melkweg

In de loop van de jaren heeft de Hubble-ruimtetelescoop ontelbare sterrenstelsels gefotografeerd. Een internationaal team van astronomen, onder wie de Nederlander Pieter van Dokkum (Yale-universiteit) en de Leidse astronoom Shannon Patel, heeft daaruit een selectie van vierhonderd stelsels gemaakt die op voorgangers van onze Melkweg lijken. Doordat de stelsels zich op uiteenlopende afstanden bevinden, en we hen dus in verschillende ontwikkelingsstadia zien, resulteert dit in een soort plakboek van de ontwikkeling van de Melkweg. Uit dat plakboek blijkt onder meer dat tot wel negentig procent van alle sterren in onze Melkweg ergens tussen 11 en 7 miljard geleden is ontstaan. Ook laten de beelden zien dat de ontwikkeling van de ‘bulge’ – het bolvormige hart van de Melkweg – en de spiraalvormige schijf daaromheen gelijk op is gegaan. Anders dan bij de veel zwaardere elliptische stelsels ontstond de bulge dus niet als eerste. Waarschijnlijk was de Melkweg miljarden jaren geleden een zwak, blauw stelsel dat grote hoeveelheden gas bevatte – de grondstof voor nieuwe sterren. De blauwe kleur die de voorgangers van de Melkweg vertonen zijn een teken van snelle stervorming. Op het hoogtepunt, ongeveer negen miljard jaar geleden, produceerden stelsels als het onze ongeveer vijftien nieuwe sterren per jaar. Nu is dat nog maar ongeveer één ster per jaar. De Hubble-beelden versterken het vermoeden dat grote onderlinge fusies geen grote rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van grote spiraalstelsels. Uit computersimulaties blijkt dat de schijven van de stelsels bij zo’n fusie worden verwoest. Het Hubble-plakboek schetst een heel ander beeld: spiraalstelsels groeien door nieuwe sterren te produceren.

Meer informatie

 

december 2013

ALMA brengt ‘koudste plek in het heelal’ in beeld

Astronomen hebben met de ALMA-submillimetertelescoop in het noorden van Chili gekeken naar de Boemerangnevel, die tot de koudste objecten in het heelal behoort. De temperatuur van het gas in deze jonge planetaire nevel ligt maar één graad boven het absolute nulpunt oftewel twee graden onder de gemiddelde temperatuur van de ruimte. De Boemerangnevel dankt zijn naam aan de scheve vorm die hij bij de eerste telescoopwaarnemingen vertoonde. Uit detailrijke opnamen van de Hubble-ruimtetelescoop blijkt dat de nevel meer op een zandloper lijkt, een vorm die planetaire nevels wel vaker laten zien. De nieuwe ALMA-waarnemingen stellen dat beeld nog wat verder bij: de werkelijke onderliggende structuur is een brede cilinder van koud gas dat snel de ruimte in verdwijnt. Planetaire nevels bestaan uit het gas dat een zonachtige ster aan het eind van zijn leven heeft uitgestoten. Van zo’n ster blijft uiteindelijk slechts een compact, heet restant over – een zogeheten witte dwerg – die met zijn intense ultraviolette straling het gas tot gloeien brengt. Doordat het uitgestoten gas snel uitdijt, koelt het vanzelf snel af, waardoor de temperatuur ervan zelfs tot onder de temperatuur van de ruimte kan zakken. De Boemerangnevel, die zich op een afstand van ongeveer 5000 lichtjaar in het sterrenbeeld Centaurus bevindt, verkeert nog in een vroeg ontwikkelingsstadium: de centrale ster is nog niet heet genoeg om het gas te laten gloeien. In dit stadium is slechts het relatief zwakke schijnsel te zien van stofdeeltjes die het licht van de ster weerkaatsen. Uit de ALMA-waarnemingen blijkt dat de centrale ster van de Boemerangnevel is omgeven door een gordel van stofdeeltjes van ongeveer een millimeter groot. Dat verklaart meteen waarom de nevel in zichtbaar licht op een zandloper lijkt: de stofdeeltjes vormen een masker dat het licht van de ster tegenhoudt. Alleen in het centrum van de gordel kan wat sterlicht naar boven en naar beneden ontsnappen.

Meer informatie

 

november 2013

Aarde kan nog zeker 1,75 miljard jaar ‘leefbaar’ zijn

De leefbare omstandigheden op de aarde kunnen nog zeker 1,75 miljard jaar standhouden. Dat schrijven astrobiologen van de universiteit van East Anglia in het tijdschrift Astrobiology. De schatting is gebaseerd op onderzoek van de evolutie van zonachtige sterren. Elke ster is omringd door een zogeheten leefbare zone. Dat is een gordel rond de ster waarbinnen de temperaturen aan het oppervlak van een planeet zodanig zijn dat er vloeibaar water kan bestaan. Simpel gezegd: in die zone is een planeet te warm om permanent bevroren te zijn en te koud om in een dorre woestijn te veranderen. Doordat de hoeveelheid warmte die een ster produceert in de loop van zijn bestaan verandert, verandert ook de positie van de leefbare zone. Dat zal ook met de aarde gebeuren: ergens tussen 1,75 en 3,25 miljard jaar vanaf nu zal het hier te heet zijn om de planeet nog leefbaar te kunnen noemen. Bij deze schatting is overigens geen rekening gehouden met factoren zoals mogelijke klimaatveranderingen ten gevolge van menselijk handelen. Uit het Britse onderzoek blijkt ook dat planeten langer binnen de leefbare zone van een ster blijven, naarmate die ster minder massa heeft. De planeet Gliese 581d bijvoorbeeld, die rond een rode dwergster cirkelt, zou wel eens 50 miljard jaar leefbaar kunnen blijven.

Meer informatie

 

oktober 2013

Astronomen maken de scherpste hemelfoto's ooit

Amerikaanse en Italiaanse astronomen hebben een nieuw type camera ontwikkeld waarmee scherpere hemelopnamen kunnen worden gemaakt dan ooit tevoren. De nieuwste versie van deze camera is nu gekoppeld aan de 6,5-meter Magellan-telescoop in het noorden van Chili. Met de nieuwe camera, de MagAO, kan op visuele golflengten een scheidend vermogen (‘resolutie’) van 0,02 boogseconde worden bereikt. Tot nu toe haalden telescopen op aarde deze beeldscherpte alleen in het nabij-infrarood. Ter vergelijking: de resolutie van de (veel kleinere) Hubble-ruimtetelescoop is ongeveer 0,05 boogseconde. Maar daarbij moet worden opgemerkt dat Hubble-opnamen een groter stuk hemel tonen. Bij de eerste waarneming die met het nieuwe camerasysteem is gedaan, is de telescoop op het hart van de bekende Orionnevel gericht. Daar bevindt zich onder meer de ster Thèta 1 Ori C. Daarvan was al bekend dat het een dubbelster is, maar de beide sterren waren nog nooit los van elkaar gezien, omdat hun onderlinge afstand – vergelijkbaar met de gemiddelde afstand tussen de aarde en de planeet Uranus – te klein was. Met MagAO is dat nu voor het eerst wél gelukt.

Meer informatie

 

september 2013

Volle Maan verstoort de nachtrust

Ook zo slecht geslapen de afgelopen nachten? Dat zal vooral de warmte zijn geweest, maar ook de Volle Maan lijkt onze slaap nadelig te kunnen beïnvloeden. Dat blijkt uit onderzoek dat vandaag in het tijdschrift Current Biology is gepubliceerd. Bij het onderzoek werd de slaap van 33 vrijwilligers in een laboratorium nauwlettend gevolgd. Gemeten werden de hersenactiviteit, de oogbewegingen en de hormoonproductie.De verzamelde gegevens laten zien dat de aan diepe slaap gerelateerde hersenactiviteit rond Volle Maan met dertig procent afneemt. De proefpersonen deden er ook vijf minuten langer over om in slaap te vallen en sliepen twintig minuten korter. Bovendien voelden ze zich minder goed uitgerust en vertoonden ze een lagere melatoninespiegel – een hormoon dat de slaap reguleert.Volgens de onderzoekers heeft het er alle schijn van dat onze slaap door de maanfase wordt beïnvloed, zelfs als we ons niet bewust zijn van de actuele schijngestalte van de maan. Mogelijk is dit 'circalunaire ritme' een overblijfsel uit het grijze verleden, toen de maan een belangrijke rol speelde bij het synchroniseren van menselijk gedrag, zoals de voortplanting.

Meer informatie

 

juli/augustus 2013

Water maken bij 260 graden onder nul

Onderzoekers van het Laboratorium voor Astrofysica van de Sterrewacht Leiden zijn erin geslaagd om water te maken onder omstandigheden zoals die in de ruimte heersen. In speciale apparatuur werd vastgevroren zuurstof gebombardeerd met waterstofatomen. Daarbij werd niet alleen water gevormd, maar ook een aantal andere moleculen die inmiddels in de interstellaire ruimte zijn ontdekt door de Amerikaanse Spitzer Space Telescope. Volgens de onderzoekers, onder leiding van Harold Linnartz, is er nu een consistent beeld van de manier waarop water in de ruimte ontstaat, namelijk door zogenoemde waterstofadditiereacties van ijs op kleine stofdeeltjes. Dit proces treedt overal in ons Melkwegstelsel op, en ook daarbuiten, in andere sterrenstelsels. (GS)

Meer informatie

 

juni 2013

Aardkern is heter dan gedacht

Franse wetenschappers hebben vastgesteld dat de temperatuur in het middelpunt van de aarde ongeveer 6000 graden bedraagt – duizend graden méér dan tot nu toe werd gedacht. De meting is in overeenstemming met de theoretische voorspelling dat het temperatuurverschil tussen de vaste kern en de daarboven gelegen mantel minstens 1500 graden moet bedragen om te kunnen verklaren waarom onze planeet een magnetisch veld heeft (Science, 26 april). De aardkern bestaat grotendeels uit een bol van vloeibaar ijzer met temperaturen van meer dan 4000 graden en een druk van meer dan 1,3 miljoen atmosfeer. Onder die omstandigheden is ijzer zo vloeibaar als het water in de oceanen. Maar in het centrale deel van de kern, waar druk en temperatuur nóg hoger zijn, neemt ijzer een vaste vorm aan. Uit onderzoek van de seismische golven die na aardbevingen door onze planeet gaan, kan de dichtheid van de vaste en vloeibare kern worden afgeleid, en zelfs hoe groot de druk ter plaatse is. Maar deze golven verschaffen geen informatie over de temperatuur, terwijl deze laatste een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van het aardmagnetische veld. Om een beter beeld te krijgen van de temperatuur in het diepe inwendige van de onze planeet, hebben de wetenschappers een klein stukje ijzer aan extreme omstandigheden blootgesteld. Het werd, ingeklemd tussen twee diamantjes, blootgesteld aan drukken van miljoenen atmosferen en met laserbundels verhit tot temperaturen van meer dan 4000 graden. Vervolgens werd met behulp van een röntgentechniek gemeten bij welke combinaties van temperatuur en druk het ijzer vast, vloeibaar of gedeeltelijk gesmolten was. Uit het onderzoek blijkt dat bij 3,3 miljoen atmosfeer, de druk die gemeten is bij de overgang van de vloeibare naar de vaste aardkern, ijzer een temperatuur van ongeveer 6000 graden moet hebben. Een eerdere meting, in 1993, kwam duizend graden lager uit. Volgens de Franse wetenschappers komt dit doordat bij de optische techniek die destijds is gebruikt, gemakkelijk verkeerd wordt ingeschat wanneer ijzer precies begint te smelten.

Meer informatie

 

mei 2013

Stellaire 'dwangvoeding' resulteert in zware babysterren

Franse en Canadese astronomen hebben een verklaring gevonden voor het ontstaan van sterren die meer dan tien keer zo zwaar zijn als onze zon. Gebleken is dat babysterren een enorme massa kunnen bereiken als oudere soortgenoten in de omgeving een handje meehelpen. De geboorte van een ster begint met het ontstaan van een kleine verdichting in een grote wolk van gas en stof. Door de zwaartekracht stroomt er vanzelf meer gas naar zo'n verdichting, wat uitmondt in de vorming van een bal van heet gas: de ster. Eigenlijk zouden sterren op deze manier niet meer dan tien zonsmassa's aan materie kunnen verzamelen. Tijdens hun vorming oefenen ze namelijk een steeds sterker wordende tegendruk uit die de verdere toestroom van gas blokkeert. Toch bestaan er sterren die aanzienlijk zwaarder zijn dan tien zonsmassa's. Onderzoek aan de grote interstellaire gaswolk Westerhout 3 (W3) biedt een mogelijke verklaring. De astronomen merkten op dat de dichtste delen van W3, waar de zwaarste sterren zullen ontstaan, zijn omringd door een collectie oude, zware sterren. Dat wijst erop dat voorgaande generaties van zware sterren de groei van hun opvolgers stimuleren. Net als jonge zware sterren duwen oude zware sterren gas uit hun omgeving weg. Als deze oude sterren gunstig gepositioneerd zijn ten opzichte van een grote gasvoorraad, kunnen zij gezamenlijk zoveel gas in de richting van de sterren-in-wording blazen, dat deze ondanks hun tegenwerking in omvang blijven toenemen. Stellaire dwangvoeding dus.

Meer informatie

 

april 2013

Supercomputer helpt kosmische 'weight watchers'

Leidse sterrenkundigen hebben met hun supercomputer ‘Little Green Machine’ simulaties uitgevoerd die verklaren hoe sterrenstelsels groter kunnen worden zonder dat hun massa sterk toeneemt. Hiermee is het raadsel opgelost van waarnemingen die met de Hubble-ruimtetelescoop zijn gedaan. De Hubble-waarnemingen, die enkele miljarden jaren terugkijken in de tijd, laten sterrenstelsels zien die zwaarder zijn dan de Melkweg, maar ook vele malen kleiner. Deze compacte stelsels zijn echter niet meer te zien in waarnemingen waarbij minder dan een miljard lichtjaar diep de ruimte in wordt gekeken. Tot nu toe was het een raadsel hoe deze stelsels de afgelopen miljarden jaren in omvang konden toenemen, zonder heel veel zwaarder te worden. Onder leiding van Simon Portegies Zwart lieten de astronomen hun supercomputer een jaar lang rekenen aan botsingen tussen gesimuleerde sterrenstelsels. De geringe massatoename bij een enorme groei in afmeting blijkt vooral voor te komen bij botsingen tussen grotere en kleinere sterrenstelsels. Na een botsing tussen meer gelijkwaardige stelsels, zoals in de toekomst bij de Melkweg en het Andromedastelsel het geval zal zijn, zal vooral de massa van het samengesmolten stelsel toenemen, zonder dat het erg veel groter wordt. De astronomen hebben ‘Little Green Machine’ zelf gebouwd. Door gebruik te maken van grafische kaarten, zoals die in spelcomputers worden gebruikt, is deze computer vele malen kleiner, goedkoper en zuiniger dan andere supercomputers met een vergelijkbare capaciteit. Na ongeveer een jaar programmeren en testen kon de machine optimaal voor de complexe berekeningen worden ingezet. Intussen is de leverancier van de grafische kaarten (NVIDIA) geïnteresseerd geraakt in de buitengewone efficiëntie van de software, en heeft het bedrijf de code gebruikt om hun nieuwe hardware te presenteren.

Meer informatie

 

maart 2013

Mestkevers volgen de Melkweg

Niet alleen mensen houden zich met sterrenkunde bezig: ook Afrikaanse mestkevers bestuderen de hemel. Dat schrijven wetenschappers in het tijdschrift Current Biology. Tijdens donkere nachten laten de insecten zich leiden door de zachte gloed van de Melkweg.Het is voor het eerst dat er duidelijke aanwijzingen zijn gevonden dat insecten op de sterren navigeren. Eerder was dat ook al bij 'hogere' soorten zoals vogels vastgesteld. Maar voor zover bekend zijn er geen andere dieren die op de Melkweg navigeren.Dat mestkevers over een astronomisch navigatiemiddel beschikken, volgt uit het feit dat ze alleen tijdens heldere nachten het rechte pad weten te houden: tijdens volledig bewolkte nachten lukt ze dat niet. Uit experimenten in een projectieplanetarium is nu gebleken dat het de kevers niet uitmaakt of ze de volledige sterrenhemel zien of alleen de zwakke gloed van de Melkweg.Volgens de onderzoekers ligt dat ook wel een beetje voor de hand, omdat het gezichtsvermogen van mestkevers te slecht is om veel afzonderlijke sterren te kunnen zien. Met de toch al vage Melkweg hebben ze blijkbaar minder moeite. Overigens navigeren de mestkevers ook op de zon, de maan en (bij bewolkte hemel) de polarisatierichting van zon- en maanlicht.

Meer informatie

 

februari 2013

Nieuwe 'babyfoto' van het heelal gepresenteerd

Alle meetresultaten die de satelliet WMAP tussen 2001 en 2010 heeft verzameld zijn nu verwerkt. Ter gelegenheid daarvan hebben wetenschappers een nieuwe detailrijke 'babyfoto' van het heelal gepresenteerd. WMAP was een satelliet die de kosmische achtergrondstraling in kaart bracht, het 'afgekoelde' restant van de extreem energierijke straling die het heelal kort na zijn ontstaan vulde. Door de uitdijing van het heelal is de golflengte van deze straling ongeveer duizend keer zo groot geworden en verandert in microgolfstraling. Door heel nauwkeurig de verdeling van dit 'oerlicht' te meten, kunnen de kleine temperatuursverschillen in kaart worden gebracht zoals die ongeveer 375.000 jaar na het ontstaan van het heelal bestonden. Deze minimale fluctuaties worden in verband gebracht met de 'klonterigheid' van de kosmische materie, die uiteindelijk heeft geleid tot de vorming van clusters en superclusters van sterrenstelsels. WMAP heeft die klonterigheid nauwkeuriger onderzocht dan ooit tevoren. De meetresultaten laten onder meer zien dat het heelal 13,77 miljard geleden is ontstaan uit een zeer compacte, hete toestand (doorgaans 'oerknal' genoemd), en vervolgens is uitgedijd en afgekoeld. Ook kan uit de WMAP-resultaten worden afgeleid dat de eerste sterren begonnen te stralen toen het heelal ongeveer 400 miljoen jaar oud was. De James Webb Space Telescope, die zoals het er nu naar uitziet in 2018 wordt gelanceerd, is speciaal ontworpen om deze voorspelling te toetsen.

Meer informatie

 

januari 2013

Quasar stoot recordhoeveelheid materie uit

Astronomen hebben met behulp van de Europese Very Large Telescope in het noorden van Chili een quasar ontdekt die materie uitstoot met een kracht die zeker vijf keer groter is dan wat ooit is waargenomen. Een quasar is de extreem heldere kern van een sterrenstelsel dat zijn energie ontleent aan een superzwaar zwart gat. Hoewel zwarte gaten vooral bekendstaan als materie-verslinders, blazen de meeste quasars een deel van de aangetrokken materie met hoge snelheid hun omgeving in. Tot nu toe was echter bij geen enkele quasar een materiestroom waargenomen die zo sterk was als door theoretici was voorspeld. Waarnemingen van quasar SDSS J1106+1939 hebben daar verandering in gebracht. Deze produceert een materiestroom waarbij energie wordt afgevoerd in een tempo dat de energieproductie van onze zon met een factor twee miljoen miljoen overtreft. Dat komt ongeveer overeen met honderd keer de totale energieproductie van het complete Melkwegstelsel. De materiestroom strekt zich uit tot op ongeveer duizend lichtjaar van het superzware zwarte gat in het hart van SDSS J1106+1939. Jaarlijks stroomt er ongeveer vierhonderd zonsmassa’s aan materie van de quasar weg, met een snelheid van 8000 kilometer per seconde.

Meer informatie

archief 2012