2 december 2016 • Europese Marsmissie krijgt groen licht
Ondanks het mislukken van de landing van Marslander Schiaparelli heeft de Europese missie ExoMars 2020 groen licht gekregen. Dat heeft het Europese ruimteagentschap ESA vandaag bekendgemaakt na afloop van de bijeenkomst van ministers van zijn 22 lidstaten, waarbij de budgetten voor de komende jaren werden vastgesteld. In het kader van ExoMars 2020 zal een mobiele verkenner op het oppervlak van Mars worden neergezet.   ESA haalde bij elkaar ruim 10 miljard euro binnen, bedoeld voor een heel scala aan project. Dat is wel bijna een miljard minder dan was aangevraagd, maar voor de Marsmissie heeft dat geen gevolgen. Om uit de kosten te komen is de Europese bijdrage aan de internationale Asteroid Impact Mission (AIM) geschrapt. Bij deze missie zou in 2022 een sonde op een kleine planetoïde zijn geland.  Ook is aan de financiering van ExoMars 2020 een bijzondere voorwaarde verbonden. Van de 440 miljoen euro die nog nodig zijn om deze missie door te laten gaan, moet 97 miljoen euro aan andere wetenschappelijke ESA-missies worden onttrokken. Wat dit gaat betekenen voor toekomstige missies als Cheops (exoplanetenonderzoek), BepiColombo (Mercurius), Solar Orbiter en Euclid (onderzoek van kosmische donkere materie) zal nog moeten blijken. (EE)
Meer informatie:
Europe moves ahead with Mars mission, kills asteroid lander

   
1 december 2016 • Reuzensterrenstelsels voeden zich met koud kosmisch gas
De grootste sterrenstelsels in ons heelal halen ‘voedsel’ uit kosmische oceanen van koud gas en groeien zo nog verder. Dat vermoedt een internationaal team van wetenschappers met daarin twee Leidse sterrenkundigen op basis van uitgebreide waarnemingen aan het Spinnenwebstelsel (Science, 2 december). Een internationaal team van astronomen, onder wie George Miley en Huub Röttgering van de Universiteit Leiden, hebben radiotelescopen in Australië en de VS op het Spinnenwebstelsel gericht. Dat is een enorm sterrenstelsel op ongeveer tien miljard lichtjaar van onze Melkweg. Het bevindt zich in het centrum van een cluster van honderden sterrenstelsels en lijkt nog steeds te groeien. Tot hun verrassing ontdekten de astronomen dat het ‘superstelsel’ zich wentelt in een kosmische wolk van zeer koud gas. Dat gas bestaat voor het grootste deel uit waterstof, het basismateriaal waaruit sterren en sterrenstelsels worden gevormd. De enorme gaswolk bevat ongeveer honderd miljard keer zoveel massa als onze zon. Er lijkt dus genoeg gas aanwezig om veel sterren te vormen. Tot nu toe dachten wetenschappers dat superstelsels ontstaan doordat kleine sterrenstelsels samensmelten. Dat is ook waar het Spinnenwebstelsel zijn naam aan ontleent: het lijkt te zijn opgebouwd uit een ‘web’ van kleine sterrenstelsels. Maar het lijkt er nu dus op dat dit superstelsel zich niet alleen voedt met dwergstelsels, maar ook met het gas uit een enorme gaswolk. Dat kan ook verklaren waarom niet alleen in het centrum van het Spinnenwebstelsel grote aantallen jonge sterren ontstaan, maar ook ver daarbuiten. Waar het koude gas vandaan komt, is overigens nog een raadsel. De onderzoekers vermoeden dat het afkomstig is van eerdere, al gestorven sterren. Naast waterstof is er in de gaswolk namelijk ook koolmonoxide aanwezig – een restproduct van vergane sterren. Om meer te weten te komen over die eerdere sterren, willen de onderzoekers dieper het heelal in kijken met de nieuwe generatie telescopen die nu in aanbouw is. 
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
1 december 2016 • Jonge sterrenhopen zijn ware ‘roetfabrieken’
Sterren zijn grote producenten van stof. Dat blijkt uit waarnemingen van een sterrenstelsel op 33 miljoen lichtjaar van de aarde, waarbij gebruik is gemaakt van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) in het noorden van Chili. De ALMA-telescoop is bij uitstek geschikt om kosmisch stof op te sporen. Het onderzochte sterrenstelsel, dat de aanduiding II Zw 40 draagt, bevat een van de grootste stervormingsgebieden in het ‘lokale’ heelal. In dat gebied bevinden zich twee jonge sterrenhopen die elk ongeveer een miljoen sterren bevatten. Door deze sterrenhopen op verschillende golflengten te onderzoeken, hebben astronomen de verdeling van het stof in het stelsel in kaart gebracht. Kosmisch stof bestaat uit verbindingen van voornamelijk koolstof, silicium en zuurstof – zeg maar roet. Uit de waarnemingen blijkt dat bijna al het stof in II Zw 40 is geconcentreerd in en rond de beide sterrenhopen. Daarmee is de hypothese bevestigd dat de grote hoeveelheden stof die in veel sterrenstelsels worden aangetroffen – óók in onze Melkweg – door sterren zijn geproduceerd. (EE)
Meer informatie:
UCLA astronomers watch star clusters spewing out dust

   
1 december 2016 • Zwart gat houdt huis in kolossaal sterrenstelsel
De vreemde donkere filamenten in het reusachtige elliptische sterrenstelsel NGC 4696 zijn waarschijnlijk het werk van het superzware zwarte gat dat in de kern van het stelsel schuilgaat. Dat blijkt uit nieuwe detailrijke waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop. NGC 4696 maakt deel uit van de Centaurus-cluster, een samenscholing van honderden sterrenstelsels op ongeveer 150 miljoen lichtjaar van de aarde. Het behoort tot de grootste en helderste sterrenstelsels in het heelal. Een opvallend kenmerk van NGC 4696 zijn de donkere filamenten van gas en stof rond zijn kern. De astronomen die de Hubble-waarnemingen hebben geanalyseerd hebben vastgesteld dat deze draderige structuren ongeveer 200 lichtjaar breed zijn en een tien keer zo grote dichtheid hebben als het omringende gas. De filamenten zijn met elkaar verweven tot een spiraal die uitkomt in het centrum van NGC 4696. Daar huist een actief superzwaar zwart gat dat enorme hoeveelheden energie in het omringende sterrenstelsel pompt. Daardoor ontstaan stromen van heet gas die zich een weg naar buiten banen. Deze gasstromen en het magnetische veld dat zij meesleuren lijken verantwoordelijk te zijn voor de bizarre vormen van de filamenten. De interactie tussen het centrale zwarte gat en het omringende gas en stof kan helpen verklaren waarom grote sterrenstelsels als deze zo weinig nieuwe sterren produceren. Het lijkt erop dat de magnetische structuur van NGC 4696 de vorming van nieuwe sterren verhinderd. (EE)
Meer informatie:
Tangled Threads Weave Through Cosmic Oddity

   
30 november 2016 • Astronomen nemen miniplanetoïde waar
De planetoïde 2015 TC25, die vorig jaar op een afstand van slechts 128.000 kilometer langs de aarde scheerde, blijkt slechts twee meter groot te zijn. Daarmee is hij de kleinste planetoïde die ooit gedetailleerd door astronomen is bekeken. Aanvankelijk werden de afmetingen van het object groter geschat. Die schatting was gebaseerd op de aanname dat 2015 TC25, zoals de meeste andere planetoïden een donker oppervlak had. Waarnemingen met een infraroodtelescoop van NASA en de radiotelescoop van Arecibo hebben echter laten zien dat het oppervlak van de planetoïde overeenkomsten vertoont met een zeldzame klasse van heldere meteorieten die ‘aubrieten’ worden genoemd. Dat betekent dat 2015 TC25 misschien wel zestig procent van het ontvangen zonlicht weerkaatst. Dat is de tien keer zoveel als de donkerste planetoïden. Vermoed wordt dat het een brokstuk is van de veel grotere planetoïde 44 Nysa, die tussen de planeten Mars en Jupiter om de zon cirkelt. De miniplanetoïde valt in dezelfde grootteklasse als de vele meteoroïden die regelmatig de aardatmosfeer binnendringen. Maar de kans dat dit binnen afzienbare tijd ook met 2015 TC25 zal gebeuren lijkt vrij klein. (EE)
Meer informatie:
It's a Bird... It's a Plane... It's the Tiniest Asteroid!

   
30 november 2016 • Grote ‘deuk’ in ijskorst Pluto mogelijk niet door inslag ontstaan
Het westelijke deel van het hartvormige gebied op de dwergplaneet Pluto wordt doorgaans gezien als een inslagbekken, ontstaan door de inslag van een kleiner hemellichaam. Maar een Amerikaans onderzoeksteam heeft daar zo zijn twijfels over. Volgens de wetenschappers zou ‘Sputnik Planitia’ simpelweg zijn ontstaan doordat zich hier grote hoeveelheden ijs hebben afgezet (Nature, 1 december). Door de vreemde stand van de rotatie-as van Pluto, die een hoek van 120 graden maakt met zijn baanvlak, liggen de koudste delen van de dwergplaneet niet bij de polen, maar rond de evenaar. Hierdoor zal zich met name in deze gebieden gemakkelijk (stikstof)ijs afzetten. Modelberekeningen laten zien dat dit proces zichzelf versterkt. Een kleine ijsafzetting weerkaatst meer licht en warmte van de zon, waardoor de temperaturen langer laag blijven, en zich nog meer ijs afzet. Zo zou zich een flinke ijskap kunnen hebben gevormd, die later deels weer is verdampt. De grote ijskap bevatte zoveel massa, dat de rotatie van Pluto – onder invloed van de aantrekkingskracht van de grote maan Charon – geleidelijk vertraagde en Sputnik Planitia (vanuit Charon gezien) uiteindelijk aan de ‘achterkant’ van de dwergplaneet terechtkwam. De enorme ijsmassa oefende zoveel druk uit op de onderliggende korst, dat er vanzelf een deuk ontstond. De belangrijkste verschillen met het inslagscenario zijn dat de ijskap al heel vroeg in de geschiedenis van Pluto zou zijn ontstaan en dat er niet per se een oceaan van vloeibaar water onder de korst hoeft schuil te gaan. Maar op basis van de beschikbare informatie over de dwergplaneet lijken beide scenario’s ongeveer even plausibel. (EE)
Meer informatie:
Modeling Offers New Perspective on How Pluto’s “Icy Heart” Came to Be

   
30 november 2016 • Zwaartekrachtgolfdetector weer opgestart
Vanaf nu zijn de twee detectors van LIGO, de Laser Interferometer Gravitational-wave Observatory, weer ‘online’. Bijna een jaar lang is hard gewerkt om de lasers, elektronica en optiek van de Amerikaanse zwaartekrachtgolfdetectoren te verbeteren. Naar verwachting is hun gevoeligheid daarmee met 10 tot 25 procent toegenomen. Er kunnen vanaf nu dus zwaartekrachtgolven worden waargenomen die van verder uit het heelal komen. Op 14 september vorig jaar deden de LIGO-detectoren de eerste detectie van zwaartekrachtgolven uit het heelal. De analyse van de gegevens heeft laten zien dat deze werden veroorzaakt door een botsing tussen twee zwarte gaten op 1,3 miljard lichtjaar van de aarde. Drie maanden later werd een vergelijkbaar signaal geregistreerd. Dankzij de laatste upgrades hopen wetenschappers nog vaker zwaartekrachtgolven te kunnen detecteren. LIGO meet zwaartekrachtgolven door uiterst kleine variaties te detecteren in de reistijd van laserbundels die honderden malen heen en weer worden gekaatst in kilometerslange vacuümtunnels. Deze variaties ontstaan wanneer rimpelingen in de ruimtetijd, veroorzaakt door snel bewegende ‘zware’ hemelobjecten, voorbijtrekken aan de aarde. (EE)
Meer informatie:
LIGO back online, ready for more discoveries

   
30 november 2016 • Eerste sporen van vreemde kwantumeigenschap van de lege ruimte?
Bij waarnemingen van de uitzonderlijk compacte en sterk magnetische neutronenster RX J1856.5-3754 zijn aanwijzingen gevonden voor een vreemd kwantumeffect dat tachtig jaar geleden voor het eerst werd voorspeld. De polarisatie van het waargenomen licht wijst erop dat in de lege ruimte rond de neutronenster zogeheten vacuüm-dubbelbreking optreedt. Neutronensterren zijn de zeer compacte overblijfselen van de kernen van zware sterren – met minstens tien keer zoveel massa als onze zon – die aan het einde van hun bestaan als supernova’s zijn ontploft. De magnetische velden van deze objecten zijn miljarden keren sterker dan die van onze zon. De velden zijn zo extreem sterk dat ze van invloed zijn op de eigenschappen van de lege ruimte rond de ster. Normaal gesproken is zo’n vacuüm helemaal leeg, en kan licht erdoorheen gaan zonder veranderingen te ondergaan. Maar volgens de kwantumelektrodynamica – de theorie die de interacties tussen fotonen van licht en geladen deeltjes zoals elektronen beschrijft – wemelt de lege ruimte van de virtuele deeltjes die nu eens verschijnen en dan weer verdwijnen. Berekeningen op basis van de kwantumelektrodynamica voorspellen dat zeer sterke magnetisch velden de lege ruimte zodanig veranderen dat de polarisatie van passerend licht wordt beïnvloedt. Dit effect, dat vacuüm-dubbelbreking of vacuümpolarisatie wordt genoemd, kon tot nu toe echter niet experimenteel worden aangetoond. Waarnemingen met de Europese Very Large Telescope in het noorden van Chili hebben nu echter laten zien dat het licht van RX J1856.5-3754 een sterke (lineaire) polarisatie vertoont. Volgens de astronomen die de waarnemingen hebben gedaan laat deze polarisatie zich niet gemakkelijk verklaren zonder vacuüm-dubbelbreking. Er bestaan weliswaar nog andere processen die sterlicht kunnen polariseren, zoals de verstrooiing van licht aan stofdeeltjes, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat het waargenomen polarisatiesignaal daardoor is veroorzaakt. (EE)
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
30 november 2016 • Water mogelijk al aanwezig op jonge maan
Experimenten met nagemaakt maanstof laten zien dat er mogelijk al water aanwezig was op de jonge maan, afkomstig van het oorspronkelijke object waaruit aarde en maan beide ontstonden na een kosmische botsing, 4,5 miljard jaar geleden. Dat er wat water aanwezig is op de maan is al langer bekend, maar is dit later gebracht door inslagen van kometen en meteorieten of was dit al bij de vorming aanwezig? Experimenten, mede onder leiding van Wim van Westrenen van de Vrije Universiteit Amsterdam, laten zien dat uit de oorspronkelijke stoffen aanwezig op de maan, mineralen kunnen ontstaan die we nu zien op de maan, maar alleen als er vanaf het begin een kleine hoeveelheid water aanwezig was. Het team van Westrenen experimenteerde met nagemaakt maanstof, bestaande uit silicium en zuurstof met een fractie magnesium, calcium, ijzer, titanium en aluminium. Vervolgens werd de ontstaansgeschiedenis van de maan nagebootst door de monsters bloot te stellen aan hoge temperatuur en druk, waarbij nieuwe mineralen ontstonden. Alleen als er 0,5 tot 1 gewichtsprocent water aanwezig was, werden mineralen gevormd die we daadwerkelijk op de maan gevonden hebben, waaronder het plagioklaas waaruit de korst van de maan bestaat. (EM)
Meer informatie:
Moon-dust cake mix shows moon may have had water from the start

   
29 november 2016 • Eerste resultaten ExoMars-sonde vrijgegeven
Vandaag zijn de eerste resultaten vrijgegeven van ESA’s ExoMars-sonde, die sinds 19 oktober rond Mars draait. De sonde, die ook wel Trace Gas Orbiter wordt genoemd, draait nu in een elliptische baan die in 4,2 dagen varieert van 230-310 km hoogte tot 98000 km. De laatste twee omlopen, van 20 tot 28 oktober zijn gebruikt om de vier wetenschappelijke instrumenten te testen en te kalibreren. Data verkregen tijdens de eerste omloop laten zien wat we van de sonde mogen verwachten, als deze eind volgend jaar in zijn bijna ronde baan op 400 km hoogte is gebracht. Hoofddoel van de sonde is om de aanwezigheid van sporengassen in de atmosfeer in kaart te brengen. Deze maken maar 1 volumeprocent uit van de Marsatmosfeer en bestaan o.a. uit methaan, waterdamp, stikstofdioxide en acetyleen. Vooral methaan is interessant, omdat dit in de aardatmosfeer voornamelijk afkomstig is van biologische processen en in mindere mate van geologische. De twee instrumenten die deze metingen moeten doen, hebben nu laten zien meer dan opgewassen te zijn voor deze taak. Er werden nauwkeurige metingen gedaan aan waterdamp en kooldioxide. De mogelijkheden van het Colour and Stereo Surface Imaging System (CaSSIS) zijn ook getest met 11 afbeeldingen die werden gemaakt tijdens de dichtste nadering op 22 november. De sonde bewoog toen op een hoogte van 235 km boven de Hebes Chasma regio, iets ten noorden van de Mariner Vallei. (EM) 
Meer informatie:
First views of Mars show potential for ESA’s new orbiter

   
29 november 2016 • ‘Ultra-diffuse’ sterrenstelsels doen zich groter voor dan ze zijn
Astronomen van het Niels Bohr Institute in Kopenhagen hebben een mogelijke verklaring gevonden voor het bestaan van zogeheten ultra-diffuse sterrenstelsels. Dat zijn sterrenstelsels die net zo groot zijn als onze Melkweg, maar soms wel duizend keer zo weinig sterren bevatten. Dat zou het gevolg zijn van supernova-explosies (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 29 november). De eerste ultra-diffuse stelsels zijn pas vorig jaar ontdekt. Dat ze zo weinig sterren bevatten, maakt ze nu eenmaal moeilijk waarneembaar. En dat niet alleen: ze passen maar moeilijk in het plaatje van de evolutie van sterrenstelsels zoals astronomen dat nu voor ogen hebben. Volgens de meest gangbare theorie zijn grote sterrenstelsels zoals onze Melkweg geleidelijk gegroeid door constant nieuwe sterren te vormen en met kleine soortgenoten te fuseren. Maar blijkbaar bestaat er dus een categorie van sterrenstelsels die wél omvangrijk zijn, maar desondanks niet veel sterren bevatten. De oorzaak daarvan werd tot nu toe gezocht bij een overdaad aan donkere materie – materie die wel aantrekkingskracht uitoefent, maar niet bijdraagt aan de vorming van sterren. De Deense onderzoekers hebben nu met behulp van computersimulaties laten zien dat zulke sterrenarme stelsels ook op andere wijze kunnen zijn ontstaan. Als er tijdens het stervormingsproces in een klein sterrenstelsel veel supernova-explosies plaatsvinden, kan dat ertoe leiden dat sterren en donkere materie naar buiten worden verdreven. Hierdoor neemt de omvang van het stelsel toe, zonder dat er meer sterren bij komen. Als dit model klopt, zou het heelal moeten wemelen van de ultra-diffuse sterrenstelsels. Maar ondanks hun grote omvang zouden het simpelweg dwergstelsels zijn, die tien tot zestig keer zo weinig massa hebben als onze Melkweg. (EE)
Meer informatie:
Mystery of ultra-diffuse faint galaxies solved

   
24 november 2016 • Alpha Centauri heet voortaan officieel Rigil Kentaurus
Het klinkt een beetje als mosterd na de maaltijd, maar de Internationale Astronomische Unie (IAU) heeft haar goedkeuring gegeven aan de – al veel gebruikte – namen van 209 sterren. Tot nu toe hadden pas 18 sterren een ‘officiële’ naam. Astronomen maken om praktische redenen maar zelden gebruik van normale sternamen. Er zijn inmiddels al miljarden sterren in kaart gebracht, en het is ondoenlijk – en vooral ook onhandig – om die allemaal een eigen naam te geven. Bijna al die sterren worden simpelweg aangeduid met een combinatie van letters en cijfers. Dat neemt niet weg dat veel (oude) culturen voor de meest opvallende sterren namen hebben bedacht. Dat heeft ertoe geleid dat sommige sterren meer dan één naam hebben gekregen, die dan vaak ook nog op verschillende manieren wordt gespeld. Om een beetje orde in de naamgeving aan te brengen, heeft een werkgroep van de IAU voor een aantal van die sterren besloten welke naam de officiële is. Daarbij is de voorkeur gegeven aan korte namen van één woord die geworteld zijn in een astronomische of culturele traditie. Naar verwachting zullen de komende jaren nog meer sterren van een officiële naam worden voorzien. Het is overigens niet voor het eerst dat de IAU zich met historische naamgevingen bemoeit. Bijna een eeuw geleden werden ook de benamingen van de 88 sterrenbeelden onder de loep genomen. Bij die gelegenheid zijn ook de grenzen van de sterrenbeelden nauwkeurig gedefinieerd. (EE)
Meer informatie:
IAU Formally Approves 227 Star Names

   
23 november 2016 • 'Meetfout' was oorzaak van crash Europese Marslander
De crash van de Europese Marslander Schiaparelli, op 19 oktober jl., is veroorzaakt door een nog onverklaarbare storing in de ‘inertial measurement unit’, een systeem van sensoren dat informatie geeft over de krachten die op een toestel werken. Als gevolg hiervan werd de boordcomputer gevoerd met foute gegevens en werd de parachute van de lander vroegtijdig afgestoten. Dat heeft het Europese ruimteagentschap ESA woensdag bekendgemaakt. De foute informatie leverde een hoogteschatting met een negatieve waarde op – een positie onder de grond dus. Daaruit leidde Schiaparelli’s computer af dat de landing al een feit was of op het punt stond om plaats te vinden. Vandaar ook dat de remraketten maar heel kort na het loskoppelen van de parachute hebben gewerkt en de systemen werden geactiveerd die normaal gesproken pas na een geslaagde landing worden ingeschakeld. In werkelijkheid bevond Schiaparelli zich echter nog 3,7 kilometer boven het Marsoppervlak. Hoewel de Marslanding ‘maar’ een test was, en Schiaparelli bijna op alle punten goed heeft gewerkt, heeft de crash behoorlijk wat slechte publiciteit opgeleverd. In het licht van het vervolg van de Europees-Russische Marsmissie, dat voor 2020 op het programma staat, is dat natuurlijk niet best. Temeer omdat de financiering ervan nog lang niet rond is. Begin december komen regeringsvertegenwoordigers van de ESA-lidstaten in het Zwitserse Luzern bijeen om te praten over de ruimtevaartbegroting voor de komende jaren. Sommige lidstaten hebben al aangegeven dat ze er weinig in zien om nog eens 300 miljoen euro in de Marsmissie te steken. Maar voorlopig lijkt het erop dat grote geldschieters als Italië en Rusland mee blijven doen. (EE)
Meer informatie:
ESA: Mars lander crash caused by 1-second inertial measurement error

   
23 november 2016 • Europese wetenschappelijke ruimtemissies krijgen respijt
De wetenschappelijke-programmacommissie van het Europese ruimteagentschap ESA heeft besloten om negen wetenschappelijke missies met twee jaar te verlengen. Daarmee is hun toekomst tot eind 2018 gegarandeerd. Het gaat om de ‘solo-missies’ Cluster, INTEGRAL, Mars Express, PROBA-2, SOHO en XMM-Newton en drie internationale missies waar ESA een aandeel in heeft (Hubble, IRIS en Hinode). Het doorlichten van de bestaande Europese ruimtemissies is een ritueel dat eens in de twee jaar plaatsvindt. De missies SOHO, PROBA-2, Hinode, IRIS en Cluster maken deel uit van een omvangrijk onderzoeksprogramma van de zon en het ‘ruimteweer’ (de invloed die de zon uitoefent op de magnetosfeer van de aarde. Mars Express is al dertien jaar bezig om de planeet Mars en zijn manen te onderzoeken. Binnenkort krijgt hij daarbij versterking van de Trace Gas Orbiter, die in oktober is gearriveerd. XMM-Newton, Hubble en INTEGRAL verkennen het heelal op uiteenlopende golflengten – van zichtbaar licht tot gammastraling. (EE)
Meer informatie:
Two-year extensions confirmed for ESA's science missions

   
23 november 2016 • Mars’ Utopia Planitia bevat even veel water als Lake Superior
Onder het oppervlak van de regio Utopia Planitia op Mars bevindt zich een grote hoeveelheid waterijs, zo blijkt uit radarwaarnemingen gedaan met NASA’s Mars Reconnaissance Orbiter, die werden verzameld tijdens meer dan 600 passages van deze sonde over dit gebied. De hoeveelheid bevroren water komt overeen met die in het grootste van de Amerikaanse Grote Meren, Lake Superior. Utopia Planitia bevindt zich halverwege de noordpool en de evenaar en is een laagte in het landschap met een diameter van ongeveer 3300 km. Waarschijnlijk heeft zich hier langgeleden sneeuw afgezet, vermengd met stof, dat is omgezet in een ijslaag van 80 tot 170 meter dik, afgedekt met een laag grond van 1 tot 10 meter diep, die het ijs beschermd tegen smelten en verdampen. De ijslaag bevat ook veel grond, maar 50 tot 85% is ijs. Het onderzoek is onlangs gepubliceerd in het tijdschrift Geophysical Research Letters. De draaiingsas van Mars heeft nu een hellingshoek van 25 graden en veel waterijs verzamelt zich aan de polen. Maar in een cyclus van 120.000 jaar schommelt de as ook naar bijna 50 graden, waardoor de poolstreken warmer worden en het ijs zich verplaatst naar lagere breedtegraden. De hoeveelheid ijs die nu is ontdekt, vertegenwoordigd maar ongeveer 1% van al het water op Mars, maar is waarschijnlijk het best toegankelijk voor toekomstige Marsreizigers. De ontdekkers werden op het spoor gezet door schelpachtige depressies in het oppervlak van Utopia Planitia, die ook bekend zijn van permafrost lagen in Canada. (EM) 
Meer informatie:
Mars ice deposit holds as much water as Lake Superior

   
22 november 2016 • Spiraalpatronen van stervorming in oude sterrenstelsels
Grote sterrenstelsels komen ruwweg voor in twee vormen: spiraalstelsel met een platte schijf met sterren, rijk aan gas en stof, waaruit nog steeds nieuwe sterren ontstaan, en elliptische stelsels, arm aan gas en stof, waarin de stervorming is gestopt en oude, rode sterren de overhand hebben. Maar sinds enige tijd zien we dat er in elliptische sterren nog best wat stervorming op kan treden. Een team van het Portugese Instituto de Astrofísica e Ciências do Espaço gebruikte waarnemingen van de Sloan Digital Sky Survey en de CALIFA survey om zeer moeilijk waarneembare stervorming in elliptische sterrenstelsels in kaart te brengen. En deze stervormingsgebieden laten een spiraalstructuur zien die weer doet denken aan die van spiraalstelsels. Waarschijnlijk zijn dezelfde soort processen verantwoordelijk voor het ontstaan van de spiraalstructuur in beide soorten stelsels. (EM)
Meer informatie:
Spiral-like patterns of star formation discovered in old galaxies

   
22 november 2016 • Spannende tijden voor ruimtesonde Cassini
Er breken spannende tijden aan voor de ruimtesonde Cassini, die al sinds 2004 om de planeet Saturnus cirkelt. Op 29 november zal hij door het zwaartekrachtveld van de grote maan Titan in een polaire omloopbaan worden geslingerd, van waaruit hij goed zicht heeft op de polen van Saturnus. Deze omloopbaan voert hem bovendien dicht langs de buitenste rand van het ringenstelsel van de planeet. Alles bij elkaar zal Cassini twintig keer langs het ringenstelsel scheren. Daarbij zullen zijn instrumenten proberen om ringdeeltjes en gasmoleculen te detecteren. Tijdens de eerste beide omlopen doorkruist de ruimtesonde een extreem ijl gedeelte van het ringenstelsel, dat bestaat uit deeltjes die zijn vrijgekomen bij meteorietinslagen op de kleine Saturnusmanen Janus en Epimetheus. Tijdens de vele ringpassages zullen detailrijke opnamen van het ringenstelsel worden gemaakt. Ook de kleine maantjes die aan de rand van het ringenstelsel om Saturnus cirkelen komen daarbij in beeld. En mogelijk zullen er zelfs nog een aantal ‘mini-maantjes’ worden opgespoord – objecten die als de veroorzakers worden gezien van propellervormige structuren die her en der in het ringmateriaal zijn waargenomen. Zijn nieuwe omloopbaan brengt Cassini tot op 90.000 kilometer van het wolkendek van Saturnus. Maar dat is nog maar een voorproefje van de dingen die na april te gebeuren staan. Omdat de brandstof van de ruimtesonde opraakt, is het einde van zijn missie in zicht. Op 15 september 2017 zal hij een fatale duik maken in de atmosfeer van Saturnus. Vóór het zover is, zal hij eind april echter nog een laatste keer langs Titan scheren. Dat moet hem in een baan brengen die hem tot op 1628 kilometer van het wolkendek van Saturnus voert. Van zó dichtbij is de planeet nog nooit waargenomen. (EE)
Meer informatie:
NASA Saturn Mission Prepares for 'Ring-Grazing Orbits'

   
21 november 2016 • Cygnus X-3’s kleine vriend: geboorte en dood van een ster
Een röntgenbron in de buurt van Cygnus X-3 is de geboorteplaats van een nieuwe ster, zo blijkt uit waarnemingen gedaan met de Submillimeter Array op Mauna Kea in Hawaï. Cygnus X-3 is een bekende röntgenbron in het sterrenbeeld Zwaan, die uitvoerig is bestudeerd met het Chandra-röntgenobservatorium. Het is een compact object - neutronenster of zwart gat, overblijfsel van de dood van een zware ster - dat gas onttrekt aan een zware, begeleidende ster. In de accretieschijf rond het compacte object wordt veel röntgenstraling opgewekt. In 2003 ontdekte men met Chandra een veel zwakkere bron, dicht bij de Cygnus X-3. De bron was niet puntvorming maar wolkvormig. Ongeveer tien jaar later meldde men dat het een compacte gas- en stofwolk is, die de straling van de heldere bron weerkaatst. De wolk varieert in hetzelfde tempo in helderheid als de heldere bron, een duidelijk bewijs dat het een weerkaatsing betreft. De wolk is klein, minder dan 0,7 lichtjaar in diameter, en kreeg de bijnaam ‘Little Friend’, vanwege zijn nabijheid tot Cygnus X-3. Vermoed werd dat deze kleine wolk een zogeheten Bok-globule is: een compacte, moleculaire wolk waar een nieuwe ster wordt geboren. Het bewijs daarvoor is nu geleverd door waarnemingen op submillimetergolflengten. Daarmee kon koolmonoxide worden aangetoond in de wolk. Bovendien werden twee jets ontdekt die uit de wolk spuiten. Dit soort jets zijn een kenmerk voor pasgeboren sterren. De ontdekking is onlangs on-line gepubliceerd in The Astrophysical Journal Letters. (EM)  
Meer informatie:
Cyg X-3's Little Friend: a stellar circle of life

   
21 november 2016 • Zwakste satellietstelsel van Melkweg ontdekt
Met de Japanse 8,2 meter Subaru-telescoop in combinatie met een gevoelige camera met groot beeldveld is een tot nog toe onbekende begeleider van onze Melkweg ontdekt. Deze is de minst heldere die we nu kennen.  Ons Melkwegstelsel heeft ongeveer 50 satellietstelsels, waarvan de Magelhaense Wolken de grootste en de helderste zijn. Zo’n 40 hiervan zijn zeer lichtzwak en behoorlijk uitgebreid (diffuus) en daardoor zeer lastig te herkennen. Maar waarnemingen aan deze stelsels kunnen ons veel leren over de ontstaansgeschiedenis van onze eigen Melkweg. Volgens de huidige theorieën voor het ontstaan van onze Melkweg, waarbij donkere materie een grote rol speelt, zou onze Melkweg omringd moeten zijn door honderden kleine satellietstelsels. Daarvan kennen we er dus maar ca. 50, wat de reden is dat er naar de anderen wordt gezocht. Blijken deze er echt niet te zijn, dan moeten de ideeën over de rol van donkere materie wellicht worden herzien. Het nieuwe stelsel, Virgo 1 genoemd, staat in het sterrenbeeld Maagd. (EM)
Meer informatie:
Record-breaking faint satellite galaxy of the Milky Way discovered

   
21 november 2016 • Nog meer oude sterren ontdekt in het hart van de Melkweg
Een internationaal team van astronomen heeft een nieuwe populatie van sterren ontdekt in het hart van onze Melkweg. De sterren vertonen dezelfde chemische signatuur als de sterren in zogeheten bolvormige sterrenhopen. De ontdekking versterkt het vermoeden dat dergelijke sterrenhopen hebben bijgedragen aan de vorming van het uitpuilende centrum van ons sterrenstelsel. De ontdekking is gedaan bij infraroodonderzoek van sterren die in het centrale deel van de Melkweg te vinden zijn. Over dat deel van ons sterrenstelsel bestaat nog veel onduidelijkheid, omdat het aan het zicht wordt onttrokken door grote hoeveelheden stof. Op infrarode golflengten zijn die stofwolken min of meer doorzichtig. Hierdoor konden de astronomen de chemische samenstellingen van duizenden sterren in dit deel van de Melkweg bepalen. Uit de metingen blijkt dat de chemische samenstelling van een flink aantal sterren afwijkt van die van het overgrote deel van de sterren in het hart van de Melkweg. Zo vertonen ze een duidelijk overschot aan stikstof. In dat opzicht lijken ze op de sterren van bolvormige sterrenhopen – samenballingen van honderdduizenden sterren die tot de oudste van de Melkweg behoren. Vermoed wordt dat de ontdekte sterren oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van bolvormige sterrenhopen die al vroeg in de ontstaansfase van onze Melkweg zijn ‘opgeslokt’. De astronomen schatten dat ons sterrenstelsel oorspronkelijk tien keer zoveel bolvormige sterrenhopen had als nu. Het is overigens niet voor het eerst dat een populatie van oude sterren in het Melkwegcentrum is aangetroffen. Nog maar een maand geleden maakte een ander team van astronomen de ontdekking bekend dat ze zogeheten RR Lyrae-sterren in dit deel van de Melkweg hadden opgespoord. Ook die zouden oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van bolvormige sterrenhopen. (EE)
Meer informatie:
New family of stars discovered in Milky Way shed new light on Galaxy’s formation

   
18 november 2016 • Europese Marssonde gaat eerste metingen doen
De Europese Trace Gas Orbiter (TGO) – onderdeel van de ExoMars-missie – maakt zich op voor zijn eerste wetenschappelijke waarnemingen van de planeet Mars. De waarnemingen staan gepland voor volgende week. De TGO is op 19 oktober jl. aangekomen bij Mars. Hij volgt nu nog een sterk elliptische baan, waarvan het verste punt 98.000 kilometer van de planeet verwijderd is en het meest nabije punt maar 230 tot 310 kilometer. Deze omloopbaan is niet geschikt voor het geplande onderzoeksprogramma van de ruimtesonde, maar er kunnen wel al testmetingen worden gedaan. Ook zal de TGO waarnemingen doen van de kleine Marsmaan Phobos en een aantal foto’s maken van Mars zelf. De eigenlijke onderzoeksmissie zal pas beginnen wanneer de omloopbaan van de ruimtesonde is omgevormd tot een cirkelbaan op ongeveer 400 kilometer hoogte. Om die omloopbaan te kunnen bereiken, zal de TGO het komende jaar regelmatig door de bovenste lagen van de Marsatmosfeer scheren – een techniek die ‘aerobraking’ wordt genoemd. Pas in maart 2018 zulle de eerste ‘echte’ metingen worden gedaan. (EE)
Meer informatie:
ESA’s new Mars orbiter prepares for first science

   
17 november 2016 • Heldere radioflits geeft informatie over intergalactische ruimte
Waarnemingen van de helderste ‘snelle radioflits’ die tot nu toe is waargenomen, hebben meer inzicht gegeven in de kenmerken van de ijle materie waarmee de ruimte tussen de sterrenstelsels gevuld is (Science, 17 november). Over de oorzaak van deze korte uitbarstingen van radiostraling zelf bestaat nog veel onduidelijkheid. De onderzochte radioflits, die de aanduiding FRB 150807 heeft gekregen, werd in 2015 gespot door de Parkes-radiotelescoop in Australië. Dat gebeurde toen de radiotelescoop net bezig was met waarnemingen van een pulsar – een snel roterende neutronenster die eveneens radiostraling uitzendt – in onze eigen Melkweg. Vanaf de aarde gezien vond de radioflits vlak naast de pulsar plaats, maar in werkelijkheid trad hij op in een sterrenstelsel dat een miljoen keer verder weg staat. Snelle radioflitsen hebben een reis van miljarden (licht)jaren achter de rug. Daarbij zijn ze onderweg de nodige intergalactische materie tegengekomen, en daardoor vertoont de opgevangen twinkelingen die vergelijkbaar zijn met het twinkelen van een ster waarvan het licht door de aardatmosfeer is gegaan. Door deze radioflitsen te onderzoeken, kunnen astronomen dus meer te weten komen over dat deel van de ruimte waar de radioflits doorheen is gegaan. De radiostraling van FRB 150807 lijkt slechts zwak te zijn verstoord door de materie binnen zijn eigen sterrenstelsel. Dat is in strijd met het vermoeden dat sommige astronomen hebben dat snelle radioflitsen ontstaan in een materierijke omgeving met sterke magnetische velden. Een andere vaststelling is dat de radiostraling onderweg niet veel hinder heeft ondervonden van het intergalactische medium. Dat wijst erop dat het ijle gas tussen de sterrenstelsels niet turbulenter is dan theoretisch al was voorspeld. (EE)
Meer informatie:
Bright Radio Bursts Probe Universe’s Hidden Matter

   
17 november 2016 • Rosetta’s komeet had koolstofdioxide-ijs aan zijn oppervlak
Enkele maanden voordat de komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko vorig jaar zijn kleinste afstand tot de zon bereikte, was er koolstofdioxide-ijs aan zijn oppervlak te zien – iets dat nog nooit eerder bij een komeet was waargenomen. Later doken ook twee ongewoon grote plekken met bevroren water op. Een en ander blijkt uit waarnemingen van de Europese ruimtesonde Rosetta, die tot voor kort om de komeet cirkelde (Science, 18 november). De laag koolstofdioxide-ijs was ongeveer zo groot als een voetbalveld, de twee waterijsplekken waren groter dan een Olympisch zwembad. De ijslagen bevonden zich allemaal in hetzelfde gebied, dat tot augustus 2015 aan de schaduwkant van de komeet lag. Toen ook dat deel van de komeet door de zon werd beschenen, verdampte het oppervlakte-ijs snel. Het bestaan van de ijslagen werd in maart 2015 opgemerkt door de infraroodspectrometer VIRTIS, die ook het donkere deel van komeet 67P kon onderzoeken. Dat een komeet als 67P koolstofdioxide bevat is niet echt verrassend: het is na water het meest voorkomende gas dat een komeet tijdens zijn nadering van de zon uitstoot. Maar het valt niet mee om dit gas in vaste toestand op het oppervlak van een komeet waar te nemen. Koolstofdioxide is namelijk een zeer vluchtige verbinding die in het vacuüm van de ruimte al bij een temperatuur van 193 graden onder nul verdampt. Drie weken na zijn ontdekking was het koolstofdioxide-ijs alweer verdwenen. De wetenschappers vermoeden dat het waargenomen koolstofdioxide-ijs tijdens de vorige ‘zomer’ vanuit het nog relatief warme inwendige van de komeet op weg was naar buiten, maar door de kort daarop invallende kou werd ‘verrast’ en op het oppervlak achterbleef. (EE)
Meer informatie:
Icy surprises at Rosetta's comet

   
17 november 2016 • Mexicaanse boormonsters laten zien hoe de grootste kraters ontstaan
Aardwetenschappers hebben boormonsters genomen van de ‘piekring’ in het centrum van de grote Chixculub-krater voor de kust van Mexico. Uit een analyse van het materiaal blijkt dat kring van bergen bestaat uit graniet dat diep uit de aardkorst afkomstig is. Dat is in overeenstemming met de bestaande theorie over het ontstaan van piekringen (Science, 18 november). De Chicxulub-krater is veroorzaakt door een planetoïde die zich 65 miljoen jaar geleden in de aardkorst heeft geboord. Alleen bij grote inslagen zoals deze ontstaat een piekring in plaats van een enkelvoudige centrale berg, zoals ook is gebleken uit onderzoek van kraters op onder meer de maan en Venus. Vermoed wordt dat de Chicxulub-inslag de oorzaak – of één van de oorzaken – is geweest van het uitsterven van de dinosauriërs en tal van andere diersoorten. Computermodellen voorspellen dat de planeetkorst na zo’n grote inslag ‘terugveert’, waardoor er in het centrum van de krater een kolossale centrale berg ontstaat. Deze ‘superberg’, die dus zou bestaan uit materiaal dat van grote diepte komt, is echter dermate instabiel dat dit materiaal zich vrijwel onmiddellijk over de omgeving verspreidt. Hoewel deze gang van zaken heel plausibel lijkt, was het materiaal waaruit zo’n piekring bestaat nog nooit goed onderzocht. Op aarde is maar een handjevol inslagbekkens te vinden die groot genoeg zijn om een piekring te hebben gehad. Maar op de Chicxulub-krater na zijn die allemaal sterk verweerd. Daarom zijn wetenschappers afgelopen voorjaar bij Mexico de zee opgegaan, om ruim een kilometer diep de zeebodem in te boren. Daarbij is op de plek van de piekring lichtrood graniet aangetroffen dat grote kristallen bevat. Dat laatste is een aanwijzing dat het graniet op een diepte van acht tot tien kilometer is ontstaan. Het ziet er dus echt naar uit dat het materiaal waaruit de piekring bestaat oorspronkelijk diep in de aardkorst heeft gezeten. (EE)
Meer informatie:
Rock core from dinosaur-killing impact reveals how enormous craters form

   
16 november 2016 • Fundamentele natuurconstante is écht constant
Australische en Britse astronomen hebben vastgesteld dat de ‘fijnstructuurconstante’ – een getal dat aangeeft hoe sterk de kracht is die elektrische ladingen op elkaar uitoefenen – de laatste acht miljard jaar onveranderd is gebleven. Dat blijkt uit onderzoek van het licht van een zogeheten quasar – de heldere kern van een extreem ver sterrenstelsel – dat onderweg naar de aarde deels is geabsorbeerd door het gas in een sterrenstelsel dat ‘slechts’ acht miljard lichtjaar van ons verwijderd is. Uit het patroon van absorptielijnen dat op deze manier in het quasarspectrum is ontstaan kan worden afgeleid welke waarde de fijnstructuurconstante acht miljard jaar geleden had. En dat heeft een getal opgeleverd dat tot op 0,0001 procent gelijk is aan de fijnstructuurconstante zoals we die nu op aarde meten. De afgelopen jaren zijn vaker metingen gedaan van de waarde van de fijnstructuurconstante in verre sterrenstelsels. In de meeste gevallen waren de uitkomsten daarvan in overeenstemming met de aardse waarde. De constante lijkt ook ongevoelig te zijn voor sterke zwaartekrachtsvelden. (EE)
Meer informatie:
Cosmic ‘barcode’ from distant galaxy confirms Nature’s constancy

   
16 november 2016 • Verre ster is ronder dan rond
Een internationaal team van astronomen is erin geslaagd om de afplatting van een traag roterende ster te meten. De 5000 lichtjaar verre ster blijkt van pool tot pool maar drie kilometer korter te zijn dan in de breedte. Dat is een verbluffend klein verschil voor een object van 1,5 miljoen kilometer (Science Advances, 16 november). Sterren zijn doorgaans niet volmaakt rond. Naarmate ze sneller om hun as draaien, zijn ze sterker afgeplat. Bij onze zon – rotatietijd ruwweg vier weken – bedraagt de afplatting een kilometer of tien. Aangezien sterren heel ver weg staan, en vanaf de aarde gezien dus heel klein lijken, is het geen eenvoudige opgave om hun vorm te meten. Bij de meting van de vorm van de pulserende ster KIC 11145123 is dan ook gebruik gemaakt van een indirecte techniek: de asteroseismologie. Daarbij wordt gekeken naar inwendige trillingen die sterren vertonen. Deze trillingen veroorzaken kleine fluctuaties in het licht van de ster. De astronomen hebben KIC 11145123 voor hun onderzoek uitgekozen, omdat zijn trillingen een heel gelijkmatig patroon vertonen – een zuivere sinusvorm. De trillingen van deze ster zijn ruim vier jaar geregistreerd door de Amerikaanse Kepler-satelliet. Uit een analyse van de metingen blijkt dat de ster ronder is dan je op grond van zijn rotatiesnelheid zou verwachten. Vermoed wordt dat dit komt door de aanwezigheid van een zwak magnetisch veld rond de ster dat het ‘uitpuilen’ aan de evenaar tegengaat. (EE)
Meer informatie:
Distant star is roundest object ever observed in nature

   
16 november 2016 • Nieuwe analyse bevestigt dat Pluto een ondergrondse oceaan kan hebben
Een nieuwe analyse, gebaseerd op computermodellen, geeft aan dat er onder de ijskorst van de dwergplaneet Pluto een oceaan van water schuil kan gaan. En datzelfde zou ook wel eens kunnen gelden voor andere grote objecten in de Kuipergordel – het buitengebied van ons zonnestelsel. De resultaten bevestigen daarmee de conclusies van onderzoek door wetenschappers van Brown University, die in september werden gepubliceerd (Nature, 17 november). Het nieuwe onderzoek richtte zich met name op de grote ijsvlakte Sputnik Planitia die een opvallende verschijning is op de opnamen die de Amerikaanse ruimtesonde New Horizons vorig jaar van Pluto heeft gemaakt. Dit laaggelegen gebied ligt vrijwel precies op de zogeheten getijdenas van de dwergplaneet – de denkbeeldige lijn die Pluto verbindt met zijn grootste maan, Charon. Volgens twee internationale wetenschapsteams kan het feit dat Sputnik Planitia vanaf Charon gezien precies aan de achterkant van Pluto ligt bijna geen toeval zijn, en hun computermodellen lijken dat vermoeden te bevestigen. De berekeningen laten zien dat Pluto uit zichzelf zo kan zijn gedraaid dat Sputnik Planitia precies tegenover Charon is komen te liggen. Voorwaarde is wel dat zich in de korst ter plaatse meer massa heeft verzameld dan elders. De vraag is nu waar die extra massa vandaan komt. Vermoed wordt dat Sputnik Planitia is ontstaan door een grote inslag, maar zo’n groot ‘gat in de grond’ is niet een plek waar je een significant massaoverschot verwacht. De wetenschappers denken nu dat zich het volgende scenario heeft voltrokken. Door de terugslag die na een grote inslag optreedt, zou de verzwakte ijskorst omhoog zijn gedrukt door het water van een onderliggende oceaan. Vervolgens zou zich op de ‘teruggeveerde’ bodem van het inslagbekken geleidelijk bevroren stikstof, afkomstig uit de atmosfeer, hebben afgezet. Zo is een waarschijnlijk zeven kilometer dik pak stikstofijs ontstaan met voldoende massa om de (vermeende) draaiing Pluto te veroorzaken. Dat is overigens niet de enige aanwijzing dat er onder Sputnik Planitia een oceaan schuilgaat. Het geleidelijk bevriezen van deze oceaan zou tot spanningen in de ijskorst leiden, die uiteindelijk in breukvorming resulteren. Dergelijke breuken zijn op de opnamen die New Horizons van Pluto heeft gemaakt inderdaad te zien. (EE)
Meer informatie:
New analysis adds to support for a subsurface ocean on Pluto

   
16 november 2016 • Grote vallei ontdekt op Mercurius
Wetenschappers hebben een nieuwe grote vallei ontdekt op Mercurius. De vallei zou het eerste ‘tastbare’ bewijs kunnen zijn van het kromtrekken van de buitenste korst van de planeet, die het gevolg is van zijn algehele samentrekking. De vallei is ontdekt op een nieuw gedetailleerde topografische kaart van het zuidelijk halfrond van Mercurius (Geophysical Research Letters, 16 november). De grote vallei is ongeveer 400 kilometer breed en hij is ongeveer drie kilometer diep. De vallei strekt zich over meer dan duizend kilometer uit en komt uit in het Rembrandt-bekken, een van de grootste en jongste inslagbekkens op Mercurius. Anders dan bij de aarde bestaat de lithosfeer van Mercurius – de buitenste harde laag – niet uit een aantal losse platen: hij bestaat uit één stuk. Het afkoelen en krimpen van van de planeet leidt ertoe dat die planeetomvattende plaat krimpt en kromtrekt. Waar de krachten die op de plaat werken het grootst zijn, treedt breukvorming op. (EE)
Meer informatie:
Great Valley Found on Mercury

   
16 november 2016 • Enorme supercluster van sterrenstelsels ontdekt
Een internationaal team van astronomen, onder wie de Leidse sterrenkundige Maciej Bilicki, heeft een enorme supercluster van sterrenstelsels ontdekt. De supercluster was tot nu toe over het hoofd gezien omdat onze eigen Melkweg in de weg zit. De onderzoekers publiceren hun bevindingen binnenkort in het vakblad Monthly Notices of the Royal Astronomical Society Letters. Sterrenkundigen uit Zuid-Afrika, Nederland, Duitsland en Australië kwamen de supercluster op het spoor nadat ze met de Southern African Large Telescope acht kleinere clusters van sterrenstelsels hadden ontdekt in het zuidelijke sterrenbeeld Vela (Zeilen). Vervolgens richtten ze de Anglo-Australian Telescope in Australië op het gebied en ontdekten ze nog eens duizenden sterrenstelsels. Superclusters zijn de grootste en zwaarste structuren in ons heelal. Het bekendste voorbeeld is de Shapley Supercluster op ongeveer 650 miljoen lichtjaar van ons vandaan. Deze bevat duizenden sterrenstelsels met elk weer miljarden sterren. De nu ontdekte Vela Supercluster staat op 800 miljoen lichtjaar afstand en lijkt zelfs groter dan Shapley. In de toekomst willen de sterrenkundigen de supercluster nader onderzoeken. Er staan grote meetcampagnes op stapel met diverse optische telescopen en met radiotelescopen die de zogeheten ‘Zone of Avoidance’, het gebied dat door onze eigen Melkweg aan ons zicht wordt onttrokken, verder gaan ontginnen. 
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
16 november 2016 • Voor het eerst aangetoond: getijden vervormen Saturnus
Dankzij de analyse van duizenden beelden van de manen van Saturnus gemaakt door de ruimtesonde Cassini (NASA/ESA) kon de internationale onderzoeksgroep ENCELADE, waartoe enkele leden van de Koninklijke Sterrenwacht van België behoren, aantonen dat er kleine fluctuaties zijn in het gravitatieveld van Saturnus. Deze zijn het gevolg van de getijdenwerking door de manen van de planeet. Het Saturnus-systeem is buitengewoon complex: de planeet is omgeven door ringen en maar liefst 62 manen. De ruimtesonde Cassini, die sinds 2004 in een baan rond de reuzenplaneet cirkelt, heeft een groot aantal beelden van de planeet en haar omgeving kunnen doorsturen. Na analyse van duizenden beelden van vijftien van de satellieten, heeft de onderzoeksgroep voor het eerst de minieme variaties in het zwaartekrachtveld van de planeet, die een gevolg zijn de getijdenwerking, kunnen observeren. Getijdenwerking is een gevolg van de verschillen in aantrekking van één hemellichaam op de verschillende plaatsen van een ander. Het lichaam dat de getijden ondervindt, krijgt dan een ellipsoïdale vorm, een beetje zoals een rugbybal. Als gevolg daarvan, zal het gravitatieveld van het vervormde object – in dit geval Saturnus – veranderen en dat zorgt dan weer voor afwijkingen in de bewegingen van wat er omheen draait – in dit geval de manen. Om deze minieme afwijkingen te kunnen detecteren, konden de onderzoekers gebruik maken van de speciale configuratie rond de Saturnusmanen Tethys en Dione. Deze delen hun omloopbaan met twee kleinere maantjes, waarvan de één 60° voorloopt op de grotere maan en de ander 60° achterloopt. Door de vervorming van Saturnus ten gevolge van de getijdenwerking van Tethys en Dione vertoont de baanbeweging van deze kleine maantjes kleine afwijkingen. Van jaar tot jaar zijn deze afwijkingen gering, maar ze stapelen zich wel op, waardoor na tien jaar afwijkingen van enkele tientallen kilometers waarneembaar zijn. De variaties in het zwaartekrachtveld van Saturnus leren ons meer over het inwendige van de planeet. Samen met de gegevens die de sonde Cassini zal verzamelen wanneer zij in september 2017 in de atmosfeer van de planeet duikt, zal een antwoord kunnen worden gegeven worden op de cruciale vraag over de centrale kern van de planeet: is het een harde, vaste kern of is de dichtheid kleiner?
Meer informatie:
Volledig persbericht