30 maart 2017 • Zon is verantwoordelijk voor afbraak Marsatmosfeer
Onderzoek met de Amerikaanse Marssonde MAVEN (Mars Atmosphere and Volatile Evolution Mission) heeft bevestigd dat de deeltjeswind en de straling van de zon verantwoordelijk zijn geweest voor de ‘afbraak’ van de Marsatmosfeer. Dat wordt afgeleid uit metingen van de verhouding tussen de argon-isotopen 38 en 36 in de hoge atmosfeer van de planeet (Science, 1 april). Uit de argonmetingen blijkt dat er meer van het lichtere isotoop argon-36 in de hoge Marsatmosfeer zit dan van zijn zwaardere tegenhanger argon-38. De huidige verhouding wijst erop dat ongeveer twee derde van alle argon die ooit in de Marsatmosfeer heeft gezeten is ontsnapt. Omdat argon een edelgas is, dat zich verder nergens aan kan binden, is daar maar één verklaring voor mogelijk: het gas is de ruimte in verdwenen. Wetenschappers hebben deze meting van het argonverlies gebruikt om uit te rekenen in welke mate andere atmosferische gassen door ditzelfde mechanisme verloren zijn gegaan. Ze komen daarbij tot de conclusie dat de Marsatmosfeer waarschijnlijk ooit dezelfde dichtheid had als de aardatmosfeer, maar voornamelijk uit koolstofdioxide heeft bestaan. Met name het verlies van dit broeikasgas zou de oorzaak zijn geweest van de sterke afkoeling en verdroging die de planeet sinds zijn ontstaan, ruim 4 miljard jaar geleden, heeft doorgemaakt. Het verlies aan atmosferisch gas wordt toegeschreven aan een tweeledig proces. Atomen in de hoge atmosfeer kunnen, onder invloed van de ultraviolette straling van de zon, elektronen kwijtraken. De geladen atomen (ionen) komen dan in de greep van het elektromagnetische veld van de zonnewind en worden met hoge snelheid meegesleept. Daarnaast vinden er ook directe botsingen plaats tussen luchtdeeltjes en deeltjes van de zonnewind, waarbij atomen als biljartballen de ruimte in worden gekaatst. (EE)
Meer informatie:
New Maven Findings Reveal How Mars’ Atmosphere Was Lost to Space

   
30 maart 2017 • Event Horizon Telescope opent jacht op zwart gat in centrum Melkweg
De eerste grote waarneemcampagne van de Event Horizon Telescope (EHT) gaat na jaren van intensieve voorbereiding nu echt van start. Van 5 tot 14 april zal de virtuele telescoop, die bestaat uit gekoppelde radiotelescopen verspreid over de hele wereld, zijn eerste serie waarnemingen doen van het superzware zwarte gat in het centrum van onze Melkweg, Sagittarius A*. De betrokken astronomen, onder wie de Nijmeegse hoogleraar Heino Falcke die dit experiment bijna 20 jaar geleden bedacht, willen de eerste foto ooit maken van de waarnemingshorizon van een zwart gat. De waarnemingshorizon van een zwart gat is de grens waarachter geen informatie meer kan ontsnappen, zelfs geen licht, en waar de tijd lijkt stil te staan. Het bestaan van zo’n grens wordt voorspeld door de algemene relativiteitstheorie van Einstein, maar hij is nog nooit waargenomen. Vlak boven de waarnemingshorizon kan nog net wat licht ontsnappen, en dat licht moeten de uiterst gevoelige radioantennes in het gekoppelde telescopennetwerk gaan opvangen. De EHT is een wereldomspannend netwerk van acht bestaande telescopen op zeven locaties, waardoor een virtuele telescoop ontstaat met de grootte van bijna de aarde. Nog nooit eerder hebben zoveel telescopen samengewerkt om een zwart gat in kaart te brengen. De techniek om tot de vereiste resolutie/scherpte te komen heet VLBI (Very Long Baseline Interferometry). De resultaten van de eerste waarneemrun worden waarschijnlijk pas volgend jaar bekend. De wetenschappers moeten onder meer wachten op de lente op het zuidelijk halfrond; pas in oktober of november kan de harde schijf met gegevens van de South Pole Telescope worden opgehaald. Falcke verwacht niet dat de campagne meteen al een perfecte foto oplevert: ‘Dit is het begin van een avontuurlijke reis naar het zwarte gat. Als alles goed gaat en ook de weersomstandigheden overal meezitten is er misschien een kans dat we nu al een eerste glimp opvangen van de waarnemingshorizon. Maar eerlijk gezegd denk ik dat meerdere waarneemruns en uiteindelijk nog meer telescopen nodig zijn om een mooie foto te maken.’ 
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
30 maart 2017 • Andere verklaring mogelijk voor ‘versnellende uitdijing’ van het heelal
De geheimzinnige donkere energie, waaruit het heelal voor 68% uit zou bestaan, bestaat wellicht helemaal niet. Volgens een team van Hongaarse en Amerikaanse wetenschappers is het een schijneffect dat het gevolg is van het feit dat de bestaande kosmologische modellen geen rekening houden met de veranderende structuur van het heelal (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 30 maart). Volgens de meest gangbare inzichten is ons heelal 13,8 miljard jaar geleden met de oerknal ontstaan en dijt het sindsdien uit. Een belangrijke aanwijzing voor deze uitdijing is de wet van Hubble, gebaseerd op metingen van de snelheden waarmee sterrenstelsels zich van ons verwijderen, die zegt dat de snelheid waarmee een sterrenstelsel zich van ons verwijdert gemiddeld evenredig is met zijn afstand. Eind vorige eeuw werden bij waarnemingen van supernova-explosies in verre sterrenstelsels echter duidelijke afwijkingen van die gelijkmatige uitdijing geconstateerd. Daaruit werd afgeleid dat de uitdijing van het heelal aan het versnellen is – een verschijnsel dat werd toegeschreven aan een nog onbekende energiecomponent van het heelal: de donkere energie. Bij hun nieuwe onderzoek trekken de wetenschappers het bestaan van die donkere energie echter in twijfel. Volgens hen zijn de modellen die doorgaans bij het onderzoek van de evolutie van het heelal worden gebruikt, gebaseerd op benaderingen die geen rekening houden met de ongelijkmatige verdeling van de kosmische materie. De materieverdeling in het heelal vertoont een zeepsopstructuur, waarbij sterrenstelsels langs de dunne wanden van de zeepbellen zijn gegroepeerd en het inwendige van deze bellen zo goed als leeg is. De onderzoekers hebben een computermodel ontwikkeld dat rekening houdt met de gravitationele gevolgen van deze verdeling. Anders dan conventionele simulaties, waarin het heelal gelijkmatig expandeert, voorspelt het nieuwe model dat de verschillende gebieden in het heelal met verschillende snelheden uitdijen. De gemiddelde uitdijingssnelheid is echter in overeenstemming met de huidige waarnemingen, die de suggestie wekken van een allesomvattende versnelling. (EE)
Meer informatie:
Explaining the accelerating expansion of the universe without dark energy

   
29 maart 2017 • Planetoïde in Jupiterbaan speelt voor spookrijder
Al minstens een miljoen jaar volgt een planetoïde ruwweg dezelfde baan om de zon als de planeet Jupiter, maar dan in tegengestelde richting. Het kleine hemellichaam heeft aanvaringen met de planeet en zijn gevolg van honderden andere planetoïden al die tijd weten te ontlopen (Nature, 30 maart). De planetoïde, die de aanduiding 2015 BZ509 heeft gekregen, is de enige in ons zonnestelsel – voor zover bekend dan – die in ‘retrograde’ richting om de zon draait en daarbij in de buurt van de omloopbaan van een planeet blijft. ‘BZ’ speelt dus voor spookrijder en dat houdt hij al duizenden omlopen lang vol. Waarom dit nog niet tot een botsing met Jupiter heeft geleid, is te danken aan diens zwaartekracht. Elke keer dat hij Jupiter nadert (d.w.z. tweemaal per omloop), wordt ‘BZ’ zodanig van koers gebracht dat hij de planeet afwisselend binnendoor of buitenom passeert. Netto blijft zijn omloopbaan daarbij ongewijzigd, en berekeningen laten zien dat deze situatie al minstens een miljoen jaar standhoudt. Over de in januari 2015 ontdekte planetoïde is verder weinig bekend. Hij is ongeveer drie kilometer groot en is mogelijk afkomstig uit hetzelfde buitengebied van ons zonnestelsel waar de komeet Halley vandaan komt. Het zou dus ook om een (ijsachtige) komeet kunnen gaan in plaats van een (rotsachtige) planetoïde. (EE)
Meer informatie:
A Trojan in retreat

   
28 maart 2017 • BIjzondere maancaldera Ina is misschien toch niet zo jong
Een bijzondere vulkaancaldera op de maan, voor het eerst gefotografeerd door de bemanning van de Apollo 15, is vermoedelijk toch veel minder jong dan werd gedacht. De caldera, in de vorm van de hoofdletter D, heeft een merkwaardig uiterlijk, met onder andere vele kleine bergen tot zo'n 30 meter hoog. Op basis van zorgvuldige kratertellingen en onderzoek aan de bodemhelderheid van Ina concludeerden geologen enkele jaren geleden dat de formatie mogelijk minder dan 100 miljoen jaar oud is, wat zou wijzen op geologisch recente vulkanische activiteit op de maan. Onderzoekers van Brown University trekken in het vakblad Geology nu echter een andere conclusie. Volgens hen is Ina qua geologische structuur engiszins vergelijkbaar met de Kilauea Iki-krater op de flank van de schildvulkaan Mauna Loa op Hawaii. Zulke kraters produceren 'magmatisch schuim' - zeer gasrijk lava - dat na stolling verandert in extreem poreus oppervlaktemateriaal. Donker stof dat zich in de loop van honderden miljoenen jaren verzamelt aan het maanoppervlak zakt gemakkelijker weg, waardoor Ina een relatief helder uiterlijk kon blijven vertonen. Latere meteorietinslagen veroorzaken in een poreus oppervlak ook veel kleinere inslagkratertjes, wat de kratertellingen verstoord kan hebben. Uiteindelijk lijkt alles er toch op te wijzen dat Ina zo'n 3,5 miljard jaar geleden is ontstaan, tijdens de piek in de vulkanische activiteit op de maan. (GS)
Meer informatie:
How a young-looking lunar volcano hides its true age (origineel persbericht)

   
28 maart 2017 • Rossbygolven ontdekt op de zon
Op de zon zijn gemagnetiseerde Rossbygolven ontdekt, zoals ze ook op grote hoogte in de aardse dampkring voorkomen. Op aarde spelen Rossbygolven - trage golfbewegingen met een zeer lange golflengte die o.a. de ligging van de straalstroom bepalen - een rol bij het ontstaan en de verplaatsing van hoge- en lagedrukgebieden op grotere diepte in de dampkring. Dat soortgelijke golven nu ook op de zon zijn ontdekt, zou kunnen betekenen dat astronomen in de toekomst beter in staat zijn om het 'weer' op de zon te voorspellen, inclusief het optreden van uitbarstingen en zonnevlekken. De Rossbygolven op de zon zijn ontdekt in metingen die tussen 2011 en 2014 zijn gedaan door drie Amerikaanse zonnesatellieten: het Solar Dynamics Observatory en de twee STEREO-ruimtesondes. In die periode van drie jaar leverden zij tezamen een 360-gradenbeeld op van de zon. Door de ligging en verplaatsing in kaart te brengen van coronal bright points - kleine, heldere gebiedjes in de onderste lagen van de zonneatmosfeer - kwamen de onderzoekers de langgolvige Rossbypatronen op het spoor. De ontdekking is gepubliceerd in Nature Astronomy. (GS)
Meer informatie:
Rossby Waves, First Found on Earth, Are Discovered on Sun (origineel persbericht)

   
27 maart 2017 • Australische MWA-radiotelescoop legt halo van Sculptor-stelsel vast
Met de Murchison Widefield Array in West-Australië is de laagfrequente radiostraling in kaart gebracht die afkomstig is uit de halo van het Sculptor-sterrenstelsel (NGC 253). De nieuwe waarnemingen zijn verkregen in het kader van de GLEAM-survey (GaLactic and Extragalactic All-sky MWA) en gepubliceerd in The Astrophysical Journal. NGC 253 is een zogeheten starburst-stelsel, op een relatief kleine afstand van 11,5 miljoen lichtjaar. De hoge stervormingsactiviteit in het stelsel produceert ook gasfonteinen en krachtige sterrenwinden, waardoor NGC 253 wordt omgeven door een ijle halo van heet gas. Die halo is nu voor het eerst waargenomen op laagfrequente radiogolflengten. De straling is o.a. afkomstig van elektronen die langs magnetische veldlijnen bewegen. De metingen zijn verricht met de Murchison Widefield Array (MWA), een groot netwerk van vele honderden eenvoudige dipoolantennes, vergelijkbaar met de LOFAR-telescoop in Drenthe. De MWA is een van de voorlopers van de toekomstige Square Kilometre Array (SKA), het grootste radio-observatorium ter wereld. (GS)
Meer informatie:
Astronomers Probe Swirling Particles in Halo of Starburst Galaxy (origineel persbericht)

   
27 maart 2017 • Nieuwe catalogus bevat posities en bewegingen van ruim 100 miljoen sterren
Het United States Naval Observatory (USNO) heeft een nieuwe catalogus gepubliceerd die nauwkeurige informatie bevat over de posities en bewegingen van ruim 107 miljoen sterren in het Melkwegstelsel. De 5th USNO CCD Astrograph Catalog (UCAC5) is samengesteld op basis van meetgegevens van de Europese astrometrische satelliet Gaia en diens voorganger Hipparcos. Omdat er nu positiemetingen beschikbaar zijn over een periode van een kwart eeuw, konden de zogeheten eigenbewegingen van sterren heel nauwkeurig worden bepaald. De eigenbeweging is de verplaatsing van een ster aan de hemel, als gevolg van de relatieve beweging van de ster en de zon door het Melkwegstelsel. De meeste sterren op relatief kleine afstanden doen er tienduizenden jaren over om zich aan de hemel te verplaatsen over een afstand van een halve graad (de schijnbare middellijn van de Volle Maan). De resterende onnauwkeurigheid in de eigenbewegingen in de nieuwe catalogus bedraagt 1,5 milliboogseconden per jaar, overeenkomend met een verplaatsing van één centimeter per jaar, waargenomen vanaf 1200 kilometer afstand. De UCAC5-catalogus bevat 5,5 gigabyte aan data en is binnenkort beschikbaar via het Astronomical Data Center in Straatsburg. Een begeleidend artikel over de totstandkoming van de catalogus verschijnt binnenkort in The Astronomical Journal. (GS)
Meer informatie:
New, Highly Accurate Positions and Motions Available For Millions of Stars (origineel persbericht)

   
27 maart 2017 • Versmeltend dwergstelsel herbergt zwaar zwart gat
Met de Amerikaanse röntgentelescoop NuSTAR is een bijzondere versmelting van twee sterrenstelsels bestudeerd op zeer grote afstand van de aarde. Het gaat om het grote schijfvormige sterrenstelsel Was 29a, dat aan het versmelten is met het kleinere dwergstelsel Was 29b. Het dwergstelsel draiit momenteel rond de kern van het grote stelsel, op een afstand van ca. 26.000 lichtjaar (dezelfde afstand waarop de zon rond de kern van ons eigen Melkwegstelsel beweegt). NuSTAR heeft nu een krachtige bron van röntgenstraling ontdekt die samenvalt met de kern van het dwergstelsel. Uit de waarnemingen leiden astronomen af dat het dwergstelsel een superzwaar zwart gat herbergt dat honderden malen zo zwaar is als wat je zou verwachten voor zo'n klein sterrenstelsel. De energierijke röntgenstraling heeft het gas in de omgeving geïoniseerd, wat zichtbaar is als het roze gebied op de optische foto, die gemaakt is met de Discovery Telescope in Arizona. Het is ongebruikelijk dat het zwarte gat in een klein dwergstelsel vermoedelijk zwaarder en in ieder geval veel actiever is dan het superzware zwarte gat dat zich zo goed als zeker in de kern van het grotere schijfvormige stelsel bevindt. Over een paar honderd miljoen jaar zullen de twee zwarte gaten naar verwachting versmelten tot één reusachtig zwart gat. (GS)
Meer informatie:
NuSTAR Probes Puzzling Galaxy Merger (origineel [persbericht)

   
27 maart 2017 • Nederlandse ‘camera’s’ op NASA onderzoeksmissie
NASA heeft een missie geselecteerd die straling van interstellaire materie gaat meten met Nederlandse ver-infrarood camera’s. De ballontelescoopmissie GUSTO geeft een eerste volledige studie van alle fases van de levenscyclus van sterren: van moleculaire wolken, via de geboorte en evolutie van sterren tot de gaswolken van stervende sterren, terug naar het begin van de cyclus. SRON en de TU Delft ontwikkelen de belangrijkste detectortechnologie. GUSTO staat voor Galactic/Extragalactic ULDB Spectroscopic Terahertz Observatory. De missie bestaat uit een telescoop van een meter diameter met drie observatie-instrumenten, die wordt gedragen door een ballon: een Ultra-long Duration Balloon (ULDB). GUSTO gaat 40 kilometer boven Antarctica vliegen, op de grens met de ruimte. Afgelopen december werd GUSTO’s voorganger STO2 gelanceerd als verkenner, waarmee de werking van de technologie van SRON en TU Delft voor GUSTO werd gedemonstreerd. SRON en de TU Delft dragen bij met hete-elektron-bolometercamera’s voor drie verschillende ‘kleuren’ ver-infrarood, een lokale oscillator en een vernieuwende fasetralie, die de detectoren helpt om de precieze ‘kleur’ te bepalen (de precieze ver-infrarood-golflengte, uitgedrukt in terahertz-frequentie). GUSTO meet emissielijnen van koolstof, zuurstof en stikstof. De unieke en vernieuwende combinatie van data helpt complexe vragen over het interstellaire medium te beantwoorden en grote delen van de Melkweg en de Grote Magelhaense Wolk in kaart te brengen.De lancering van GUSTO staat voorlopig gepland voor 2021 vanaf de Amerikaanse McMurdo-basis op Antarctica. De vlucht zal naar verwachting 100 tot 170 dagen duren, afhankelijk van de weersomstandigheden. De missie kost ongeveer 40 miljoen dollar, inclusief de ballonlancering en operationele kosten en data-analyse.
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
27 maart 2017 • Winden van superzware zwarte gaten baren sterren
Bij waarnemingen met ESO’s Very Large Telescope is ontdekt dat in de krachtige materiestromen die door superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels worden uitgestoten sterren kunnen ontstaan. Het is voor de eerst dat waarnemingen hebben bevestigd dat in zo’n extreme omgeving stervorming kan optreden. De ontdekking heeft allerlei gevolgen voor ons begrip van de eigenschappen en de evolutie van sterrenstelsels. De resultaten worden in het tijdschrift Nature gepubliceerd. Een team van Europese astronomen, onder Britse leiding, heeft de instrumenten MUSE en X-shooter van de Very Large Telescope (VLT) van de ESO-sterrenwacht op Paranal, in het noorden van Chili, gebruikt om een botsing te onderzoeken die aan de gang is tussen twee sterrenstelsels. De intergalactische botsing, die IRAS F23128-5919 wordt genoemd, speelt zich af op ongeveer 600 miljoen lichtjaar van de aarde. De astronomen hebben de kolossale winden of uitstromen van materie waargenomen die ontstaan in de omgeving van het superzware zwarte gat in het hart van het meest zuidelijke stelsel van de twee. Daarbij hebben zij duidelijke bewijzen gevonden dat daarin sterren worden geboren. Zulke galactische uitstromen worden aangedreven door de enorme hoeveelheid energie die door de turbulente actieve kernen van sterrenstelsels worden geproduceerd. In de kernen van de meeste sterrenstelsels houden zich superzware zwarte gaten schuil, en bij het opslokken van materie verhitten zij het omringende gas zodanig, dat het in de vorm van krachtige, dichte winden het moederstelsel uit wordt geblazen. ‘Astronomen vermoedden al een tijdje dat de omstandigheden in deze uitstromen geschikt konden zijn voor stervorming, maar nog niemand had het zien gebeuren, omdat het zeer moeilijk waarneembaar is,’ aldus teamleider Roberto Maiolino van de Universiteit van Cambridge. ‘Onze resultaten zijn opwindend, omdat ze ondubbelzinnig aantonen dat er sterren in deze uitstromen ontstaan.’ Het team stelde zich tot doel om eventuele sterren in de uitstroom, en het gas dat hen omhult, rechtstreeks waar te nemen. Met behulp van twee van de spectroscopische instrumenten van wereldklasse van de VLT – MUSE en X-shooter – konden zij de eigenschappen van het uitgezonden licht heel gedetailleerd onderzoeken en zo de bron ervan bepalen. Van de straling van jonge sterren is bekend dat zij nabije gaswolken op een karakteristieke manier aan het gloeien brengt. De extreme gevoeligheid van X-shooter stelde het team in staat om andere mogelijke oorzaken van deze gloed, zoals schokgolven in het gas of de actieve kern van het sterrenstelsel zelf, uit te sluiten.Vervolgens wist het team een onmiskenbare rechtstreekse detectie te doen van een populatie van jonge sterren in de uitstroom. Vermoed wordt dat deze sterren hooguit enkele tientallen miljoenen jaren oud zijn, en een voorlopige analyse wijst erop dat ze heter en helderder zijn dan sterren die in een minder extreme omgeving, zoals de schijf van een sterrenstelsel, ontstaan. Als verder bewijs hebben de astronomen ook de beweging en snelheid van deze sterren gemeten. Het licht van de meeste sterren in het gebied wijst erop dat zij zich met zeer grote snelheden van het centrum van het sterrenstelsel verwijderen – precies wat je verwacht bij objecten die deel uitmaken van een stroom van snel bewegende materie. Mede-auteur Helen Russell (Institute of Astronomy, Cambridge, VK) licht toe: ‘De sterren die in de wind nabij het centrum van het stelsel ontstaan, zouden kunnen afremmen en zelfs rechtsomkeert kunnen maken, maar de sterren die zich verderop in de uitstroom vormen worden minder hard afgeremd en zouden uit het stelsel kunnen ontsnappen.’ De ontdekking verschaft nieuwe, spannende informatie die aantal astrofysische vraagstukken kan helpen oplossen, zoals de vraag hoe bepaalde sterrenstelsels hun vorm weten te houden; hoe de intergalactische ruimte verrijkt kan zijn met zware elementen; en zelfs waar de raadselachtige kosmische infrarood-achtergrondstraling vandaan zou kunnen komen.
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
24 maart 2017 • Recordzware bruine dwergster heeft maagdelijke samenstelling
Astronomen hebben een bruine dwerg – een ster die te klein is om energie op te wekken door middel van kernfusie – opgespoord die zwaarder en ‘zuiverder’ van samenstelling is dan alle reeds bekende bruine dwergen. Het object, dat SDSS J0104+1535 heet, maakt deel uit van de zogeheten halo – het buitengebied – van onze Melkweg, waar de oudste sterren te vinden zijn. SDSS J0104+1535 staat op een afstand van 750 lichtjaar in het sterrenbeeld Vissen. De bruine dwerg bestaat voor meer dan 99,99 procent uit waterstof en helium en is daarmee ongeveer 250 keer zuiverder van samenstelling dan onze zon. Zijn ‘oersamenstelling’ wijst erop dat hij heel oud is – ongeveer tien miljard jaar. Verder blijkt uit metingen met de Europese Very Large Telescope dat hij ongeveer negentig keer zoveel massa heeft als de planeet Jupiter. De ontdekking toont aan dat er ook al bruine dwergen ontstonden toen het heelal nog niet zo sterk was verrijkt met elementen zwaarder dan helium. Volgens de astronomen die SDSS J0104+1535 hebben onderzocht is dat verrassend. (EE)
Meer informatie:
Astronomers identify purest, most massive brown dwarf

   
23 maart 2017 • Verre melkwegstelsels zijn gehuld in ‘superhalo’s’
Met behulp van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) hebben astronomen een tweetal Melkweg-achtige sterrenstelsels waargenomen waarvan het licht er ruim 12 miljard jaar over heeft gedaan om ons te bereiken. De vroege voorlopers van de huidige spiraalstelsels, waartoe ook onze Melkweg behoort, lijken omgeven te zijn door reusachtige halo’s van waterstofgas die zich tot op vele tienduizenden lichtjaren van het eigenlijke stelsel uitstrekken (Science, 24 maart). Astronomen hebben de twee uiterst zwakke stelsels oorspronkelijk ontdekt door het licht te analyseren van twee quasars – de heldere kernen van actieve sterrenstelsels die nog eens honderden miljoenen lichtjaren verder weg staan. Wanneer dit licht onderweg naar de aarde door een tussenliggend sterrenstelsel heen gaat, laat het in dit stelsel aanwezige gas een spectrale ‘vingerafdruk’ achter. Op die manier kan indirect allerlei informatie worden verkregen over de tussenliggende stelsels, maar rechtstreeks waarneembaar waren ze tot nu toe niet. Hun zwakke gloed ‘verdronk’ in het veel helderdere schijnsel van de achtergrondquasars. Met ALMA is het astronomen nu voor het eerst gelukt om ver-infraroodstraling van de beide stelsels op te vangen. Deze gloed wordt toegeschreven aan actieve, gasrijke stervormingsgebieden. Het merkwaardige is dat de betreffende stervormingsgebieden vanaf de aarde gezien een flink stuk naast de quasars liggen. Bij het ene stelsel bedraagt de onderlinge afstand 137.000 lichtjaar, bij het andere 59.000 lichtjaar. De meest voor de hand liggende verklaring is dat de eerder waargenomen vingerafdrukken in het licht van de verre quasars worden veroorzaakt door een omvangrijke halo van waterstofgas. Het is echter ook denkbaar dat het gaat om gas dat vanuit de omgeving naar de beide sterrenstelsels toe stroomt. De nieuwe ALMA-gegevens laten zien dat de twee jonge sterrenstelsels al roteren, net als de grote spiraalstelsels die we in het huidige heelal waarnemen. Ook blijkt uit de gegevens dat de stelsels productieve ‘sterfabrieken’ zijn: het ene levert ongeveer 100 zonsmassa’s aan sterren per jaar af, het andere ongeveer 25 zonsmassa’s per jaar. (EE)
Meer informatie:
Milky Way-like Galaxies in Early Universe Embedded in 'Super Halos'

   
23 maart 2017 • Superzwaar zwart gat ontsnapt uit zijn sterrenstelsel
Een internationaal team van astronomen heeft, met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop, een superzwaar zwart gat ontdekt dat uit het centrum van het verre sterrenstelsel 3C186 is weggeschoten. Het vermoeden bestaat dat dit is gebeurd onder invloed van zwaartekrachtgolven. Het is voor het eerst dat een superzwaar zwart gat op zo’n grote afstand van het centrum van zijn moederstelsel is aangetroffen. De astronomen schatten dat het zwarte gat een miljard keer zoveel massa heeft als onze zon. Om zo’n kolos uit een sterrenstelsel te ‘schoppen’ is een hoeveelheid energie nodig die overeenkomt met 100 miljoen supernova’s die tegelijk afgaan. De opnamen die Hubble van 3C186 maakte, lieten direct al zien dat er iets bijzonders aan de hand is met het 8 miljard lichtjaar verre stelsel. De beelden laten een heldere quasar zien – een actief zwart gat dat enorm veel energie produceert – maar dat bevindt zich niet in de kern van het bijbehorende sterrenstelsel. Spectroscopisch onderzoek van het gas rond het zwarte gat (dat zelf niet rechtstreeks waarneembaar is) laat zien dat het object zich met een snelheid van 7,5 miljoen kilometer per uur uit de voeten maakt. Het is inmiddels ongeveer 35.000 lichtjaar van het centrum van het sterrenstelsel verwijderd. Hoewel ook andere scenario’s mogelijk zijn, vermoeden de astronomen dat één à twee miljard jaar geleden twee sterrenstelsels – elk met een centraal zwart gat – met elkaar in botsing zijn gekomen. De beide zwarte gaten, van ongelijke massa, spiraalden geleidelijk naar elkaar toe, waarbij ze steeds krachtigere zwaartekrachtgolven opwekten. Toen ze uiteindelijk samensmolten, zou de niet-symmetrische massaverdeling en dito zwaartekrachtgolven erin hebben geresulteerd dat het uiteindelijke zwarte gat uit het centrum van zijn stelsel wegschoot. Een aanzienlijk minder spectaculaire mogelijkheid is dat de heldere quasar helemaal niet bij het stelsel 3C186 hoort, maar daar toevallig precies achter staat. (EE)
Meer informatie:
Hubble detects supermassive black hole kicked out of galactic core

   
23 maart 2017 • Ster Delta Cephei pulseert ook op röntgengolflengten
De ster Delta Cephei – het prototype van de zogeheten cepheïden – blijkt niet alleen op zichtbare golflengten te pulseren, de ster doet dat ook op röntgengolflengten. Dat blijkt uit onderzoek waarvan de resultaten vanmiddag in The Astrophysical Journal zijn gepubliceerd. Cepheïden zijn een bekende klasse van sterren die regelmatige helderheidsveranderingen vertonen. Het bijzondere aan deze sterren is dat er een verband bestaat tussen hun pulsatieperiode en de hoeveelheid licht die zij produceren. Dankzij deze eigenschap kunnen astronomen aan het pulsatiegedrag van een cepheïde zien hoe ver deze van ons verwijderd is. De cepheïden zijn vernoemd naar de eerste ster waarbij dit type helderheidsveranderingen zijn waargenomen: de 890 lichtjaar verre ster Delta Cephei. Recente waarnemingen met de röntgensatellieten Chandra en XMM-Newton hebben nu laten zien dat Delta Cephei röntgenvariaties vertoont die dezelfde periode laten zien (5,4 dagen) als de normale lichtwisselingen van de ster. De röntgenstraling vertoont een scherpe piek rond het moment dat de pulserende ster zijn maximale omvang (45 keer de grootte van de zon) bereikt. Dat een ster als deze überhaupt röntgenstraling kan produceren, is vrij verrassend. Cepheïden zijn van zichzelf namelijk niet uitzonderlijk zwaar of heet. Analyses van de röntgengegevens wijzen erop dat er ergens in of rond Delta Cephei plasma (geïoniseerd gas) aanwezig moet zijn met een temperatuur van meer dan 10 miljoen graden. Mogelijk ontstaat de röntgenstraling doordat de pulsaties schokgolven in de atmosfeer van de ster veroorzaken, maar er zijn ook andere verklaringen mogelijk. Behalve op röntgengolflengten is Delta Cephei ook in het ultraviolet – straling die iets minder energierijk is dan röntgenstraling – onderzocht. Bij die waarnemingen, verricht met de Hubble-ruimtetelescoop, is plasma met temperaturen tot ‘maar’ 300.000 graden Celsius gedetecteerd. Ook op ultraviolette golflengten fluctueert de helderheid van Delta Dephei, maar opmerkelijk genoeg bereikt de uv-straling juist haar hoogtepunt rond de momenten dat de ster op zijn kleinst is. Waarom röntgenhelderheid en uv-helderheid zo uit de pas lopen, is nog een raadsel. (EE)
Meer informatie:
The Surprising Discovery of a New Class of Pulsating X-Ray Stars

   
23 maart 2017 • Energierijke röntgenstraling van Andromedastelsel lijkt afkomstig van pulsar
De meest energierijke röntgenstraling van het Andromedastelsel, de meest nabije grote buur van onze Melkweg, is waarschijnlijk afkomstig van een object dat Swift J0042.6+4112 heet. Dat blijkt uit waarnemingen met de NASA-satelliet NuSTAR, die laten zien dat het röntgenspectrum van dit object sterke overeenkomsten vertoont met dat van een pulsar – het sterk magnetische, rondtollende restant van een ontplofte ster. Vermoedelijk maakt de kandidaat-pulsar deel uit van een dubbelstersysteem waarin materie van een stellaire begeleider naar de pulsar stroomt. Daarbij kan de overgedragen materie dermate hoge temperaturen bereiken, dat zij röntgenstraling gaat uitzenden.Doorgaans gingen astronomen ervan uit dat zulke energierijke röntgenstraling afkomstig moet zijn van zwarte gaten die materie opslokken. Maar Swift J0042.6+4112, die aanzienlijk minder massa heeft, is in dit deel van het elektromagnetische spectrum helderder dan alle zwarte gaten in het Andromedastelsel bij elkaar. Zelfs het superzware zwarte gat in de kern van het stelsel is geen sterke bron van hoogenergetische röntgenstraling. (EE)
Meer informatie:
Andromeda's Bright X-Ray Mystery Solved by NuSTAR

   
22 maart 2017 • Stand rotatie-as Ceres varieert sterk
De dwergplaneet Ceres staat lang niet altijd zo rechtop als nu: haar ashelling varieert tussen de 2 en 20 graden. Dat blijkt uit berekeningen door onderzoekers van NASA’s ruimtemissie Dawn. De variaties in de stand van Ceres worden veroorzaakt door de zwaartekrachtsinvloeden van de planeten Jupiter en Saturnus. Deze zorgen ervoor dat de dwergplaneet een trage schommelbeweging maakt met een periode van ongeveer 24.500 jaar. Nog maar 14.000 jaar geleden was de ashelling maximaal. De asschommeling heeft gevolgen voor de voorraden waterijs die zich in diepe kraters op Ceres kunnen verzamelen. Deze ijsvoorraden kunnen zich alleen handhaven op plaatsen die nooit zonlicht zien. In tijden zoals nu, als de rotatie-as van Ceres vrijwel rechtop staat, ontvangen relatief grote delen van het oppervlak nooit zonlicht, met name rond de polen. Maar met toenemende ashelling worden steeds meer kraters rond de polen blootgesteld aan de zon. Vandaar dat alleen in kraters die ook bij maximale ashelling in het duister liggen ijsafzettingen zijn gevonden.Overigens is nog steeds niet helemaal duidelijk waar de ijsafzettingen vandaan komen. Het betreffende water zou afkomstig kunnen zijn van ingeslagen planetoïden en kometen, maar het is ook denkbaar dat het uit het inwendige van Ceres zelf komt. (EE)
Meer informatie:
Ice in Ceres' Shadowed Craters Linked to Tilt History

   
22 maart 2017 • Donkere strepen op Mars hoeven niet nat te zijn
In het warme seizoen verschijnen langs steile wanden op de planeet Mars opvallende donkere strepen die ‘nat’ lijken. Volgens wetenschappers uit Frankrijk en Slowakije komt aan het ontstaan van deze strepen echter geen druppel water te pas. Het zouden simpelweg zandverschuivingen zijn, die worden veroorzaakt door het samenspel van zon en schaduw (Nature Geoscience, 20 maart). De vingerachtige sporen in het zand werden in 2011 voor het eerst opgemerkt. Omdat ze alleen tijdens warme seizoen te zien zijn, meenden sommige wetenschappers dat ze door zoutrijk smeltwater werden veroorzaakt. Andere onderzoekers vonden dit echter niet waarschijnlijk, omdat ijs op Mars niet echt smelt, maar sublimeert - d.w.z. direct in dampvorm overgaat. Ook de suggestie dat de strepen ontstaan door condenserend atmosferisch water heeft een zwak punt: de atmosfeer van Mars bevat bijzonder weinig vocht. Volgens nieuwe computersimulaties ontstaan de strepen doordat de bovenste laag van zand en stof in het warme seizoen opwarmt, terwijl de onderliggende deeltjes koud blijven. Deze temperatuurgradiënt veroorzaakt veranderingen in de druk van het gas in de kleine holtes tussen de zandkorreltjes. Als gevolg hiervan stijgt het gas op en komen de zanddeeltjes zodanig in beroering dat ze omlaag glijden. Dat de strepen donker zijn, zou volgens de wetenschappers een gevolg zijn van een bekend sorteereffect dat ervoor zorgt dat de wat grovere deeltjes, die meer schaduwwerking veroorzaken, aan de oppervlakte komen te liggen. Ook zouden de fijnste stofdeeltjes tijdens de zandverschuivingen kunnen wegschieten. Dat de strepen vervolgens weer vervagen zou komen door de afzetting van fijn stof uit de atmosfeer. (EE)
Meer informatie:
Mars’ Dark Streaks May Be Caused by Dry Landslides, Not Water

   
22 maart 2017 • Astronomen ontdekken reusachtige magnetische velden
Duitse astronomen hebben met de 100-meter radiotelescoop van Effelsberg een aantal clusters van sterrenstelsels onder de loep genomen. Aan de grenzen van deze grote samenscholingen van sterrenstelsels, gas en donkere materie hebben ze buitengewoon gelijkmatige magnetische velden ontdekt die zich over vele miljoenen lichtjaren uitstrekken. Daarmee zijn het de omvangrijkste magnetische velden die tot nu toe in het heelal zijn waargenomen (Astronomy & Astrophysics, 22 maart). Clusters zijn de grootste structuren in het heelal die door de zwaartekracht bijeen worden gehouden. Met karakteristieke afmetingen van ongeveer 10 miljoen lichtjaar – honderd keer de middellijn van onze Melkweg – bieden ze plaats aan grote aantallen sterrenstelsels die ingebed zijn door heet gas en magnetische velden. Onderlinge botsingen tussen clusters leiden tot schokgolven die dat hete clustergas en de magnetische velden samendrukken. Daarbij ontstaan boogvormige structuren, ‘relicten’ geheten, die opvallen door de radio- en röntgenstraling die zij uitzenden. Sinds de eerste ontdekking in 1970 zijn bij ongeveer zeventig clusters van zulke relicten opgespoord. De samendrukking van de magnetische velden heeft een ordenend effect op de veldlijnen. Dat heeft ook gevolgen voor de radiostraling van het magnetische veld: dat wordt lineair gepolariseerd. Met de Effelsberg-telescoop is dit polarisatie-effect nu bij vier clusters waargenomen – bij één daarvan voor het eerst. Uit de metingen blijkt dat de magnetische velden, die zich over vijf tot zes miljoen lichtjaar uitstrekken, van vergelijkbare sterkte zijn als die in onze Melkweg. Ook kon worden vastgesteld dat de botsingen waarbij de onderzochte relicten zijn ontstaan zich hebben voltrokken met snelheden van 2000 kilometer per seconde – wat sneller is dan uit eerdere röntgenmetingen was afgeleid. Verder zijn er aanwijzingen gevonden dat de geordende magnetische velden zich tot ver buiten de clusters uitstrekken. (EE)
Meer informatie:
Giant Magnetic Fields in the Universe

   
22 maart 2017 • Jonge sterren hinderen planeetvorming
Sterren hoeven niet groot en zwaar te zijn om het materiaal rond naburige sterren te doen verdampen, zo blijkt uit onderzoek van de protoplanetaire schijf rond de jonge zonachtige ster IM Lupi. De waarnemingen laten zien dat de schijf, waarin zich planeten kunnen vormen, in hoog tempo ‘vervliegt’ terwijl de hoeveelheid straling van omgevingssterren vrij beperkt is. In stervormingsgebieden ontstaan sterren van uiteenlopende afmetingen. Bekend was al dat wanneer de protoplanetaire schijf rond een betrekkelijk kleine ster zich in de buurt van een zware ster bevindt, deze laatste delen van de schijf kan doen verdampen. Vermoed werd echter dat dit alléén gebeurt wanneer de schijf wordt bestraald door zeer zware sterren. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Als de schijf rond IM Lupi in het huidige tempo massa blijft verliezen, dan raakt hij in de loop van zijn 10 miljoen jaar durende bestaan 3300 aardmassa’s aan materiaal kwijt. Volgens de onderzoekers kan dit gevolgen hebben voor de diversiteit die exoplanetenstelsels kunnen vertonen. Zo zou het licht van doodnormale buursterren een beperkende factor kunnen zijn voor de maximale afmetingen die een planetenstelsel kan bereiken. De astronomen die IM Lupi hebben onderzocht, vermoeden overigens dat de protoplanetaire schijf rond deze ster extra gevoelig is voor sterlicht, omdat hij nog zo groot is. Hij heeft een straal van ongeveer 400 astronomische eenheden (AE), d.w.z. tien keer de afstand zon-Pluto. Berekeningen wijzen erop dat de schijf, die net als zijn ster nog geen miljoen jaar oud is, tijdens zijn korte bestaan al is gehalveerd. (EE)
Meer informatie:
Fledgling stars try to prevent their neighbours from birthing planets

   
22 maart 2017 • UV-straling verklaart geringe aantal dwergstelsels
Het ontbreken van grote aantallen kleine dwergsterrenstelsels in het heelal is vermoedelijk te wijten aan de energierijke ultraviolette achtergrondstraling in de kosmos. Dat schrijven astronomen in Montly Notices of the Royal Astronomical Society, op basis van spectroscopische waarnemingen die verricht zijn met het MUSE-instrument op de Europese Very Large Telescope in Chili. Volgens de gangbare kosmologische modellen moeten grote sterrenstelsels zoals het Melkwegstelsel omgeven worden door talloze kleine dwergstelseltjes. Daarvan zijn er echter veel minder waargenomen dan voorspeld. Sterrenkundigen van Durham University in het Verenigd Koninkrijk denken nu dat dat komt doordat de vorming van nieuwe sterren in de kleine dwergstelsels al in een vroeg stadium tot stilstand wordt gebracht door de alomtegenwoordige ultraviolette straling in het heelal. Als er te weinig nieuwe sterren ontstaan in de dwergstelsels, blijven ze onzichtbaar voor aardse telescopen. De kosmische UV-achtergrondstraling wordt geproduceerd door hete reuzensterren en superzware zwarte gaten. De energierijke straling verhit het waterstofgas in de kleine sterrenstelsels, waarbij het gas zelf zichtbaar begint te 'fluoresceren' op rode golflengten. Gaswolken met een te hoge temperatuur kunnen minder gemakkelijk ineenstorten tot nieuwe sterren. In grotere sterrenstelsels speelt dat effect een veel kleinere rol. Het fluoresceren van waterstofgas onder invloed van de kosmische UV-achtergrondstraling is waargenomen rond het sterrenstelsel UGC 7321, op 30 miljoen lichtjaar afstand van de aarde. (GS)
Meer informatie:
Universe’s ultraviolet background could provide clues about missing galaxies (origineel persbericht)

   
21 maart 2017 • Veranderend uiterlijk voor Rosetta-komeet
Komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko - de komeet die de afgelopen jaren van nabij is bestudeerd door de Europese ruimtesonde Rosetta - heeft opvallende uiterlijke veranderingen ondergaan tijdens de periheliumpassage (het moment waarop de komeet in zijn langgerekte baan de kleinste afstand tot de zon bereikte). Dat blijkt uit een gedetailleerd onderzoek aan foto's van de komeet, gemaakt door Rosetta. De nieuwste resultaten zijn vandaag gepubliceerd door het Amerikaanse weekblad Science en door het Britse tijdschrift Nature Astronomy. Kometen zijn kleine en betrekkelijk poreuze hemellichamen, bestaande uit ijs en steen. Ze hebben maar een zeer zwak zwaartekrachtveld. Als gevolg van de toenemende zonnewarmte tijdens de periheliumpassage produceert een komeet geisers en fonteinen van gas en stof. Daardoor erodeert het oppervlak, wat tot allerlei uiterlijke veranderingen kan leiden. Komeetonderzoekers hebben gezien hoe tientallen meters grote rotsblokken zich over grote afstanden verplaatsten. Steile kliffen zijn ineengestort; scheuren en barsten in het oppervlak zijn breder geworden. Eén grote scheur - in de smalle 'nek' van de komeet - is ca. 100 meter breder geworden. Dat kan erop wijzen dat de haltervormige komeet in de toekomst in tweeën breekt. Dat proces zou versneld kunnen worden door de toename in de rotatieperiode van 67P, die ook door Rosetta is gemeten. (GS)
Meer informatie:
The Many Faces of Rosetta's Comet 67P (origineel persbericht)

   
20 maart 2017 • Marsvulkaan Arsia Mons was mogelijk 50 miljoen jaar geleden nog actief
De grote Marsvulkaan Arsia Mons was mogelijk 50 miljoen jaar geleden nog actief - geologisch gesproken zeer recent. Planeetwetenschappers hebben gedetailleerde foto's van de vulkaan bestudeerd, gemaakt door de Amerikaanse Mars Reconnaissance Orbiter. De leeftijden van verschillende lavastromen konden onder andere bepaald worden op basis van kratertellingen: hoe ouder een (gestolde) lavastroom is, hoe meer kleine inslagkraters erop te zien zullen zijn. Arsia Mons is de zuidelijkste van de drie grote vulkanen die gelegen zijn op de Tharsis-bergrug (daarnaast heeft Mars nog een kolossale vulkaan, Olympus Mons geheten). De basismiddellijn van Arsia Mons is 110 kilometer; de hoogte bedraagt ca. 20 kilometer. In de caldera op de vulkaantop zijn 29 vulkanische openingen geïdentificeerd. Uit de nieuwe leeftijdsbepalingen blijkt dat de laatste activiteitsperiode van Arsia Mons ca. 200 miljoen jaar geleden begon en ca. 150 miljoen jaar geleden zijn hoogtepunt bereikte. Gedurende die periode ontstond er gemiddeld eens in de 1 à 3 miljoen jaar een nieuwe grote lavastroom. De vulkaan produceerde tussen de 1 en 8 kubieke kilometer lava per miljoen jaar. De jongste lavastromen ontstonden mogelijk slechts 50 miljoen jaar geleden. Dat betekent dat de vulkanische activiteit van Arsia Mons definitief aan het uitdoven was rond de tijd dat op aarde de dinosaurussen uitstierven. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in Earth and Planetary Science Letters, en vandaag gepresenteerd op de Lunar and Planetary Science Conference die deze week wordt gehouden in The Woodlands, Texas. (GS)
Meer informatie:
Mars Volcano, Earth's Dinosaurs Went Extinct About the Same Time (origineel persbericht)

   
20 maart 2017 • Swift-satelliet ziet ster in zwart gat verdwijnen
Een uitbarsting van zichtbaar licht en ultraviolette straling in een ver sterrenstelsel, waargenomen in november 2014, is vermoedelijk veroorzaakt doordat langgerekte gasslierten van een uiteengerukte ster met elkaar in botsing kwamen. Dat schrijven Amerikaanse astronomen in Astrophysical Journal Letters, op basis van metingen met NASA's röntgen- en gammakunstmaan Swift. De uitbarsting, die plaatsvond in het centrum van een sterrenstelsel op 290 miljoen lichtjaar afstand, is ASASSN-14li genoemd (naar het telescopennetwerk waarmee hij werd ontdekt). Swift detecteerde ongeveer een maand later ook variabele röntgenstraling uit hetzelfde gebied. Alles lijkt erop te wijzen dat een zonachtige ster te dicht in de buurt is gekomen van het centrale zwarte gat van het sterrenstelsel, dat naar schatting 3 miljoen maal zo zwaar is als de zon. Bij zo'n tidal disruption event wordt de ster uiteengerukt; het gas hoopt zich uiteindelijk op in een afgeplatte en snel roterende 'accretieschijf', die zo heet wordt dat hij röntgenstraling uitzendt. De eerdere uitbarsting van zichtbaar licht en ultraviolette straling is volgens de auteurs waarschijnlijk veroorzaakt doordat het gas van de uiteengerukte ster aanvankelijk een sterk elliptische baan rond het zwarte gat beschreef. Verschillende langgerekte gasslierten kwamen daarbij met elkaar in botsing, wat leidde tot schokvolgen en uitbarstingen van sttraling op optische en ultraviolette golflengten. (GS)
Meer informatie:
NASA's Swift Mission Maps a Star's 'Death Spiral' into a Black Hole (origineel persbericht)

   
20 maart 2017 • Maantjes en ringen wisselden elkaar bij Mars misschien af
De planeet Mars heeft in de afgelopen paar miljard jaar mogelijk afwisselend ringen en maantjes gehad. Dat concluderen wetenschappers van Purdue University op basis van computersimulaties. Mars heeft momenteel twee kleine manen. De grootste (en binnenste) van de twee, Phobos, beweegt langzaam maar zeker steeds dichter naar de planeet toe. Over ca. 70 miljoen jaar zal hij door de sterker wordende getijdenkrachten van Mars uiteen worden gerukt, en raakt de planeet omgeven door een ijl ringenstelsel van stof- en gruisdeeltjes. Uit de computersimulaties van de astronomen blijkt dat zo'n ringenstelsel zich in de loop van de tijd in radiale richting uitbreidt. Op relatief grote afstand van de planeet kan een deel van het ringmateriaal dan opnieuw samenklonteren tot een maantje. Dat is dan ca. 5 maal zo klein als zijn voorganger, en zal uiteindelijk hetzelfde lot ondergaan. De rest van het ringmateriaal zou op Mars terechtkomen. Het kolossale noordpoolbekken op de planeet is 4,3 miljard jaar geleden mogelijk ontstaan bij een gigantische kosmische inslag, en volgens de onderzoekers kan die inslag het proces op gang hebben gebracht. In totaal zouden ringen en maantjes elkaar misschien drie tot zeven maal hebben afgewisseld, zo schrijven ze in Nature Geoscience. (GS)
Meer informatie:
Does Mars Have Rings? Not Right Now, But Maybe One Day (origineel persbericht)

   
17 maart 2017 • Hubble-ruimtetelescoop spoort ‘zoekgeraakte’ ster op
Ongeveer 540 jaar geleden speelde zich een klein drama af in de Orionnevel, een bekende stervormingsgebied op 1300 lichtjaar van de aarde. Twee sterren die deel uitmaakten van een drievoudig stersysteem naderden elkaar zo dicht, dat het systeem destabiliseerde. De drie jonge sterren stoven verschillende kanten op. Twee ervan werden in 1967 ontdekt, maar nummer drie was tot voor kort spoorloos. Deze ‘wegloopster’ is onlangs opgespoord met de Hubble-ruimtetelescoop. Waarnemingen lieten zien dat de sterren 1 en 2 met hoge snelheid in tegengestelde richting bewegen. Hun oorsprong bleek in het centrum van de Orionnevel te liggen. Direct al bestond het vermoeden dat er nog een derde ster in het spel moest zijn, maar die werd niet onmiddellijk gevonden. Dat hij nu alsnog is opgespoord, berust op toeval. Hij is ontdekt bij een zoekactie naar vrij rondzwervende planeten in de Orionnevel – planeten die van hun moederster zijn gescheiden. Bij deze survey is een ster ontdekt die zich bijzonder snel blijkt te verplaatsen: met een snelheid van ruim 200.000 kilometer per uur. Berekeningen laten zien dat hij zich ruim 500 jaar geleden dicht in de buurt van de beide andere sterren moet hebben bevonden. Vermoed wordt dat de drie niet de enige wegloopsterren in de omgeving van de Orionnevel zijn. Uit computersimulaties blijkt dat in jonge sterrenhopen, zoals die in de Orionnevel, wel vaker zwaartekrachtsinteracties plaatsvinden waarbij sterren zich met hoge snelheid uit de voeten maken. Het opsporen van deze sterren is niet zo eenvoudig: de Orionnevel is rijk aan gas en stof, waardoor veel van de jonge sterren niet waarneembaar zijn op zichtbare golflengten. (EE)
Meer informatie:
Hubble Discovery of Runaway Star Yields Clues to Breakup of Multiple-Star System

   
17 maart 2017 • ALMA-telescoop brengt kosmisch ‘gat’ in beeld
Japanse astronomen die gebruik maken van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) zijn erin geslaagd om een ‘radiogat’ rond een 4,8 miljard lichtjaar verre cluster van sterrenstelsels in beeld te brengen. Het resultaat is de meest nauwkeurige afbeelding van zo’n gat, dat wordt veroorzaakt door het Soenjajev-Zeldovitsj-effect, die ooit is verkregen. De astronomen gebruikten ALMA om het hete gas in de cluster RX J1347.5-1145 in kaart te brengen. Hoewel dat gas zelf geen radiostraling uitzendt die detecteerbaar is met ALMA, verstrooit het wel de radiostraling van de kosmische achtergrondstraling – een overblijfsel van de oerknal. Hierdoor vertoont de kosmische achtergrondstraling – vanaf de aarde gezien – in en rond deze cluster van sterrenstelsels een lagere intensiteit. Het Soenjajev-Zeldovitsj-effect in RX J1347.5-1145 is al veel vaker waargenomen met radiotelescopen. Daarbij is ontdekt dat het hete gas in de cluster een ongelijkmatige verdeling vertoont, die op röntgengolflengten niet waarneembaar is. De ALMA-waarnemingen, die de verdeling van het gas veel duidelijker en gedetailleerder laten zien, bevestigen de eerdere bevindingen. De discrepantie tussen radio- en röntgenwaarnemingen brengt de astronomen tot de conclusie dat er sprake is van een botsing tussen twee clusters, waarbij een samenballing van zeer heet gas is ontstaan. (EE)
Meer informatie:
ALMA’s ability to see a “cosmic hole” confirmed

   
16 maart 2017 • Europees/Russische Marssonde krijgt nieuwe omloopbaan
De Europees/Russische ruimtesonde ExoMars Trace Gas Orbiter (TGO), die sinds 19 oktober 2016 in een langgerekte baan om de planeet Mars beweegt, heeft al zijn tests doorstaan. Dat betekent dat hij klaar is voor zijn hoofdtaak: het onderzoeken van de Marsatmosfeer. Maar voor het zover is, zal hij een jaar lang met vaste tussenpozen een korte duik maken in diezelfde atmosfeer – een reeks manoeuvres die nodig is om hem in een lage cirkelvormige omloopbaan om Mars te brengen. De afgelopen maanden zijn met de wetenschappelijke instrumenten van de TGO allerlei proefmetingen gedaan, ter voorbereiding van het eigenlijke meetprogramma dat volgend jaar van start gaat. Het belangrijkste onderdeel daarvan is het opsporen van methaangas in de ijle Marsatmosfeer. Als er naast methaan ook propaan en ethaan worden gedetecteerd, zou dat erop kunnen wijzen dat er levende organismen zijn op Mars. Wordt methaan alleen in combinatie met zwaveldioxide aangetroffen, dan zijn geologische processen de meest waarschijnlijke bron. Als alles volgens plan verloopt, zal de TGO straks ook kunnen fungeren als communicatiesatelliet voor het tweede deel van de ExoMars-missie: een combinatie van een vast meetplatform en een mobiele onderzoeksrobot. De aankomst daarvan wordt in het voorjaar van 2021 verwacht. (EE)
Meer informatie:
ExoMars: science checkout completed and aerobraking begins

   
16 maart 2017 • Nederlandse Sterrenkunde Olympiade 2017 in Groningen
Het Kapteyn Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen organiseert de Nederlandse Sterrenkunde Olympiade 2017. Leerlingen van de bovenbouw havo en vwo kunnen tussen 15 maart en 15 mei thuis meedoen aan de voorronde. De finale is van 5 tot en met 7 juli in Groningen. De beste inzenders strijden in deze finale om de hoofdprijs, een reis naar de sterrenwacht op La Palma. Meedoen aan de olympiade is eenvoudig. De vragen van de voorronde zijn vanaf 15 maart beschikbaar op www.sterrenkundeolympiade.nl. Deze vragen maken de leerlingen thuis en bestaan uit een aantal meerkeuzevragen, enkele open vragen en computeropdrachten. De antwoorden moeten zij uiterlijk 15 mei insturen, waarna een deskundige jury deze nakijkt. De beste kandidaten mogen meedoen aan de finale in Groningen. De finalisten volgen de eerste dagen colleges over verschillende sterrenkundige onderwerpen en zullen daarnaast samen leuke activiteiten ondernemen. Na de colleges volgt een examen met vragen over de onderwerpen die tijdens de colleges zijn behandeld. Op basis daarvan wijst de jury de winnaars aan. De olympiade wordt afgesloten met een feestelijke prijsuitreiking. De hoofdprijs is traditiegetrouw een reis naar het Roque de los Muchachos-observatorium op het Canarische eiland La Palma, waar de winnaars zelf met een professionele telescoop naar het heelal mogen kijken.
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
15 maart 2017 • Sterrenstelsels in het vroege heelal bevatten (nog) weinig donkere materie
Nieuwe waarnemingen met de Europese Very Large Telescope wijzen erop dat tijdens de hoogtijdagen van het ontstaan van sterrenstelsels, 10 miljard jaar geleden, sterrenstelsels voornamelijk uit baryonische oftewel ‘normale’ materie bestonden. Dat is in schril contrast met de huidige sterrenstelsels, waarin de geheimzinnige donkere materie de overhand lijkt te hebben. Dit verrassende resultaat suggereert dat donkere materie in het vroege heelal minder invloedrijk was dan nu (Nature, 16 maart). De materie die wij in het heelal zien bestaat uit helder stralende sterren, gloeiend gas en wolken van stof. Maar de ongrijpbare donkere materie straalt geen licht uit en absorbeert of weerkaatst het ook niet – zij is alleen waarneembaar via de zwaartekracht die zij op haar omgeving uitoefent. De aanwezigheid van donkere materie kan verklaren waarom de buitenste delen van nabije spiraalstelsels sneller draaien dan je zou verwachten als de stelsels volledig uit normale materie zouden bestaan. Een internationaal team van astronomen, onder leiding van Reinhard Genzel van het Max-Planck-Institut für extraterrestrische Physik, heeft nu de rotatie gemeten van zes zware, sterren-vormende stelsels in het verre heelal. Daarbij hebben de astronomen een intrigerende ontdekking gedaan: anders dan bij spiraalstelsels in het huidige heelal, lijken de buitenste delen van deze verre stelsels langzamer te draaien dan de delen dichter bij de kern. Genzel wijst daar twee oorzaken voor aan: ‘Allereerst worden de meeste van deze vroege zware sterrenstelsels gedomineerd door normale materie, en speelt donkere materie een veel kleinere rol dan in het lokale heelal. Op de tweede plaats waren de schijven van deze vroege stelsels veel turbulenter dan de spiraalstelsels die we in onze kosmische nabijheid zien.’ De beide effecten lijken sterker tot uiting te komen naarmate astronomen dieper het vroege heelal in kijken – verder naar het verleden dus. Dit wijst erop dat het aanwezige gas zich drie tot vier miljard jaar na de oerknal al op efficiënte wijze had georganiseerd in platte, draaiende schijven, terwijl de omhullende halo’s van donkere materie zich nog over een veel groter volume uitstrekten. Kennelijk deed de donkere materie er miljarden jaren langer over om zich te verdichten, waardoor haar dominante uitwerking pas nu tot uiting komt. Deze verklaring is in overeenstemming met waarnemingen die laten zien dat vroege sterrenstelsels veel gasrijker en compacter waren dan de huidige sterrenstelsels. Modelberekeningen laten zien dat waar de onderzochte stelsels bij elkaar voor ongeveer de helft uit normale materie bestaan, het rotatiegedrag van de verste sterrenstelsels volledig door normale materie wordt gedomineerd. Het nieuwe resultaat zet overigens geen vraagtekens bij de noodzaak van donkere materie als fundamenteel bestanddeel van het heelal. Het wijst er alleen op dat de donkere materie in en rond schijfstelsels vroeger anders was verdeeld dan nu. (EE)
Meer informatie:
Volledig persbericht