22 augustus 2016 • Zware ster ontstaat ook uit ronddraaiende gasschijf
De allerzwaarste sterren in het Melkwegstelsel zijn vermoedelijk op dezelfde manier ontstaan als lichtere sterren zoals de zon: uit een samentrekkende, afgeplatte, ronddraaiende schijf van gas en stof. Dat blijkt uit radiowaarnemingen van een zware protoster, die vandaag gepubliceerd zijn in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Zware sterren leven veel korter en zijn veel zeldzamer dan lichtere sterren. Ook hun geboorte voltrekt zich veel sneller: in hooguit 100.000 jaar. Daardoor is het moeilijk om de vorming van een zware ster te bestuderen: de kans dat je er één ziet tijdens zijn geboorteproces is klein, en omdat ze zeldzaam zijn, is het ook onwaarschijnlijk dat je er een aantreft op kleine afstand. Astronomen van de Universiteit van Cambridge hebben nu een zware protoster ontdekt in een ondoorzichtige donkere stofwolk op een kleine 11.000 lichtjaar afstand van de aarde. De ster is bestudeerd met radiotelescopen op Hawaii en in de Verenigde Staten. Op radiogolflengten is het mogelijk om door het omringende stof heen te kijken. Uit de metingen blijkt dat de ster nu al 30 keer zo zwaar is als de zon, maar nog steeds materie uit zijn omgeving aantrekt en opslokt. Het belangrijkste resultaat van de radiowaarnemingen is echter dat de ster omgeven wordt door een ronddraaiende schijf van gas en stof, die in het centrum een hogere rotatiesnelheid heeft dan aan de rand - precies zoals de materieschijf waaruit de zon en de planeten zijn ontstaan. Dat wijst erop dat de zware ster op dezelfde manier ontstaat als lichtere sterren zoals de zon. De schijf rond de zware protoster heeft een massa van minstens 2 à 3 zonsmassa's. Mogelijk is hij nog aanzienlijk zwaarder; het is volgens de onderzoekers niet uitgesloten dat hij in de toekomst zal fragmenteren, en dat er meerdere zware sterren uit ontstaan. Toekomstige waarnemingen met het ALMA-observatorium in Chili moeten meer details aan het licht brengen. (GS)
Meer informatie:
Astronomers identify a young heavyweight star in the Milky Way (origineel persbericht)

   
19 augustus 2016 • Ontstaanstemperatuur bepaalt leefbaarheid van planeet in 'bewoonbare zone'
Wanneer is een aarde-achtige planeet 'bewoonbaar'? Sterrenkundigen hebben altijd aangenomen dat de afstand van de planeet tot zijn moederster daarbij de bepalende factor is. Staat de planeet te dicht bij de ster, dan is het er te heet; staat hij te ver weg, dan is het te koud. Alleen in een relatief smalle 'bewoonbare zone' zouden de omstandigheden gunstig zijn voor het bestaan van vloeibaar water aan het oppervlak en voor het ontstaan van leven. Nieuwe modelberekeningen van geoloog Jun Korenaga van Yale University, vandaag gepubliceerd in Science Advances, wijzen echter uit dat de ontstaanstemperatuur van de planeet ook een belangrijke rol speelt. Aarde-achtige planeten ontstaan door het samenklonteren van kleinere hemellichamen. Daarbij komt enorm veel warmte vrij. Korenaga's berekeningen laten zien dat de ontstaanstemperatuur van de planeet niet al te veel af mag wijken van een optimale waarde om het proces van mantelconvectie op gang te brengen. Op aarde is mantelconvectie de oorzaak van vulkanisme, plaattektoniek, en van het ontstaan van continenten en oceanen. Mantelconvectie heeft een belangrijke zelfregulerende invloed op de evolutie van een rotsachtige planeet. Als de aarde bij haar ontstaan minder heet of juist veel heter was geweest, aldus Korenaga, was mantelconvectie nooit op gang gekomen, en zou de planeet nu vermoedelijk niet 'bewoonbaar' zijn, ondanks het feit dat hij zich in de 'bewoonbare' zone van de zon bevindt. (GS)
Meer informatie:
A new Goldilocks for habitable planets (origineel persbericht)

   
19 augustus 2016 • Curiosity legt Murray Buttes vast in nieuw 360-graden-panorama
De Amerikaanse Marswagen Curiosity, die onderzoek doet op de hellingen van Mount Sharp in de grote Marskrater Gale, heeft een nieuw 360-graden-panorama gefotografeerd van zijn omgeving. De opvallendste geologische structuren op de panoramafoto zijn de zogeheten Murray Buttes. Buttes (oorspronkelijk een Frans woord) zijn afgevlakte 'tafelbergen' zoals ze veel voorkomen in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Het gaat om sedimentatiegesteenten die in de loop van miljoenen jaren zijn geërodeerd. Op plaatsen waar het gesteente harder is dan normaal vindt de erosie minder snel plaats, en blijven er bergen met een vlakka bovenzijde over. De zandsteenbuttes die door Curiosity zijn gefotografeerd, zijn genoemd naar Bruce Murray (1931-2013), die lange tijd directeur is geweest van NASA's Jet Propulsion Laboratory in Pasadena. De panoramafoto is samengesteld uit 130 afzonderlijke opnamen die op 5 augustus zijn gemaakt met de Mastcam-camera van Curiosity. (GS)
Meer informatie:
Rover's Panorama of Entrance to 'Murray Buttes' on Mars (origineel persbericht)

   
18 augustus 2016 • SkySentinel-netwerk vangt Perseïden
De Perseïden-meteorenzwerm, die zijn piek dit jaar beleefde in de nacht van 11 op 12 augustus, is op spectaculaire wijze vastgelegd door de allsky-camera's van het SkySentinel-netwerk. Dit netwerk bestaat momenteel uit bijna 60 allsky-camera's, verspreid over de Verenigde Staten (plus enkele camera's elders op de wereld). Ze maken continu, dag en nacht, opnamen van de gehele hemel. Studenten van het Florida Institute of Technology gebruiken de allsky-camera's om onderzoek te doen aan vallende sterren, bliksemontladingen en andere kortdurende verschijnselen aan de hemel. De foto is een compositie van SkySentinel-opnamen van verschillende camera's. (GS)
Meer informatie:
Specialized Cameras Capture Perseid Meteor Shower From FIT, Around the World (origineel persbericht)

   
18 augustus 2016 • Exo-Venus heeft misschien zuurstof, maar geen leven
In de dampkring van een Venus-achtige exoplaneet die vorig jaar is ontdekt, komen misschien grote hoeveelheden zuurstof voor. Als de aanwezigheid van zuurstof met toekomstige reuzentelescopen wordt bevestigd, betekent dat echter niet dat er leven op de planeet is. Exoplaneet GJ1132b draait op een afstand van slechts 22,5 miljoen kilometer rond een ster die 39 lichtjaar van de aarde is verwijderd. Modelberekeningen van Laura Schaefer (Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics) en haar collega's voorspellen nu dat de planeet mogelijk een zuurstofrijke dampkring heeft. In het model, gepubliceerd in The Astrophysical Journal, gaan de astronomen er vanuit dat de Venus-achtige planeet geboren is met een dikke, waterdamprijke atmosfeer. Als gevolg van de kleine afstand tot de ster heeft die atmosfeer echter een temperatuur van 230 graden Celsius, en staat hij bloot aan grote hoeveelheden energierijke ultraviolette straling. De watermoleculen worden daardoor gesplitst in waterstof- en zuurstofatomen. De lichte waterstofatomen ontsnappen gemakkelijk aan de zwaartekracht van de planeet; de zwaardere zuurstofatomen (en -moleculen) blijven achter. De hete planeet moet miljoenen jaren lang een gesmolten magma-oppervlak hebben gehad. De nieuwe modelberekeningen laten echter zien dat door de wisselwerking van dat magma met de atmosfeer slechts 10 procent van het aanwezige zuurstof uit de dampkring wordt verwijderd - het bindt zich aan het gesmolten gesteente. Dat betekent dat GJ1132b nog steeds een zeer zuurstofrijke dampkring zou kunnen hebben. Met toekomstige telescopen, zoals de James Webb Space Telescope en de Giant Magellan Telescope, kan de aanwezigheid van zuurstof wellicht worden vastgesteld. De astronomen benadrukken dat de ontdekking van zuurstof in dit geval geen aanwijzing is voor het bestaan van leven op de planeet - dat is vanwege de extreem hoge temperatuur niet mogelijk. (GS)
Meer informatie:
Venus-like Exoplanet Might Have Oxygen Atmosphere, But Not Life (origineel persbericht)

   
17 augustus 2016 • Supernovarest niet langer 'gekoppeld' aan sterexplosie in Chinese kronieken
In oude Chinese kronieken wordt melding gemaakt van een 'gastster' die in het jaar 386 zichtbaar was aan de hemel. Bij zulke gaststerren gaat het meestal om supernova's: sterren die aan het eind van hun leven exploderen. De gastster in het jaar 1054 is bijvoorbeeld gelinkt aan de Krabnevel - het uitdijende overblijfsel van de geëxplodeerde ster, dat nog steeds zichtbaar is in het sterrenbeeld Stier. Lange tijd gingen astronomen er vanuit dat de supernova uit het jaar 386 gelinkt is aan supernovarest G11.2-0.3. Nieuwe metingen van het Chrandra X-ray Observatory zetten echter vraagtekens bij die interpretatie. Chandra maakte röntgenfoto's van de supernovarest in de jaren 2000, 2003 en 2013. Door die foto's met elkaar te vergelijken kon de uitdijingssnelheid van de supernovarest worden bepaald (zij het niet bijster nauwkeurig); daaruit leiden astronomen een leeftijd af van tussen de 1400 en 2400 jaar. Dat is op zich in overeenstemming met een sterexplosie in het jaar 386. De Chandra-metingen (in combinatie met infraroodmetingen van de 5-meter Hale-telescoop op Palomar Mountain) laten echter ook zien dat zich tussen de verre supernova en de aarde dichte wolken van gas en stof bevinden. Dat betekent dat de sterexplosie vermoedelijk niet zichtbaar geweest is met het blote oog. Wat Chinese astronomen in het jaar 386 dan wél hebben gezien, blijft vooralsnog een raadsel. De nieuwe Chandra-metingen zijn eerder dit jaar al gepubliceerd in The Astrophysical Joural; de meest recente röntgenfoto van G11.2-0.3 werd gepresenteerd tijdens de workshop 'Chandra Science for the Next Decade' die afgelopen week gehouden werd in Cambridge, Massachusetts. (GS)
Meer informatie:
G11.2-0.3: Supernova Ejected from the Pages of History (origineel persbericht)

   
17 augustus 2016 • Australische MWA-radiotelescoop vindt (nog) geen aliens
Een speurtocht naar mogelijke radiosignalen van buitenaardse beschavingen, uitgevoerd met de Murchison Widefield Array-radiotelescoop (MWA) in West-Australië, heeft geen resultaten opgeleverd. Dat schrijven radioastronomen in een recent nummer van The Astrophysical Journal. Al ruim zestig jaar wordt met behulp van radiotelescopen gezocht naar kunstmatige radiosignalen uit het heelal. Dit SETI-programma (Search for Extra-Terrestrial Intelligence) is tot nu toe voornamelijk uitgevoerd op relatief hoge radiofrequenties. De MWA - die nog steeds in aanbouw is - werkt echter op veel lagere frequenties (80-300 megahertz). De telescoop bestaat uit een groot aantal eenvoudige antennes, verspreid over een groot gebied in de West-Australische outback, en is vergelijkbaar met de Nederlandse LOFAR-telescoop. Steven Tingay van het Australische ICRAR-instituut en zijn collega's hebben nu laagfrequente MWA-radiospectra bestudeerd van een gebied aan de sterrenhemel waarin met de Amerikaanse ruimtetelescoop Kepler enkele tientallen exoplaneten zijn ontdekt (planeten bij andere sterren dan de zon). Er werden geen kunstmatige radiosignalen gevonden, maar volgens de onderzoekers kan dat te maken hebben met de relatief lage gevoeligheid van de uitgevoerde speurtocht. In de toekomst zullen met de MWA gevoeliger zoektochten worden verricht. Ook de toekomstige Square Kilometre Array-radiotelescoop (SKA), die uit tienduizenden antennes en schotels gaat bestaan, zal worden ingezet voor de speurtocht naar buitenaardse intelligentie. (GS)
Meer informatie:
A New Player in the Search for Extraterrestrial Intelligence (origineel persbericht)

   
15 augustus 2016 • Verschillen tussen bruine dwergen zijn ‘oppervlakkig’
Bruine dwergen zijn kleiner en lichter dan sterren, maar zwaarder dan de grootste gasplaneten. Maar dat is dan ook het wat zij allemaal gemeen hebben. Qua afmetingen, temperatuur en chemische samenstelling lijken ze enorme verschillen te vertonen. ‘Lijken’ want recent onderzoek wijst erop dat die grote diversiteit grotendeels in hun buitenste laag ontstaat: hun atmosfeer. Bruine dwergen geven veel minder licht dan sterren en zijn daardoor veel moeilijker waarneembaar. Daar staat tegenover dat ze veel talrijker zijn dan sterren zoals onze zon, en dat ze makkelijker waarneembaar zijn dan planeten. Dat maakt ze tot interessante objecten, die informatie kunnen opleveren over zowel hun grotere als hun kleinere verwanten. Maar ja... die grote onderlinge verschillen bemoeilijken het onderzoek wel. Een team van Amerikaanse en Australische astronomen heeft nu 152 jonge (vermoedelijke) bruine dwergen onder de loep genomen. Door de geboortegronden van veel van deze objecten te achterhalen, kon worden uitgesloten dat hun onderlinge verschillen het gevolg waren van leeftijd en chemische samenstelling: deze moeten voor allemaal ongeveer gelijk zijn. Dat betekent dat de onderzochte bruine dwergen niet inherent verschillend zijn. Dat ze op het eerste gezicht grote uiterlijke verschillen vertonen, wordt door de astronomen toegeschreven aan hun atmosferen en de daarin optredende ‘weersverschijnselen’ zoals bewolking. In dat opzicht verschillen ze niet wezenlijk van de grote gasplaneten die om talrijke sterren cirkelen. (EE)
Meer informatie:
Brown Dwarfs Reveal Exoplanets’ Secrets

   
13 augustus 2016 • 'Tweede aarde' ontdekt bij meest nabije ster?
Het grootste weekblad van Duitsland, Der Spiegel, heeft een bijzondere primeur. Het blad meldt dat astronomen een planeet hebben ontdekt bij de dichtstbijzijnde ster (na de zon dan): Proxima Centauri. De exoplaneet is vermoedelijk aarde-achtig en bevindt zich op een zodanige afstand van zijn ster, dat er op zijn oppervlak vloeibaar water kan voorkomen. Anders gezegd: de planeet bevindt zich binnen de ‘leefbare’ zone van de ster. Als dat klopt, is het met afstand de meest nabije soortgenoot van de aarde. De planeet heeft zijn bestaan verraden doordat hij kleine, regelmatige schommelingen bij zijn moederster veroorzaakt. Deze schommelbeweging is volgens Der Spiegel geregistreerd met een telescoop van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) op de berg La Silla, in het noorden van Chili. ESO zelf doet er (nog) het zwijgen toe: de officiële bekendmaking van de ontdekking zou voor eind augustus gepland zijn. Proxima Centauri staat in het zuidelijke sterrenbeeld Centaurus. Het is een rode dwergster op 4,24 lichtjaar van de aarde. (EE)
Meer informatie:
Mögliche zweite Erde in unserer Nachbarschaft entdeckt

   
12 augustus 2016 • Rotatietijden van de Pleiaden gemeten
Met behulp van NASA’s Kepler-satelliet zijn de rotatietijden gemeten van de Pleiaden, de bekende open sterrenhoop in het sterrenbeeld Stier. Deze informatie moet meer inzicht geven in de evolutie van sterren en in het ontstaansproces van planeten. Astronomen proberen de verbanden tussen de rotatietijd, de massa en de leeftijd van sterren te ontrafelen. Met een afstand van 445 lichtjaar zijn de Pleiaden een van meest nabije sterrenhopen. Het is bovendien een vrij jonge sterrenhoop: de sterren zijn pas ongeveer 125 miljoen jaar oud en behoren daarmee tot de ‘pubers’. Het is in deze levensfase dat sterren op hun snelst ronddraaien. Door het uitstoten van geladen deeltjes (‘sterrenwind’) wordt die draaiing geleidelijk afgeremd. Met Kepler zijn de rotatiesnelheden van meer dan 750 leden van de Pleiaden gemeten. Dat is gebeurd door te letten op kleine helderheidsveranderingen die het gevolg zijn van ‘zonnevlekken’ – donkere, koelere gebieden op het oppervlak die met de ster mee draaien. Bij jonge sterren zijn zulke vlekken veel groter dan op onze zon. Uit de metingen is een duidelijk patroon naar voren gekomen. Grote, zware sterren hebben doorgaans een langere rotatietijden (1 tot 11 dagen) dan kleine, lichte (minder dan een dag). (Ter vergelijking: onze zon heeft een rotatietijd van ongeveer 26 dagen.)Volgens de astronomen wordt het verschil in rotatietijd vooral veroorzaakt door de inwendige structuur van de sterren. Grotere sterren hebben een enorme kern met daaromheen een vrij dunne convectiemantel – een laag waarin hete gasbellen opstijgen, hun warmte afgeven en weer neerdalen. Bij kleine sterren beslaat die convectielaag bijna de hele ster. De afremming die de rotatie ondergaat naarmate een ster ouder wordt, heeft een grotere uitwerking op de dunne convectielaag van grotere sterren dan op de dikke van kleinere. De verwachting is dus dat de verschillen in rotatietijden alleen maar zullen toenemen. Om dat goed te onderzoeken, zullen de astronomen binnenkort ook de sterren van de veel oudere sterrenhoop Praesepe onder de loep nemen. (EE)
Meer informatie:
Kepler Watches Stellar Dancers in the Pleiades Cluster

   
11 augustus 2016 • Niet alleen de zon maakt je bruin!
Op een mooie dag aan het strand ondergaat je lichaam een bombardement van ongeveer een triljard fotonen – een ‘1’ gevolgd door 21 nullen – per seconde. Bijna al deze lichtdeeltjes zijn afkomstig van de zon. Maar een héél klein deel ervan bestaat uit fotonen die miljarden jaren onderweg zijn geweest. Ze zijn afkomstig van buiten onze Melkweg. Bij een onderzoek waarvan de resultaten in de Astrophysical Journal zijn verschenen, heeft een team van Australische, Amerikaanse en Britse astronomen nauwkeurig geïnventariseerd welk deel van de ver-infrarode tot ver-ultraviolette straling die de aarde bereikt van extragalactische oorsprong is. Dat is erg weinig: slechts 10 miljard fotonen per seconde per vierkante meter, oftewel een miljardste procent van het totaal. Doorgaans berusten bepalingen van de intensiteit van dat ‘extragalactische achtergrondlicht’ op directe metingen. Maar deze nieuwe inventarisatie is gebaseerd op tellingen van sterrenstelsels die met een hele reeks ruimtetelescopen en telescopen op aarde is vastgelegd. Hun bijdrage aan het achtergrondschijnsel bestaat uit het licht van hun sterren en uit de straling die wordt uitgezonden door de materie die naar de superzware zwarte gaten in hun kernen stroomt. Onderzoek van het extragalactische achtergrondlicht is primair bedoeld om meer inzicht te krijgen in de evolutie van het heelal. Directe metingen ervan worden echter sterk gehinderd door onze eigen Melkweg en het zogeheten zodiakale licht – zonlicht dat wordt verstrooid door stofdeeltjes in ons eigen zonnestelsel. Daar kan voor worden gecorrigeerd, maar het eindresultaat is nogal afhankelijk van de modellen die daarbij wordt gehanteerd. Het nieuwe onderzoek geeft aan dat de betrouwbaarheid van deze correcties nog veel te wensen overlaat. (EE)
Meer informatie:
Ten Trillionths Of Your Suntan Comes From Beyond Our Galaxy

   
11 augustus 2016 • Twee nieuwe nabije dwergsterrenstelsels ontdekt
Met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop zijn twee kleine dwergsterrenstelsels ontdekt die miljarden jaren in afzondering hebben bestaan. Hun wieg stond in de zogeheten Lokale Leegte, een ongeveer 150 miljoen lichtjaar groot gebied waar heel weinig sterrenstelsels te vinden zijn. Het duo is pas vrij recent in een dichter bevolkt deel van het heelal terechtgekomen (Astrophysical Journal, 11 augustus). Pisces A en B zijn nu in een omgeving beland waar meer gas voorradig is. Het lijkt erop dat ze momenteel door een nabijgelegen filament van gas trekken. Hierdoor wordt het gas dat de stelsels bevatten samengedrukt, wat hun stervormingsactiviteit heeft doen toenemen. Het tweetal bevat nu elk ongeveer 10 miljoen sterren. De twee dwergstelsels zijn erg klein en zwak, waardoor ze moeilijk te vinden zijn. De eerste aanwijzingen voor hun bestaan zijn gevonden met radiotelescopen waarmee naar grote gaswolken buiten onze Melkweg werd gezocht. De meeste objecten die daarbij zijn ontdekt bleken ook echt gaswolken te zijn, maar een stuk of vijftig objecten zouden dwergstelsels kunnen zijn. Tot nu toe kon alleen van Pisces A en B worden aangetoond dat het inderdaad om sterrenstelsels gaat. Pisces A is iets meer dan 18 miljoen lichtjaar van ons verwijderd, Pisces B ruwweg 29 miljoen lichtjaar. Vermoedelijk zullen ze uiteindelijk worden ‘ingevangen’ door het zwaartekrachtsveld van een veel groter sterrenstelsel, en daar als satellieten omheen gaan draaien. (EE)
Meer informatie:
Hubble Uncovers a Galaxy Pair Coming in from the Wilderness

   
10 augustus 2016 • Verliest ‘Hanny’s Voorwerp’ zijn glans?
In 2007 ontdekte de Nederlandse onderwijzeres Hanny van Arkel een vreemde groene gaswolk nabij het 650 miljoen lichtjaar verre sterrenstelsel IC 2497. Nieuw onderzoek met de röntgensatelliet Chandra wijst erop dat de gloed ervan zal gaan verzwakken. De groene gaswolk, beter bekend als Hanny’s Voorwerp, is ongeveer 200.000 lichtjaar van IC 2497 verwijderd. De vreemde kleur komt voor rekening van zuurstofatomen die zijn ‘aangeslagen’ door de ultraviolette en röntgenstraling die door de kern van dit sterrenstelsel wordt uitgezonden. In die kern verschanst zich een superzwaar zwart gat, dat zich voedt met materie uit zijn omgeving en op die manier grote hoeveelheden energie genereert. Op dit moment produceert dat zwarte gat echter lang niet genoeg straling om de waargenomen gloed te kunnen veroorzaken. Daar bestaat echter een simpele verklaring voor: de huidige gloed is immers te danken aan straling die 200.000 jaar geleden door de kern van IC 2497 is uitgezonden. Als deze interpretatie klopt, ziet de toekomst van Hanny’s Voorwerp er een beetje somber uit. Nieuwe waarnemingen met Chandra geven aan dat kern van IC 2497 nog steeds flinke hoeveelheden energie produceert, maar dat daar binnen afzienbare tijd weleens een eind aan zou kunnen komen. De directe omgeving van het zwarte gat blijkt namelijk aanzienlijk koeler te zijn dan het gas verder daarvandaan. Volgens astronomen kan er een grote ‘holte’ in het gas rond het zwarte gat zijn ontstaan. Het daar aanwezige gas zou zijn weggeblazen door ofwel de ‘jets’ die het materie-opslokkende zwarte gat vroeger uitstoot of door de intense straling van de materie in de zogeheten accretieschijf rond het zwarte gat. Hoe dan ook: het lijkt erop dat de energieproductie van de kern van IC 2497 stilvalt. Dat betekent dat de groene gloed van Hanny’s Voorwerp geleidelijk zal verzwakken. Helemaal donker zal de gaswolk echter niet worden, want in een klein deel ervan zijn enkele miljoenen jaren geleden sterren geboren. (EE)
Meer informatie:
A Black Hole Story Told by a Cosmic Blob and Bubble

   
10 augustus 2016 • Door canyons op Titan stroomt vloeibare methaan
Uit onderzoek blijkt dat de kronkelige ‘rivierbeddingen’ bij de noordpool van de grote Saturnusmaan Titan in werkelijkheid diepe canyons zijn. De vrij smalle ravijnen hebben wanden die ongeveer zou steil zijn als een skipiste en zijn gevuld met vloeibare koolwaterstoffen. De ravijnen fungeren waarschijnlijk als aanvoerkanalen voor Ligeia Mare – het op een na grootste meer op Titan. Daarvan was al langer bekend dat het met vloeibaar methaan is gevuld. Maar of dat methaan ook werkelijk via het ravijnenstelsel werd aangevoerd, was tot nu toe onduidelijk. Het was ook denkbaar dat het materiaal waarmee de canyons deels gevuld zijn uit een vaste substantie (ijs) bestond. Uit metingen met de radar van de ruimtesonde Cassini, die sinds 2004 regelmatig dicht in de buurt van Titan is gekomen, is nu gebleken dat het vrijwel zeker om vloeibare methaan gaat. En de vrij smalle ravijnen waar het methaan doorheen stroomt blijken enkele honderden meters diep te zijn. Deze aanzienlijke diepte wijst erop dat het proces waardoor het ravijnenstelsel is ontstaan al heel lang aan de gang is, tenzij de erosie ter plaatse zich veel sneller voltrekt dan elders op Titan. In sommige canyons rond Legeia Mare heeft de vloeistof hetzelfde niveau als het meer. In andere ligt de methaanspiegel tientallen meters hoger – vermoedelijk zijn dat zijrivieren die in de lager gelegen hoofdgeulen uitmonden. (EE)
Meer informatie:
Cassini Finds Flooded Canyons on Titan

   
9 augustus 2016 • Ook kleine sterrenstelsels hebben grote trek
Zelfs sterrenstelsels met heel weinig massa zijn in staat om kleine soortgenoten op te slokken. Dat blijkt uit onderzoek door een internationaal team van astronomen, onder leiding van de Italiaanse Francesca Annibali. Bij het onderzoek, dat is uitgevoerd met de Large Binocular Telescope in Arizona, is de omgeving van het dwergstelsel DDO 68 onder de loep genomen. DDO 68 bevat maar ongeveer 100 miljoen zonsmassa’s aan sterren – ongeveer duizend keer zo weinig als onze Melkweg. Volgens het meest gangbare theoretische scenario ontstaan sterrenstelsels door met kleinere soortgenoten samen te smelten. Tot nu toe was deze gang van zaken echter alleen bij grote sterrenstelsels waargenomen. Maar DDO 68, die zich in een leeg stukje heelal op 39 miljoen lichtjaar van de aarde bevindt, lijkt hetzelfde spelletje te spelen. Het kleine sterrenstelsel heeft zich omringd met een aantal kleine satellietstelsels, en is bezig om ze op te slokken. Een van deze stelsels is zelfs al uitgerekt tot een lange stroom van sterren en gas. (EE)
Meer informatie:
DDO 68: Among Galaxies, a Flea, but a Voracious One

   
8 augustus 2016 • Nabije supernova-explosies lieten sporen achter in bacteriën
Radioactief ijzer uit de ruimte heeft sporen achtergelaten in eencellige organismen die twee miljoen jaar geleden op aarde leefden. Tot die conclusie komen wetenschappers van vier Duitse en Oostenrijkse instituten na onderzoek van de ‘microfossielen’ die deze organismen hebben achtergelaten. Hun bevindingen staven de resultaten van twee onderzoeken die eerder dit jaar zijn gepubliceerd (Proceedings of the National Academy of Sciences, 8 augustus). Onderzoek van sedimenten op de oceaanbodem en gesteenten van de maan heeft onlangs laten zien dat er ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden relatief veel radioactief ijzer op aarde is neergekomen. Dit ‘ijzer-60’ zou afkomstig zijn van sterren op ongeveer 300 lichtjaar van de aarde, die minstens tien keer zoveel massa hadden als onze zon. Sterren van dat kaliber produceren een heel scala aan zware elementen, en sluiten hun bestaan af met een supernova-explosie. Bij die kolossale explosie wordt veel stermateriaal – inclusief ijzer-60 – de ruimte in geblazen. Uiteindelijk bereikt een kleine fractie daarvan onze planeet. Bepaalde eencellige organismen op aarde hebben de eigenschap dat ze ijzer opslaan. Deze ‘magnetotactische bacteriën’, die in de bovenste paar centimeter van sedimenten op de oceaanbodem leven, maken er ketens van minuscule magnetietkristallen van. Wanneer de bacteriën sterven, blijven de ijzerhoudende kristalletjes achter. En mettertijd raken deze bedolven onder nieuwe sedimenten waarin volgende generaties van eencelligen actief zijn. Zo ontstaat een opeenstapeling van steeds jongere lagen die mettertijd verstenen. Bij het nieuwe onderzoek is gebruik gemaakt van twee boorkernen die bij bodemboringen uit de Stille Oceaan naar boven zijn gehaald. Metingen laten zien dat de hoeveelheid ijzer-60 die magnetotactische bacteriën daarin hebben achtergelaten tot 2,5 miljoen jaar geleden gering was. Daarna volgde echter een duidelijke stijging, die ongeveer 2 miljoen jaar geleden piekte. Nog eens een half miljoen jaar later was het ijzer-60-gehalte weer normaal. Volgens de onderzoekers is het opmerkelijk dat de piek min of meer samenvalt met een ‘massa-extinctie’ die vooral mariene weekdieren en zeeslakken lijkt te hebben getroffen. Of er werkelijk sprake is van een direct verband is echter onzeker. De veelgehoorde suggestie dat energierijke ultraviolette straling van de supernova-explosies de ozonlaag zou hebben aangetast, waardoor het fytoplankton in de oceanen zou zijn afgestorven, wordt door de wetenschappers afgewezen. Om dat effect te bereiken, zouden de supernova-explosies zich tien keer dichter bij de aarde moeten hebben afgespeeld dan de huidige metingen aangeven. (EE)  
Meer informatie:
Interaction of Earth with supernova remnants lasting for one million years

   
8 augustus 2016 • ‘Steriele neutrino’s’ bestaan waarschijnlijk niet
Opnieuw lijkt een kandidaat voor de verklaring van de donkere materie in het heelal te zijn afgevallen. De Antarctische neutrinodetector IceCube heeft geen aanwijzingen kunnen vinden voor het bestaan van zogeheten steriele neutrino’s (Physical Review Letters, 8 augustus). Vorige maand maakten wetenschappers al bekend dat de zoekactie naar de eveneens hypothetische WIMPs (Weakly Interacting Massive Particles) niets heeft opgeleverd – tot nu toe dan. Neutrino’s zijn spookachtige deeltjes die vrijwel geen massa hebben en maar zelden interacties met materie aangaan. In de tijd dat je deze regel leest, zijn er volkomen ongemerkt biljoenen neutrino’s door je heengegaan. Tot nu toe zijn er drie soorten neutrino’s bekend: muon-, elektron- en tau-neutrino’s. Op grond van enkele experimentele resultaten werd echter rekening gehouden met een vierde soort. Dit ‘steriele’ neutrino zou zelfs helemaal geen interacties met materie aangaan, behalve dan zwaartekrachtsinteracties. De enige manier waarop je zo’n neutrino zou kunnen detecteren is wanneer je het op heterdaad betrapt wanneer het spontaan in één van de overige soorten verandert. Twee analyses van gegevens van IceCube-meetresultaten, die onafhankelijk van elkaar zijn uitgevoerd, lijken echter korte metten te maken met het vierde neutrino. Er is geen enkele aanwijzing gevonden voor het bestaan van ‘ondetecteerbare’ neutrino’s die spontaan tot detecteerbare soortgenoten transformeren. Volgens de wetenschappers die de analyses hebben uitgevoerd staat daarmee voor 99 procent vast dat steriele neutrino’s niet bestaan. IceCube bestaat uit ruim 5000 gevoelige lichtsensoren die op een diepte van meer dan anderhalve kilometer in het kristalheldere ijs van Antarctica zijn geplaatst. Deze sensoren registreren het lichtflitsje dat optreedt wanneer een neutrino in botsing komt met een atoomkern in het ijs – iets wat maar heel zelden gebeurt. Dat steriele neutrino’s (waarschijnlijk) niet bestaan, is niet alleen een tegenvaller voor kosmologen, die nog steeds op zoek zijn naar een verklaring voor het bestaan van zogeheten donkere materie, waaruit 85 procent van alle materie in het heelal lijkt te bestaan. Ook deeltjesfysici zitten ermee in hun maag: het bestaan van steriele neutrino’s zou kunnen verklaren waarom de neutrino’s überhaupt massa hebben – iets wat in strijd is met het standaardmodel van de deeltjesfysica. (EE)
Meer informatie:
IceCube search for the 'sterile neutrino' draws a blank

   
8 augustus 2016 • Mogelijke opleving verwacht van Perseïden-meteorenzwerm
De activiteit van de Perseïden, de meteorenzwerm die elk jaar rond 12 augustus zijn opwachting maakt, vertoont momenteel de gebruikelijke stijgende lijn. Maar met een beetje geluk zullen komende week extra veel ‘vallende sterren’ te zien zijn – met dank aan de planeet Jupiter. Meteoren of vallende sterren zijn kortstondige snelle lichtsporen die aan de hemel verschijnen. Ze worden veroorzaakt door kosmisch gruis, dat in de aardatmosfeer terechtkomt. Dat gebeurt met zo’n hoge snelheid dat luchtmoleculen rond de gruisdeeltjes aan het gloeien worden gebracht. Hierdoor ontstaat het lichtspoor dat we aan de hemel zien. De grootste aantallen meteoren verschijnen wanneer de aarde het stofspoor van een komeet doorkruist. Dat gebeurt meerdere keren per jaar, met name begin januari, medio december en rond 12 augustus dus. In dat laatste geval trekt de aarde door het stofspoor van de komeet 108P/Swift-Tuttle. De Perseïden vertonen een breed maximum, dat dit jaar voor Nederland e.o. overigens niet erg gunstig valt. Volgens gegevens van de International Meteor Organization zijn de meeste vallende sterren te zien op vrijdag 12 augustus tussen 10 uur ’s ochtends en middernacht – grotendeels overdag dus. Maar ook in de (late) nachten van 11 op 12 en van 12 op 13 augustus kunnen – bij heldere donkere hemel – nog tientallen meteoren per uur te zien zijn. De precieze aantallen hangen mede af van het storende licht van de maan, die pas na enen ondergaat. Een gunstige factor dit jaar is dat computerberekeningen laten zien dat het stofspoor van komeet Swift-Tuttle zodanig is verstoord door de zwaartekrachtsinvloed van de planeet Jupiter, dat de aarde wellicht een dichter deel ervan zal doorkruisen. Of dat ook werkelijk zo is, zullen we moeten afwachten. Maar áls dat het geval is, kan het aantal Perseïden vooral in de nacht van 11 op 12 augustus flink oplopen. Belangrijker nog dan de activiteit van de Perseïden en het storende maanlicht is overigens de weersverwachting. Helaas ziet die er voor de eerste Perseïden-nacht niet goed uit. Mogelijk is het in de nacht van vrijdag op zaterdag wél helder. (EE)
Meer informatie:
Mogelijk bijzondere Perseïden-sterrenregen in de nachten van 11/12 en 12/13 augustus

   
5 augustus 2016 • Vulkanisme op Mercurius was van korte duur
Nieuw onderzoek wijst erop dat er al ongeveer 3,5 miljard jaar geleden een einde kwam aan de ‘effusieve’ vulkanische activiteit op de planeet Mercurius. Dat is aanzienlijk eerder dan op de overige aardse planeten (Geophysical Research Letters, 21 juli). Er zijn twee soorten vulkanische activiteit: explosieve en effusieve. De eerste zijn vaak heftige gebeurtenissen waarbij grote hoeveelheden as en puin de lucht in worden geblazen. Bij effusief vulkanisme komt voornamelijk lava vrij, die zich langzaam over de omgeving verspreidt. Dat laatste proces speelt vermoedelijk een belangrijke rol bij de vorming van de korst van een planeet. Op Venus was tot enkele honderden miljoenen jaren geleden nog effusief vulkanisme. Op Mars kwam daar een paar miljoen jaar geleden pas een einde aan, en op aarde vindt nog steeds effusief vulkanisme plaats. Tot nu toe was onbekend hoe lang het effusieve vulkanisme op Mercurius heeft standgehouden. Uit foto’s van het oppervlak van deze planeet, gemaakt door de ruimtesonde MESSENGER, leiden Amerikaanse planeetwetenschappers nu af dat dit niet erg lang kan zijn geweest. Bij dit onderzoek zijn de leeftijden van de verschillende geologische terreinen op Mercurius geschat aan de hand van kratertellingen. Op Mercurius was de grootste vulkanische activiteit dus al een miljard jaar na het ontstaan van de planeet voorbij. Het grote verschil met de overige planeten wordt vooral toegeschreven aan de geringe omvang van Mercurius. De kleinste planeet van ons zonnestelsel heeft daarom een veel dunnere mantel – het deel waar warmte wordt gegenereerd via het verval van radioactieve elementen. Het gevolg hiervan was dat Mercurius al vroeg begon te krimpen, en de korst in feite werd afgesneden van de aanvoer van magma uit het inwendige. Toen was het gedaan met het vulkanisme. (EE)
Meer informatie:
Researchers Find Most Volcanic Activity on Mercury Stopped About 3.5 Billion Years Ago

   
3 augustus 2016 • Dwergplaneet Ceres heeft een rotsachtige kern en een slappe ijsmantel
De dwergplaneet Ceres heeft een vrij ‘slap’ inwendige, bestaande uit een rotsachtige kern en een mantel van ijs en andere lichte materialen. Dat wordt afgeleid uit subtiele veranderingen in de bewegingen van de Amerikaanse ruimtesonde Dawn, die sinds maart 2015 om Ceres cirkelt (Nature, 4 augustus). De variaties in de baanbeweging van Dawn kunnen worden afgeleid uit de radiosignalen die tussen Dawn en de aarde worden uitgewisseld. Aan de hand van de aankomsttijden van deze signalen kan de snelheid van de ruimtesonde tot op 0,1 millimeter per seconde worden gemeten. De meetgegevens wijzen erop dat het inwendige Ceres deels gedifferentieerd is. Dat wil zeggen dat de dwergplaneet vroeg in haar bestaan warm genoeg is geweest om zware en lichtere materialen van elkaar te scheiden. Maar de scheiding tussen de verschillende lagen is minder geprononceerd als bij bijvoorbeeld de aarde en de maan: er heeft zich bijvoorbeeld geen aparte ijzerkern gevormd. Verder hebben de gegevens bevestigd dat Ceres in hydrostatisch evenwicht is, wat betekent dat haar vorm volledig wordt bepaald door haar rotatie. Dat is een van de voorwaarden waaraan een om de zon draaiend hemellichaam moet voldoen om zich ‘dwergplaneet’ te mogen noemen. (EE)
Meer informatie:
What's Inside Ceres? New Findings from Gravity Data

   
3 augustus 2016 • Zuurstof aangetoond in 12 miljard lichtjaar ver sterrenstelsel
Amerikaanse astronomen hebben voor het eerst een nauwkeurige meting gedaan van de hoeveelheid zuurstof in een sterrenstelsel op 12 miljard lichtjaar van de aarde. Zuurstof, het op twee na meest voorkomende element in het heelal, wordt aangemaakt in sterren en bij de dood van deze sterren toegevoegd aan het interstellaire gas (Astrophysical Journal Letters, 3 augustus). De (relatieve) hoeveelheid zuurstof in een sterrenstelsel wordt grotendeels bepaald door drie factoren: de hoeveelheid zuurstof die wordt geproduceerd door zware sterren die hun bestaan met supernova-explosies afsluiten; de hoeveelheid zuurstof die door zogeheten ’superwinden’ uit het stelsel wordt weggeblazen; en de hoeveelheid maagdelijk, zuurstofarm gas die vanuit de intergalactische ruimte het stelsel in stroomt. Door te meten hoeveel zuurstof een stelsel bevat, kan worden afgeleid welke van deze processen de overhand heeft. Het onderzochte stelsel, COSMOS-1908, bevat naar schatting een miljard sterren – ruwweg honderd keer zo weinig als onze Melkweg. De abundantie van zuurstof is vijf keer zo gering als die in onze zon. (EE)
Meer informatie:
UCLA Astronomers Use Keck Observatory to Look Back 12 Billion Years and Measure Oxygen

   
3 augustus 2016 • Astronomen stellen top-20 van ‘leefbare planeten’ samen
Een internationaal team van onderzoekers heeft onderzocht welke van de meer dan 4000 exoplaneten die tot nu toe zijn opgespoord met de Amerikaanse Kepler-satelliet het meest op onze aarde lijken. De oogst bestaat uit 216 planeten die zich in de ‘leefbare zone’ van hun ster bevinden – het gebied rond de ster waar de temperaturen zo gematigd zijn dat er vloeibaar water kan bestaan op het oppervlak van een planeet. Aan de hand van deze groslijst is een top-20 samengesteld waarop alleen de meest veelbelovende kandidaten staan: kleine, rotsachtige planeten. Daarnaast is er bijvoorbeeld ook een lijst van gasplaneten in de leefbare zone. Die lijken in de verste verte niet op de aarde, maar zouden wel leefbare manen kunnen hebben. Op nummer 1 staat Kepler-186f. Deze in 2014 ontdekte planeet cirkelt om een rode dwergster op 560 lichtjaar van de aarde. Hij is ongeveer net zo groot als de onze planeet, maar zijn massa is onzeker. Over de toestand op zijn oppervlak is weinig bekend. Overzichten als deze kunnen worden gebruikt om objecten voor verder onderzoek te selecteren. De resultaten van deze eerste inventarisatie worden binnenkort gepubliceerd in de Astrophysical Journal. Een preprint is te vinden op arXiv.org. (EE)
Meer informatie:
Kepler researchers list exoplanets with the most potential to have liquid water, or even life

   
2 augustus 2016 • IJle dampkring van Jupitermaan Io bevriest tijdens eclips
De extreem ijle dampkring van de binnenste grote Jupitermaan Io bevriest wanneer de maan door de planeet verduisterd wordt. De zwaveldioxidemoleculen in de dampkring, afkomstig van de talrijke vulkanen op Io, vriezen dan vast aan het oppervlak. Zo'n Io-verduistering treedt eens per omloop op (elke 1,7 dagen), en duurt ongeveer twee uur. Wanneer Io weer uit de schaduw van Jupiter tevoorschijn komt, sublimeren de zwaveldioxidekristallen weer, en herstelt de dampkring zich. Tijdens een verduistering daalt de temperatuur aan het oppervlak van Io van -150 tot -170 graden graden Celsius. Algemeen werd al aangenomen dat de ijle SO2-dampkring tijdens zo'n eclips op het oppervlak zou neerslaan, maar het verschijnsel was nog nooit direct waargenomen. Dat is nu voor het eerst wel gelukt, dankzij de grote gevoeligheid van de TEXES-infraroodspectrograaf op de 8-meter Gemini North-telescoop op Mauna Kea, Hawaii. De waarnemingen zijn verricht in november 2013 en vandaag gepubliceerd in Journal of Geophysical Research. (GS)
Meer informatie:
SwRI space scientists observe Io’s atmospheric collapse during eclipse (origineel persbericht)

   
2 augustus 2016 • Laagfrequente MWA-telescoop werpt licht op verleden van Supernova 1987A
Met een nieuwe laagfrequente radiotelescoop in West-Australië hebben astronomen metingen gedaan die meer licht werpen op de voorgeschiedenis van Supernova 1987A. Het gaat om een van de eerste wetenschappelijke resultaten van de Murchison Widefield Array (MWA). De nieuwe waarnemingen zijn beschreven in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. In februari 1987 zagen sterrenkundigen een ster exploderen in de Grote Magelhaense Wolk, op ca. 167.000 lichtjaar afstand. Op oudere foto's was te zien dat de ster vóór de supernova-explosie een blauwe superreus was, die grote hoeveelheden materie de ruimte in blies. Theoretici rekenden voor dat de ster in een nog eerder stadium een rode superreus geweest moet zijn, met een geringer massaverlies, maar uit de beschikbare waarnemingen kon over dat stadium van de evolutie van de ster niets met zekerheid worden afgeleid. De laagfrequente radiowaarnemingen van de in aanbouw zijnde MWA (in zekere zin vergelijkbaar met de LOFAR-telescoop in Drenthe) bieden nu voor het eerst wél informatie over dat rode-superreuzenstadium. Uit de waargenomen zwakke radioruis, afkomstig van het inmiddels sterk afgekoelde gas dat miljoenen jaren geleden de ruimte in werd geblazen, leiden Australische astronomen nu af dat de sterrewind van de rode superreus zwakker en trager was dan tot nu toe werd aangenomen. (GS)
Meer informatie:
Faint Hisses from Space Reveal Famous Star's Past (origineel persbericht)

   
2 augustus 2016 • Centrale deel Melkwegstelsel bevat geen jonge sterren
In het centrale deel van het Melkwegstelsel worden al enkele honderden miljoenen jaren geen nieuwe sterren geboren. Die opmerkelijke conclusie trekken Japanse, Zuid-Afrikaanse en Italiaanse astronomen uit waarnemingen die verricht zijn met een infraroodtelescoop in Zuid-Afrika. De nieuwe resultaten zijn vandaag gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Met de 1,4-meter Infra-Red Survey Facility (IRSF) op het South African Astronomical Observaory in Sutherland zijn tientallen zogeheten cepheïden ontdekt in de richting van het Melkwegcentrum. Cepheïden zijn veranderlijke sterren waarvan de gemiddelde lichtkracht - en daarmee de afstand - eenvoudig is af te leiden uit de waargenomen helderheidswisselingsperiode. De meeste van de nieuw ontdekte cepheïden blijken zich achter het Melkwegcentrum te bevinden. Merkwaardig genoeg werd er niet één gevonden in het centrale deel van het Melkwegstelsel (alleen in het allerbinnenste centrum van het Melkwegstelsel zijn enkele cepheïden ontdekt). Lichtsterke cepheïden zijn zware sterren die op leeftijden van enkele tientallen tot enkele honderden miljoenen jaren al in de instabiele eindfase van hun leven terechtkomen. Het feit dat er binnen een afstand van ca. 8000 lichtjaren van het Melkwegcentrum geen cepheïden voorkomen, betekent dus dat er in dat gebied al een paar honderd miljoen jaar geen nieuwe sterren zijn geboren. Waarnemingen met radiotelescopen deden eerder al vermoeden dat er in deze zogeheten Extreme Inner Disk weinig stervorming plaatsvindt. De nieuwe infraroodmetingen lijken die aanwijzingen nu te ondersteunen. Huidige modellen voor de structuur en de evolutie van het Melkwegstelsel bieden geen verklaring voor het waargenomen gemis aan jonge sterren in de Extreme Inner Disk. (GS)
Meer informatie:
A Giant Stellar Void in the Milky Way (origineel persbericht)

   
1 augustus 2016 • Leven op aarde is mogelijk 'prematuur'
Volgens een enigszins speculatief artikel in Journal of Cosmology and Astroparticle Physics ontstond het leven op aarde mogelijk nogal prematuur, vanuit kosmisch oogpunt bezien. De auteurs, onder leiding van Avi Loeb van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics, rekenen voor dat de kans op de vorming van leven in de verre toekomst ca. duizend maal hoger is dan enkele miljarden jaren geleden, toen op aarde de eerste levensvormen ontstonden. Voor het ontstaan van leven zoals wij dat kennen zijn relatief zware elementen zoals koolstof en zuurstof nodig. Die waren in de prille jeugd van het heelal nog niet beschikbaar; zware elementen ontstaan bij kernfusieprocessen in het inwendige van sterren. Heel kort na de oerknal kon leven dus niet ontstaan. In de zeer verre toekomst (over ca. 10 biljoen jaar) is er ook geen leven meer mogelijk in het heelal, omdat vrijwel alle sterren dan uitgedoofd zullen zijn. Volgens Loeb en zijn collega's neemt de kans op de vorming van leven in de toekomst echter steeds meer toe doordat lichte dwergsterren een enorm veel langere levensduur hebben dan zwaardere sterren zoals onze eigen zon. Hoe langer de dwergsterren bestaan, des te groter is de kans dat er een keer leven ontstaat op een aardeachtige planeet in een baan rond zo'n dwergster. De auteurs tekenen er wel bij aan dat niet goed bekend is hoe gemakkelijk leven zich kan handhaven op een planeet rond een rode dwergster. Dwergsterren vertonen bijvoorbeeld vaak krachtige uitbarstingen waarbij veel schadelijke röntgenstraling vrijkomt. (GS)
Meer informatie:
Is Earthly Life Premature from a Cosmic Perspective? (origineel persbericht)

   
29 juli 2016 • Ruimtesonde Juno bereikt eerste keerpunt
Vijf jaar na haar lancering, en een maand nadat zij in een omloopbaan om de planeet Jupiter terechtkwam, nadert de Amerikaans ruimtesonde Juno haar eerste keerpunt. Komende zondag (31 jul) bereikt Juno het verste punt van haar huidige omloopbaan – het zogeheten ‘apojovium’ – dat ruim 8 miljoen kilometer van de planeet verwijderd is. Vervolgens zal de ruimtesonde ‘terugvallen’ om eind augustus op een afstand van slechts 4200 kilometer langs de wolkentoppen van Jupiter te scheren. Juno is momenteel bezig aan de eerste van twee lange ‘warmlooprondjes’ die elk ruim vijftig dagen in beslag nemen. Hierna zal de ruimtesonde haar raketmotor opstarten om de definitieve, veel kortere omloopbaan te kunnen bereiken van waaruit zij haar wetenschappelijke onderzoek zal verrichten. Tijdens de eerste scheervlucht langs Jupiter, op 27 augustus a.s., zal Juno proefmetingen gaan doen. Vooralsnog zijn al haar meetinstrumenten, die onder meer de atmosfeer van de grote planeet gaan onderzoeken, in goede staat. (EE)
Meer informatie:
Five Years Post-Launch, Juno Is at a Turning Point

   
28 juli 2016 • Hoogenergetische röntgenachtergrondstraling deels verklaard
De NASA-satelliet NuSTAR heeft grote aantallen superzware zwarte gaten opgespoord die bijdragen aan de kosmische ‘röntgenachtergrond’ – een vrij gelijkmatige gloed van röntgenstraling waarvan de oorsprong nog steeds niet helemaal duidelijk is. Met name de herkomst van de meest energierijke component van deze achtergrondstraling is nog onzeker. Bij eerder onderzoek met de röntgensatelliet Chandra was al gebleken dat de röntgenachtergrond voor een groot deel wordt veroorzaakt door zogeheten actieve zwarte gaten – kolossale zwarte gaten in de kernen van verre sterrenstelsels die bezig zijn om materie uit hun omgeving op te slokken. Chandra heeft echter geen zicht op het meest energierijke deel van het röntgenspectrum. Metingen van NuSTAR hebben nu laten zien dat ook die hoogenergetische röntgenstraling voor een belangrijk deel voor rekening komt van actieve zwarte gaten. Zij zijn goed voor ongeveer een derde van deze vorm van röntgenstraling. Waar de rest vandaan komt, is nog onduidelijk. De materie die door zwarte gaten wordt aangetrokken wordt extreem heet en zendt daardoor röntgenstraling uit. En naarmate een superzwaar zwart gat meer ‘brandstof’ aangevoerd krijgt, komt er meer hoogenergetische röntgenstraling vrij. NuSTAR is de eerste satelliet die scherpe opnamen kan maken in dit deel van het elektromagnetische spectrum. (EE)
Meer informatie:
Chorus of Black Holes Sings in X-Rays

   
28 juli 2016 • Komeet 67P is gelaagd, poreus en vooral heel oud
Een gedetailleerde analyse van gegevens die zijn verzameld door de Europese ruimtesonde Rosetta bevestigt dat kometen oude restanten zijn uit de begintijd van ons zonnestelsel, en geen jongere brokstukken die zijn ontstaan door achtereenvolgende botsingen tussen grotere objecten. Tot die conclusie komt een internationaal team van wetenschappers, onder leiding van Björn Davidsson van het Jet Propulsion Laboratory van NASA (Astronomy & Astrophysics, 28 juli). Rosetta’s onderzoek van komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko heeft geleerd dat de beide lobben van dit object een lage dichtheid hebben, een hoge porositeit en een gelaagde opbouw. Dat laatste suggereert dat de twee lobben vóór hun uiteindelijke fusie geleidelijk materiaal hebben verzameld. En hun poreuze karakter wijst erop dat ze waarschijnlijk geen overblijfselen zijn van harde botsingen: dan zouden ze een compactere structuur moeten vertonen. Het feit dat de beide delen van de komeet dezelfde gelaagdheid vertonen, vertelt bovendien dat ze een vergelijkbare voorgeschiedenis hebben. Het beeldmateriaal van Rosetta laat verder zien dat komeet 67P een klonterige structuur vertoont. Hij lijkt te zijn ontstaan uit brokken ijs en gesteente met afmetingen van enkele meters – zogeheten kometesimalen. En de gassen die de komeet door opwarming door de zon uitstoot zijn rijk aan vluchtige stoffen zoals koolstofmonoxide, zuurstof, stikstof en argon.Al met al wijzen de waarnemingen erop dat kometen onder uiterst koude omstandigheden zijn ontstaan, en in de loop van hun leven niet hebben blootgestaan aan significante thermische processen. Hun ontstaansgeschiedenis zou een heel rustige zijn geweest: nadat vroeg in de geschiedenis van het zonnestelsel de grote hemellichamen waren ontstaan, bleven in het buitengebied van het zonnestelsel nog bescheiden hoeveelheden gruis en ijsdeeltjes achter. Dit restmateriaal lijkt heel geleidelijk te zijn samengeklonterd tot kometen als 67P, die dus een schat aan informatie bevatten over de eigenschappen van de wolk van gas en stof waaruit 4,6 miljard jaar geleden de zon, de planeten en de kleinere leden van ons zonnestelsel zijn ontstaan. (EE)
Meer informatie:
How comets are born

   
27 juli 2016 • Amateurastronomen ontdekken een unieke dubbelster
Astronomen hebben ontdekt dat de ster AR Scorpii, die meer dan veertig jaar voor een enkelvoudige pulserende ster is aangezien, een exotische dubbelster is. Hij bestaat uit een rode dwergster en een snel ronddraaiende witte dwergster, die op geringe onderlinge afstand om elkaar wentelen. De witte dwerg stoot bundels van energierijke elektronen uit, zoals ook pulsars (rondtollende neutronensterren) dat doen. Hierdoor vertoont de dubbelster eens in de bijna twee minuten korte helderheidsuitbarstingen (Nature, 28 juli). Het bijzondere gedrag van AR Scorpii is in mei 2015 ontdekt door een groep van amateurastronomen uit Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk. Vervolgwaarnemingen onder leiding van de Universiteit van Warwick, waarbij tal van telescopen op aarde en in de ruimte zijn ingezet, hebben zijn ware aard aan het licht gebracht. AR Scorpii staat in het sterrenbeeld Schorpioen, op 380 lichtjaar van de aarde. Hij bestaat uit een snel ronddraaiende witte dwergster ter grootte van de aarde, maar met 200.000 keer zoveel massa, en een koele rode dwergster van ongeveer een derde zonsmassa. De twee draaien met de regelmaat van een klok om elkaar, met een omlooptijd van 3,6 uur. De sterk magnetische witte dwerg blijkt elektronen tot bijna de snelheid van het licht te kunnen versnellen. Hierdoor ontstaat een vuurtorenachtige bundel van straling die langs het oppervlak van de koele begeleidende ster zwiept. Hierdoor neemt de helderheid van het hele systeem om de 1,97 minuten spectaculair toe, om vervolgens weer af te zwakken. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat de elektronen worden versneld door het magnetische veld van de witte dwerg. Maar onduidelijk is nog waar de elektronen nu precies vandaan komen – van de witte dwerg zelf of van zijn koelere begeleider. (EE)
Meer informatie:
Witte dwerg teistert rode dwerg met mysterieuze straal