27 april 2017 • Ruimtesonde Cassini heeft eerste snoekduik goed doorstaan
Er is weer contact met NASA-ruimtesonde Cassini na diens succesvolle eerste duik door de (relatief) smalle opening tussen de planeet Saturnus en zijn ringen. Cassini is momenteel bezig om de wetenschappelijke en technische gegevens die daarbij zijn verzameld naar de aarde over te seinen. Tijdens zijn duik, die gisterochtend plaatsvond, is de ruimtesonde het wolkendek van Saturnus tot op 3000 kilometer genaderd en de binnenste grens van het ringenstelsel tot op 300 kilometer. Daarbij had hij ten opzichte van de planeet een snelheid van ongeveer 124.000 km/uur. De komende maanden zal Cassini nog 21 van deze snoekduiken maken. De eerstvolgende staat gepland voor 2 mei. (EE)
Meer informatie:
NASA Spacecraft Dives Between Saturn and Its Rings

   
26 april 2017 • Grote en kleine zonneuitbarstingen hebben dezelfde oorzaak
Grote en kleine uitbarstingen op de zon worden mogelijk veroorzaakt door een hetzelfde proces. Tot die conclusie komt een team van Britse en Amerikaanse wetenschappers op basis van computersimulaties. Tot nu toe werd er eigenlijk van uitgegaan dat coronale jets – relatief kleine uitbarstingen van plasma (heet gas) – en de veel omvangrijkere coronale massa-ejecties (CME’s), waarbij enorme hoeveelheden plasma de ruimte in worden geblazen, verschillende oorzaken hebben (Nature, 27 april). Bekend was al dat bij beide soorten uitbarstingen kronkelende filamenten van dicht plasma onderin de zonneatmosfeer betrokken zijn. Maar waarom dat de ene keer op een kleine en de andere keer op een grote uitbarsting uitdraait, was onduidelijk. De wetenschappers hebben ontdekt dat de filamenten in de jets tot uitbarsting komen wanneer de magnetische veldlijnen boven hen breken en zich weer verenigen – een proces dat magnetische reconnectie wordt genoemd. Datzelfde proces werd eerder alleen gezien als verklaring voor de CME’s. Het lijkt er echter op dat afhankelijk van de sterkte en de structuur van het magnetische veld rond het filament een bescheiden coronale jet of een kolossale CME kan ontstaan. (EE)
Meer informatie:
Sun’s Eruptions Might All Have Same Trigger

   
25 april 2017 • Koude plek in kosmische achtergrondstraling blijft moeilijk verklaarbaar
De ‘koude plek’ die te zien is in de kosmische achtergrondstraling wordt niet veroorzaakt door een ‘superleemte’ – een groot leeg gebied in het heelal. Tot die conclusie komt een internationaal onderzoeksteam onder Britse leiding (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 25 april). De kosmische achtergrondstraling is een overblijfsel van de oerknal dat de volledige hemel bestrijkt. Gemiddeld heeft deze straling een temperatuur van 2,73 graden boven het absolute nulpunt (–270 °C), maar er zijn ‘warmere’ en ‘koudere’ plekken. De grootste anomalie – de befaamde koude plek – is ongeveer 0,00015 graden kouder dan zijn omgeving. Eerder onderzoek leek erop te wijzen dat de lagere temperatuur van dit miljoenen lichtjaren grote gebied werd veroorzaakt door een tekort aan sterrenstelsels. Maar uit nieuw onderzoek blijkt dat het met dat tekort wel meevalt. Nauwkeurige afstandsbepalingen van 7000 sterrenstelsels in het gebied van de koude plek laten zien dat de verdeling van deze stelsels dezelfde ‘zeepsopstructuur’ vertoont als de rest van het heelal: leemten die omgeven zijn door clusters van sterrenstelsels. De leemten die in de richting van de koude plek zijn aangetroffen zijn echter lang niet omvangrijk genoeg om de lagere temperatuur van de kosmische achtergrondstraling te kunnen verklaren. Waardoor de koude plek dan wél wordt veroorzaakt, blijft onduidelijk. Het bestaan ervan zou simpelweg op toeval kunnen berusten: computersimulaties van het standaardmodel van het heelal laten geven aan dat er een kans van 1 op 50 is dat zo’n koeler gebied bij toeval ontstaat. Er zijn echter ook (veel) exotischere verklaringen mogelijk. Een daarvan is dat de koude plek is veroorzaakt door een botsing tussen ons heelal en een ander heelal. (EE)
Meer informatie:
New survey hints at exotic origin for the Cold Spot

   
25 april 2017 • Bombardementsgeschiedenis van Mars kende lange onderbreking
In de begintijd van ons zonnestelsel vonden er veel botsingen plaats tussen planeten en kleinere objecten. Wetenschappers van het Southwest Research Institute (SwRI) en de universiteit van Arizona hebben nu echter vastgesteld dat de jonge planeet Mars – evenals de maan en de planeet Mercurius – in dat opzicht een lange periode van relatieve rust heeft gekend. Gedurende ongeveer 400 miljoen jaar vonden er geen grote inslagen plaats (Nature Geoscience, 25 april). Het Marsoppervlak vertoont de littekens van vijf grote inslagen. Het grootste en oudste inslagbekken, Borealis, beslaat bijna het hele noordelijk halfrond van de planeet. Uit een nieuwe analyse blijkt dat de rand van dit bekken slechts door één latere inslag is uitgehold. Deze vond – net als drie andere grote inslagen – 3,8 tot 4,1 miljard jaar geleden plaats. De leeftijd van Borealis zelf kan worden afgeleid uit brokstukken van Mars die uiteindelijk op aarde zijn beland. Onderzoek van deze Marsmeteorieten laat zien dat Borealis 4,5 miljard jaar oud is – bijna zo oud als Mars zelf. Op de planeet zijn verder geen grote inslagstructuren te vinden die jonger zijn dan 4,5 miljard jaar en ouder dan 4,1 miljard jaar. Er lijkt dus 400 miljoen jaar ‘niets’ te zijn gebeurd – althans niets dat zo’n diepe sporen heeft achtergelaten dat we daar nu nog iets van terugzien. Dat bevestigt dat de ‘bombardementsgeschiedenis’ van het centrale deel van ons zonnestelsel uit twee afzonderlijke perioden bestaat: een vroeg bombardement, dat verband hield met het vormingsproces van de binnenste planeten, en een laat bombardement, dat plaatsvond toen deze planeten zo goed als ‘af’ waren. Over de oorzaak van dat ‘late zware bombardement’ lopen de meningen uiteen. (EE)
Meer informatie:
SwRI-Led Team Discovers Lull in Mars’ Giant Impact History

   
25 april 2017 • Apparatuur voor nieuw te bouwen LOFAR-station op transport naar Ierland
‘s Werelds grootste radiotelescoop wordt nóg groter! De Low Frequency Array (LOFAR) wordt uitgebreid met een station in Ierland. Maandag 24 april is een eerste vrachtwagen met daarin meer dan vijftig kilometer aan speciale coaxkabels begonnen aan de reis van Nederland naar Ierland. Vandaag, 25 april, zullen er twee vrachtauto’s met andere onderdelen van Westerbork vertrekken naar Ierland. In de komende weken zullen er nog eens dertien zeecontainers met onderdelen voor het Ierse LOFAR-station via de haven van Rotterdam naar Dublin worden overgebracht. Het ‘hart’ van het LOFAR station, een ‘storingsvrije’ container met daarin alle ontvangers en computerapparatuur gemonteerd, wordt vandaag voorzichtig op een trailer geladen en via Zeebrugge (België) naar Ierland overgevaren. De voorbereidingen voor de bouw van het nieuwe LOFAR-station is al meer dan een jaar aan de gang. Het komt te staan op het landgoed van het kasteel van Birr. Birr Castle kent een lange astronomische geschiedenis: in 1845 bouwde de toenmalige kasteelheer, de 3e Graaf van Ross, er een grote optische telescoop, de ‘Leviathan’, die maar liefst 75 jaar de grootste telescoop ter wereld bleef. Nu komt er dus een stukje van de (voorlopig) grootste radiotelescoop te staan. De LOFAR-telescoop bestaat uit een netwerk van vijftig antennestations, waarvan er 38 in (Noord-)Nederland staan, zes in Duitsland, drie in Polen en elk één in Frankrijk, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en binnenkort dus Ierland. Dankzij het nieuwe Ierse station zal de grootste afstand tussen de antennestations toenemen tot 2000 kilometer. Dankzij deze vergrote omvang zal LOFAR nog detailrijkere beelden kunnen maken. (EE)
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
24 april 2017 • Gaan VS en Europa gezamenlijk naar intrigerende Jupitermaan?
Tijdens de bijeenkomst van de European Geosciences Union, die momenteel in Wenen plaatsvindt, zijn plannen onthuld voor een Amerikaans/Europese ruimtemissie naar de intrigerende Jupitermaan Europa. De Joint Europa Mission behelst de lancering, omstreeks 2025, van een ruimtesonde die de ijzige maan na een reis van bijna vijf jaar zou bereiken. Vermoed wordt dat er onder het oppervlak van Europa een relatief warme oceaan schuilgaat, waarin theoretisch leven mogelijk is. Zoals de plannen er nu uitzien zou de Joint Europa Mission uit drie onderdelen bestaan: een lander, een orbiter en een gecontroleerde crash op het oppervlak van Europa. De lander zou ongeveer een maand lang metingen gaan doen op Europa, om te zien of daar moleculair materiaal te vinden is dat van biologische oorsprong kan zijn. De orbiter zou de maan gedurende drie maanden vanuit een lage omloopbaan verkennen, om meer te weten te komen over de samenstelling en omvang van diens vermeende oceaan. Uiteindelijk zou de orbiter op het oppervlak moeten neerstorten, om onderweg gegevens te verzamelen over de samenstelling van de ijle atmosfeer van Europa. Daarbij moet ervoor worden gezorgd dat de kans verwaarloosbaar klein is dat de Jupitermaan met aardse organismen wordt ‘besmet’. Het nieuwe plan bouwt voort op bestaande plannen van NASA en ESA. Het Amerikaanse ruimteagentschap zal rond 2022 al een andere ruimtesonde richting Europa sturen – de Europa Clipper – maar die zal niet op het oppervlak van de Jupitermaan landen. Rond dezelfde tijd gaat ook de Europese ruimtemissie JUICE richting Jupiter, die onder meer ook de maan Europa zal verkennen. De Joint Europa Mission zou de eerste zijn die specifiek naar sporen van leven gaat zoeken en op het oppervlak van de Jupitermaan landt. Of het nieuwe plan doorgaat, hangt volledig af van de Amerikaanse deelname. NASA moet namelijk het meest cruciale onderdeel – de lander – leveren. De Joint Europa Mission staat of valt dus met de bereidheid van president Trump om de portemonnee ervoor te trekken. (EE)
Meer informatie:
NASA and ESA join forces to build life-seeking Europa lander

   
24 april 2017 • Geen weg terug meer voor ruimtesonde Cassini
Afgelopen zaterdag is de Amerikaanse ruimtesonde Cassini voor het laatst dicht langs de grote Saturnusmaan Titan gescheerd. De ‘flyby’ heeft Cassini in een zodanige baan gebracht dat hij aan zijn ‘grote finale’ kan beginnen. Morgenochtend – woensdag 26 april – duikt de ruimtesonde voor het eerst in het slechts 2400 kilometer brede ‘gat’ tussen de planeet Saturnus en de binnenste begrenzing van diens ringenstelsel. En dat kunstje zal de komende maanden 21 keer worden herhaald. Tijdens zijn laatste ontmoeting met Titan heeft de ruimtesonde nog een reeks radarbeelden gemaakt van de meren van vloeibare methaan en ethaan bij de noordpool van de grote Saturnusmaan. Daarbij is onder meer een gebied in kaart gebracht dat nog niet eerder met het radarinstrument is bekeken. De verzamelde gegevens zullen worden gebruikt om de diepte en samenstelling van enkele kleinere meren te bepalen. De 22 omlopen die Cassini door de opening tussen Saturnus en diens ringen voert, vormen het slotstuk van een succesvolle onderzoeksmissie die ruim dertien jaar heeft geduurd. Vanwege het enigszins riskante karakter ervan is dit onderdeel van de missie tot het laatst bewaard. Ongeacht de uitkomst van de 22 ‘snoekduiken’ komt er op 15 september aanstaande een definitief einde aan de Cassini-missie. De ruimtesonde zal dan met hoge snelheid de dichte atmosfeer van Saturnus binnendringen en spoedig daarna desintegreren. (EE)
Meer informatie:
Cassini Completes Final – and Fateful – Titan Flyby

   
24 april 2017 • Zonnestelsel heeft geen ‘magnetische staart’
Gegevens van de interplanetaire ruimtesondes Cassini en Voyager en de IBEX-satelliet wijzen erop dat de heliosfeer – de magnetische invloedssfeer van de zon, die het centrale deel van het zonnestelsel omsluit – compacter en ronder is dan tot nog toe werd gedacht. Het lijkt er niet op dat de zon een lange ‘magnetostaart’ achter zich aan sleept (Nature Astronomy, 24 april). De zon blaast voortdurend grote aantallen geladen deeltjes de ruimte in, die pas ver buiten de omloopbaan van de planeet Neptunus worden afgeremd. Deze ‘zonnewind’ resulteert in een 37 miljard kilometer grote bubbel, die de heliosfeer wordt genoemd. Omdat ons zonnestelsel, inclusief heliosfeer, zich in weg baant door de interstellaire ruimte, bestond het vermoeden dat de heliosfeer zou bestaan uit een brede ‘kop’ en een lange staart, zoals ook andere sterren die vertonen. Maar de nieuwe gegevens wijzen erop dat de heliosfeer vrijwel bolvormig is. Dat blijkt onder meer uit metingen van de ruimtesonde Cassini, die al sinds 2004 om de planeet Saturnus draait. Wanneer geladen zonnedeeltjes de rand van de heliosfeer bereiken, ondergaan ze soms een reeks interacties met het neutrale gas in de interstellaire ruimte, die ervoor zorgen dat ze terug het zonnestelsel in worden gekaatst. De Cassini-metingen hebben nu laten zien dat de deeltjes uit de vermeende staart van de heliosfeer bijna net zo snel weer terug zijn in het centrale deel van het zonnestelsel als de deeltjes uit de ‘neus’ van de heliosfeer. Als de heliosfeer een lange staart had, zouden de teruggekaatste deeltjes uit dat gebied veel later moeten aankomen. Waarom ons zonnestelsel geen ‘magnetische staart’ heeft, is niet helemaal duidelijk. Maar gegevens van de ruimtesonde Voyager 1 wijzen erop dat het interstellaire magnetische veld buiten de heliosfeer sterker is dan gedacht. Mogelijk is dat veld krachtig genoeg om de vorming van die staart tegen te houden. (EE)
Meer informatie:
NASA’s Cassini, Voyager Missions Suggest New Picture of Sun’s Interaction with Galaxy

   
24 april 2017 • Chriet Titulaer overleden
Afgelopen weekend is, op 73-jarige leeftijd, Chriet Titulaer overleden. Titulaer – geboren in Hout-Blerick – was vooral bekend van zijn tv-programma’s, zoals Wondere Wereld van de TROS en zijn verslag (samen met Henk Terlingen) van de eerste bemande maanlanding in 1969, maar oorspronkelijk was hij sterrenkundige. Al tijdens zijn studie richtte hij, samen met Ton Smit, op 18 april 1965 de afdeling Venlo van de (Koninklijke) Nederlandse Vereniging voor Weer en Sterrenkunde op. Een jaar later organiseerde hij de tentoonstelling ‘Mens en Heelal’ – tot dan toe de grootste manifestatie op het gebied van weer- en sterrenkunde en ruimtevaart die in Nederland was gehouden. Na een aantal jaren ook daadwerkelijk als astronoom te hebben gewerkt (in de VS en Frankrijk), richtte hij zijn aandacht definitief op de popularisatie van wetenschap en techniek. Tussen 1969 en 1990 was hij vaak op tv te zien. En in 1986 organiseerde hij de grote ruimtevaarttentoonstelling Space ’86 in de Utrechtse jaarbeurs. Ook was Titulaer auteur van tientallen boeken over uiteenlopende onderwerpen. Om gezondheidsredenen moest Titulaer zijn tv-activiteiten in de jaren negentig staken. Hij overleed in een verzorgingshuis in Driebergen. In 2007 is een planetoïde naar hem vernoemd: 12333 Titulaer. (EE)

   
21 april 2017 • Canadese poollichtwaarnemers ontdekken onbekend hemelverschijnsel
Canadese poollichtonderzoekers hebben een merkwaardig nachtelijk hemelverschijnsel ontdekt, waar nog geen verklaring voor bestaat. Het betreft een lange, paarsrode lichtstrook aan de hemel die gedurende meer dan twintig minuten zichtbaar kan zijn. Het verschijnsel, dat op foto’s duidelijker te zien is dan met het blote oog, wordt voorlopig ‘Steve’ genoemd – een benaming die is ontleend aan de animatiefilm ‘Over the Hedge’, waarin onbegrijpelijke zaken met deze naam worden aangeduid. Poollicht ontstaat door de interactie tussen geladen deeltjes van de zon(newind) en het magnetische veld van de aarde. Of ook de oorzaak van ’Steve’ in die hoek moet worden gezocht, is nog onduidelijk: wetenschapper Eric Donovan van de universiteit van Calgary hoopt daar binnenkort een eerste theorie over te publiceren. Donovan werd op het lichtverschijnsel geattendeerd door leden van de ‘Alberta Aurora Chasers’, die het enkele jaren voor het eerst hebben vastgelegd. Hoewel ‘Steve’ alleen al vorig jaar vijftig keer is waargenomen, hadden professionele wetenschappers er tot voor kort geen weet van. Geïntrigeerd door het verschijnsel, heeft Donovan gegevens van de Europese Swarm-missie – drie identieke satellieten die de magnetosfeer en ionosfeer van de aarde onderzoeken – doorgespit. Daarbij is hij op meetgegevens gestuit die zijn verkregen toen een van de satellieten zo’n lichtband doorkruiste. De gegevens laten zien dat het lichtschijnsel ontstaat op ongeveer 300 kilometer boven het aardoppervlak. Het lijkt te gaan om een 25 kilometer brede ‘rivier’ van gas van 3000 graden Celsius, die zich over een lengte van honderden of zelfs duizenden kilometers uitstrekt. Het gas beweegt met een snelheid van ongeveer 20.000 km/uur ten opzichte van de omringende lucht. Op grond daarvan pleiten wetenschappers ervoor om ‘Steve’ te beschouwen als het acroniem van ‘Strong Thermal Emission Velocity Enhancement’. Zoals gezegd: naar de oorzaak van het verschijnsel is het nog gissen. Volgens Donovan gaat het echter niet om normaal poollicht, al was het maar omdat het duidelijk dichter bij de evenaar ontstaat. Ook lijkt ‘Steve’ een voorkeur te hebben voor het winterseizoen. (EE)
Meer informatie:
When Swarm Met Steve

   
20 april 2017 • Viervoudige afbeelding van een en dezelfde supernova-explosie waargenomen
Een astronomische onderzoeksteam onder Zweedse leiding heeft met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop gekeken naar een supernova-explosie die door een natuurlijk lenseffect viervoudig is afgebeeld. De vier afzonderlijke beelden van de ontploffende ster zullen worden gebruikt om de uitdijingssnelheid van het heelal te meten (Science, 21 april). Het licht van de supernova, die de aanduiding iPTF16geu heeft gekregen, heeft er 4,3 miljard jaar over gedaan om de aarde te bereiken. Onderweg is dat licht afgebogen door het zwaartekrachtsveld van een tussenliggend sterrenstelsel dat bijna half zo ver weg staat. Dit zogeheten zwaartekrachtlenseffect heeft ervoor gezorgd dat er rond dat sterrenstelsel vier afbeeldingen van de ontploffende ster te zien zijn. De waargenomen supernova is van een type dat een voorspelbare intrinsieke helderheid heeft. Dat betekent dat astronomen uit de helderheid van iPTF16geu kunnen afleiden hoe ver deze van ons is verwijderd. Het voor het eerst dat een viervoudig afgebeelde supernova van dit ‘type Ia’ is waargenomen. Momenteel zijn de astronomen bezig om heel nauwkeurig te meten hoe lang het licht van de vier beeldjes van de supernova onderweg is geweest. Dat licht heeft ons immers langs afzonderlijke wegen bereikt en zal dus kleine verschillen in ‘reistijd’ vertonen. Deze verschillen kunnen worden gebruikt om heel nauwkeurig de zogeheten Hubble-constante uit te rekenen – een grootheid die aangeeft hoe snel het heelal uitdijt. (EE)
Meer informatie:
Hubble observes first multiple images of explosive distance indicator

   
20 april 2017 • Nog geen kunstmatige buitenaardse signalen opgepikt met ‘Breakthrough Listen’
Breakthrough Listen – een initiatief van internet-investeerder Yuri Milner, gericht op het zoeken naar kunstmatige radiosignalen uit de ruimte – heeft de eerste oogst aan meetgegevens gepubliceerd. Tijdens het eerste jaar zijn 692 sterren ‘afgeluisterd’ met de grote Green Bank-radiotelescoop in West Virginia (VS). Daarbij zijn elf opvallende signalen opgepikt, maar nader onderzoek heeft uitgewezen dat het waarschijnlijk niet om kunstmatige signalen van buitenaardse oorsprong gaat. Van elk van de 692 sterren zijn drie keer vijf minuten radiowaarnemingen gedaan. Vervolgens zijn de registraties met behulp van speciale software geanalyseerd. Bij deze analyse wordt gelet op radiosignalen die zich onderscheiden van natuurlijke processen. Te denken valt aan signalen met een smalle bandbreedte, pulsaties, onregelmatigheden in het spectrum en andere ongewone kenmerken. Speciale algoritmen moeten ervoor zorgen dat signalen van aardse bronnen, zoals satellieten, buiten beschouwing worden gelaten. De wetenschappers van Breakthrough Listen zullen vanaf nu ongeveer eens per half jaar verslag doen van hun waarnemingen. Het project loopt tot 2026. (EE)
Meer informatie:
Breakthrough Listen Initiative Publishes Initial Results

   
20 april 2017 • Hubble-ruimtelescoop wordt 27
Op 24 april a.s. is het 27 jaar geleden dat de Hubble-ruimtetelescoop uit het laadruim van de spaceshuttle Discovery werd gezet. De ruimteagentschappen ESA (Europa) en NASA (VS) vieren dat feit elk jaar met de presentatie van een spectaculaire nieuwe opname. Op de foto van dit jaar staan twee zeer verschillende spiraalstelsels die buren van elkaar zijn: NGC 4302 en NGC 4298. NGC 4302, die we van opzij zien, en NGC 4298 staan beide op een afstand van ongeveer 55 miljoen lichtjaar in het noordelijke sterrenbeeld Haar van Berenice. Het tweetal, dat in 1784 door de Britse astronoom William Herschel is ontdekt, maakt deel uit van de zogeheten Virgo-cluster, een samenscholing van bijna tweeduizend afzonderlijke sterrenstelsels die door de zwaartekracht bijeengehouden worden. NGC 4302 is net iets kleiner dan onze eigen Melkweg, NGC 4298 maar half zo groot. De kleinste afstand tussen de beide stelsels bedraagt slechts 7000 lichtjaar. Maar merkwaardig genoeg lijken ze elkaar nauwelijks te verstoren. Naar verwachting zal dit niet de laatste verjaardagsfoto van de Hubble-ruimtetelescoop zijn. Hoewel zijn opvolger – de James Webb-ruimtetelescoop – bijna in de startblokken staat, wordt er nog volop onderzoek gedaan met Hubble. Als er geen groot defect optreedt zal hij nog jaren in bedrijf kunnen blijven. (EE)
Meer informatie:
Hubble Celebrates 27 Years With Two Close Friends

   
19 april 2017 • ‘Aardscheerder’ 2014 JO25 is pindavormig
NASA-wetenschappers hebben radarbeelden gemaakt van de relatief grote planetoïde 2014 JO25, die onze planeet afgelopen woensdag op een veilige afstand van 1,8 miljoen kilometer passeerde. De beelden laten een pindavormig object zien met een rotatieperiode van ongeveer vijf uur. De vorm van de planetoïde doet vermoeden dat hij is opgebouwd uit twee kleinere objecten die lang geleden met elkaar ‘versmolten’ zijn. De grootste van de twee lobben heeft een middellijn van ongeveer 620 meter. Het zal nog zeker vijfhonderd jaar duren voordat 2014 JO25 weer zo dichtbij komt als nu. (EE)
Meer informatie:
NASA Radar Spots Relatively Large Asteroid Prior to Flyby

   
19 april 2017 • Veelbelovende ‘superaarde’ ontdekt bij nabije rode dwergster
Een internationaal team van astronomen heeft een ‘superaarde’ ontdekt die zich binnen de leefbare zone van de slechts veertig lichtjaar verre ster LHS 1140 bevindt. De planeet is een beetje groter en aanzienlijk zwaarder dan de aarde en zou een atmosfeer kunnen hebben. Omdat hij eens in de 25 dagen voor zijn moederster langs schuift, maakt dit hem tot een interessant object voor toekomstig atmosfeeronderzoek (Nature, 20 april). LHS 1140 is een zwakke rode dwergster in het sterrenbeeld Walvis. Rode dwergen zijn veel kleiner en koeler dan de zon. Hierdoor ontvangt exoplaneet LHS 1140b, hoewel hij zich tien keer dichter bij zijn ster bevindt dan de aarde bij de zon, maar ongeveer half zoveel licht van zijn ster als de aarde. Daarmee bevindt hij zich in het hart van de leefbare zone rond de ster, wat betekent dat de temperatuur op zijn oppervlak zo gematigd is, dat er vloeibaar water kan bestaan. Rode dwergsterren zijn berucht om hun wispelturige gedrag. Ze produceren vaak grote uitbarstingen, die funest zijn voor de atmosferen van nabije planeten. Maar LHS 1140 zendt minder hoogenergetische straling uit dan vergelijkbare sterren met weinig massa. Hierdoor bestaat de kans dat LHS 1140b een atmosfeer heeft weten te behouden, al staat dat nog niet vast. In dat geval zou er ook vloeibaar water op zijn oppervlak kunnen zijn. De astronomen schatten dat de planeet minstens vijf miljard jaar oud is. Ook hebben zij vastgesteld dat hij 1,4 keer zo groot is als de aarde – bijna 18.000 kilometer. Uit het feit dat zijn massa ongeveer zeven keer zo groot is als die van onze planeet kan worden afgeleid dat hij grotendeels uit ijzer en gesteente bestaat. Waarnemingen die binnenkort met de Hubble-ruimtetelescoop worden gedaan, moeten uitsluitsel geven over de hoeveelheid straling die op LHS 1140b neerregent, zodat zijn ‘levensvatbaarheid’ nader kan worden bepaald. Zodra nieuwe grote telescopen zoals de Europese Extremely Large Telescope in bedrijf zijn, kunnen astronomen ook zijn eventuele atmosfeer aan een gedetailleerd onderzoek onderwerpen. (EE)
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
19 april 2017 • Wind en drukgolven maken planetoïdeninslag dodelijk
Als er ooit weer een planetoïde op aarde inslaat, wat eist dan de meeste slachtoffers: de verzengende hitte, het rondvliegende puin of de enorme tsunami’s? Britse aardwetenschappers hebben het onderzocht en komen tot de conclusie dat hevige winden en drukgolven de grootste bedreiging vormen (Geophysical Research Letters, 19 april). Bij het onderzoek zijn – met behulp van computermodellen – zeven effecten onder de loep genomen die door inslaande planetoïden (kunnen) worden veroorzaakt: hitte, drukgolven, rondvliegend puin, tsunami’s, windstoten, aardschokken en kratervorming. Voor elk van deze effecten is uitgerekend hoeveel dodelijke slachtoffers deze zou eisen. De berekeningen laten zien dat windstoten en schokgolven verreweg het dodelijkst zijn: meer dan zestig procent van alle slachtoffers komt voor hun rekening. De hitte die bij de inslag vrijkomt is goed voor nog eens dertig procent. Aardschokken, kratervorming en rondvliegend puin richten de minste schade aan. Ook zijn inslagen op land gemiddeld veel gevaarlijker dan planetoïden die ergens in de oceaan belanden. Deze laatste kunnen weliswaar tsunami’s veroorzaken, maar de modellen laten zien dat de hoge vloedgolven doorgaans stukslaan op het continentaal plat – de geleidelijke overgang tussen oceaan en continent. Alleen inslagen dicht bij de kust veroorzaken veel schade. Volgens de wetenschappers kunnen gegevens als deze worden gebruikt om de bevolking van onze planeet beter te kunnen voorbereiden op een op handen zijnde inslag. De kans daarop is overigens heel klein. De aarde wordt maar ongeveer eens in de 1500 jaar getroffen door een planetoïde met afmetingen van minimaal zestig meter. Exemplaren van 400 meter treffen onze planeet slechts maar eens in de 100.000 jaar. Daarbij komt nog dat bijna driekwart van de binnenkomende planetoïden in een van de oceanen plonst. (EE)
Meer informatie:
New Study Ranks Hazardous Asteroid Effects From Least to Most Destructive

   
18 april 2017 • Aardverschuivingen op Ceres wijzen op ondergronds ijs
Dicht onder het oppervlak van de dwergplaneet Ceres - met een middellijn van 950 kilometer het grootste hemellichaam in de planetoïdengordel - komen grote hoeveelheden ijs voor. Daar waren al eerder aanwijzingen voor gevonden, maar onderzoekers van het Georgia Institute of Technology komen nu met nieuw bewijs. In Nature Geoscience beschrijven ze aardverschuivingen op de dwergplaneet, die mogelijk gemaakt worden doordat zich direct onder het oppervlak een mengsel bevindt van gesteente en naar schatting 10 tot 50 procent ijs. Op Ceres blijken zeer veel aardverschuivingen voor te komen: één op de drie kraters met een middellijn van meer dan 10 kilometer vertoont er op de een of andere manier de sporen van. Op basis van gedetailleerde foto's van de Amerikaanse ruimtesonde Dawn onderscheiden de onderzoekers drie typen aardverschuivingen. Type I vertoont overeenkomsten met gletsjers op aarde; type II met lawines, en verschuivingen van type III ontstaan wanneer een deel van het ijs (als gevolg van de energie van een kosmische inslag) is gesmolten. Uit de verdeling van de aardverschuivingen over het oppervlak van Ceres blijkt overduidelijk dat ze in de poolgebieden veel talrijker zijn dan dichter bij de evenaar. Dat is volgens de onderzoekers een extra aanwijzing dat ze mede veroorzaakt worden door de aanwezigheid van ondergronds ijs. Uit eerdere Dawn-metingen met een neutronenspectrometer bleek namelijk al dat de toplaag van Ceres in de poolgebieden meer waterstofatomen bevat dan dichter bij de evenaar. (GS)
Meer informatie:
Landslides on Ceres Reflect Hidden Ice (origineel persbericht)

   
17 april 2017 • LISA Pathfinder werkt ook als stofdetector
NASA-onderzoekers hebben gedemonstreerd dat de Europese ruimtesonde LISA Pathfinder gebruikt kan worden als detector voor kosmisch stof. LISA Pathfinder is een ruimtemissie die in december 2015 is gelanceerd en die in 2016 technologieën heeft uitgetest die in de toekomst nodig zijn voor het detecteren van zwaartekrachtgolven vanuit de ruimte. De zogeheten 'testmassa's' in het hart van de ruimtesonde (vrij zwevende kubusjes van een goud-platinalegering) verkeren daartoe in perfecte vrije val in hun baan rond de zon; minieme verstoringen in de oriëntatie en de beweging van de 'omhullende' ruimtesonde worden opgemeten en gecompenseerd door micro-stuurraketjes. Een deel van die 'externe ruis' wordt veroorzaakt door de inslag van microscopisch kleine stofdeeltjes, die voornamelijk afkomstig zijn van kometen. De NASA-wetenschappers hebben nu laten zien dat het mogelijk is om uit de activiteit van de micro-stuurraketjes informatie af te leiden over de herkomstrichting, bewegingssnelheid en massa van de botsende stofdeeltjes. In de toekomst kunnen vergelijkbare algoritmes ook gebruikt worden bij de uiteindelijke LISA-missie (Laser Interferometer Space Antenna), die rond 2030 gelanceerd moet worden en die daadwerkelijk zwaartekrachtgolven gaat opmeten. Onderzoek aan botsingen met interplanetaire stofdeeltjes op grote afstand van de aarde biedt veel informatie over de verdeling van het stof in het zonnestelsel. (GS)
Meer informatie:
NASA Team Explores Using LISA Pathfinder as 'Comet Crumb' Detector (origineel persbericht)

   
17 april 2017 • Kilometer grote planetoïde scheert langs aarde
Een rotsblok met een middellijn van ca. 1 kilometer scheert op woensdag 19 april op relatief kleine afstand langs de aarde. De dichtste nadering vindt plaats om 14.24 uur Nederlandse tijd. De kleine planetoïde, met de officiële aanduiding 2014 JO25, zal de aarde dan tot 1,77 miljoen kilometer - minder dan vijf keer de afstand tussen de aarde en de maan. Het hemellichaam heeft een snelheid van 33 kilometer per seconde. Kleinere kosmische projectielen vliegen regelmatig op veel kleinere afstanden voorbij, maar in de afgelopen 13 jaar is een rotsblok met deze afmetingen niet dichter bij de aarde gekomen. De vorige keer dat 2014 JO25 de aarde zo dicht naderde, was 400 jaar geleden. Er bestaat geen enkel gevaar voor een kosmische inslag, en het kleine hemellichaam is ook niet met het blote oog zichtbaar. De astronomische videodienst Slooh wijdt wel een speciale uitzending aan de scheervlucht, in de nacht van woensdag 19 op donderdag 20 april, tussen 01.00 en 01.30 uur Nederlandse tijd. (GS)
Meer informatie:
Asteroid to Fly Safely Past Earth on April 19 (origineel persbericht)

   
14 april 2017 • Nog een nieuwe theorie over het geluid van vallende sterren
Wetenschappers hebben een nieuwe theorie bedacht voor het feit dat meteoren (‘vallende sterren’) soms gelijktijdig te zien én te horen zijn. Dezelfde hypothese zou ook de geluiden kunnen verklaren die sommige waarnemers bij het optreden van poollicht menen te horen (Geophysical Research Letters, 9 april). Al eeuwenlang beweren waarnemers van meteoren dat deze hemelverschijnselen gepaard gaan met sissende geluiden. Dat is opmerkelijk, omdat meteoren worden veroorzaakt door ruimtesteentjes die op tientallen kilometers hoogte door de dampkring suizen. Je zou dus verwachten dat hun eventuele geluiden minuten later bij de waarnemer aankomen dan hun licht. De oorzaak van het waargenomen geluid wordt dan ook veelal gezocht bij iets dat net zo snel beweegt als het licht: laagfrequente radiostraling. Deze straling zou alledaagse voorwerpen zoals omheiningen, haren en zelfs brillen aan het trillen brengen en op die manier hoorbaar geluid genereren – een verschijnsel dat elektrofonica wordt genoemd. Het probleem is echter dat het geluid lang niet altijd waarneembaar is, en bovendien is onduidelijk hoe die radiostraling precies ontstaat. Voor dat laatste hebben Michael Kelley van de Cornell University en Colin Price van de universiteit van Tel Aviv nu een scenario bedacht. Wanneer een meteoor (of beter gezegd: meteoroïde) zich een weg baant door de atmosfeer, wordt de omringende lucht geïoniseerd, dat wil zeggen: gesplitst in positief geladen ionen en lichtere, negatief geladen elektronen. De ionen blijven de meteoor volgen, maar de elektronen worden afgebogen door het aardmagnetische veld. Door deze scheiding van ladingen ontstaat een sterk elektrisch veld dat een stroom opwekt. En het is deze laatste die de radiogolven doet ontstaan. De grootte van het binnenkomende deeltje en de snelheid waarmee het beweegt zouden bepalend zijn voor de frequentie van de radiogolven. Eerder dit jaar presenteerden onderzoekers van Sandia National Laboratories een andere verklaring voor het geluid van meteoren. Volgens hen zouden heldere meteoren een snelle, geringe opwarming van de lucht rond de waarnemer veroorzaken, die in kleine drukgolven (geluid dus) resulteert – een verschijnsel dat foto-akoestische koppeling wordt genoemd. Price en Kelley achten dat echter onwaarschijnlijk: meteoren zouden zo helder moeten zijn als de volle maan om dergelijke geluidsgolven te kunnen produceren. In het nieuwe model zijn alle meteoren daartoe in staat, alleen gebeurt dat vaak op frequenties die wij niet kunnen horen. (EE)
Meer informatie:
New theory may explain the ‘music of the meteors’

   
13 april 2017 • Saturnusmaantje Atlas heeft ‘donzig’ oppervlak
Afgelopen woensdag vloog de Amerikaanse ruimtesonde Cassini op een afstand van slechts 11.000 kilometer langs het kleine Saturnusmaantje Atlas. Bij die gelegenheid zijn de tot nu toe meest gedetailleerde opnamen van dit merkwaardig gevormde object verkregen. Bekend was al dat Atlas een beetje op een vliegende schotel lijkt (of een platgeslagen oliebol of een raviolo). Uit de nieuwe beelden blijkt nu ook dat de dunne opstaande rand langs zijn evenaar opmerkelijk glad is. Het lijkt erop dat deze is bedenkt met ‘donzig’ materiaal. Daarin onderscheidt Atlas zich van het Saturnusmaantje Pan, dat weliswaar ongeveer dezelfde vorm heeft, maar veel scherpere structuren vertoont. Het enige andere grote verschil tussen beide is dat Pan zich binnen een van de ringen van Saturnus bevindt en Atlas zich daar vlak buiten verblijft. Volgens de meest gangbare theorie zouden de dunne randen van maantjes als deze zijn opgebouwd uit ijsdeeltjes die afkomstig zijn uit de ringen. De maantjes zouden dit materiaal simpelweg hebben opgeveegd. Maar de opvallende verschillen tussen Atlas en Pan wijzen erop dat het wel eens om een ingewikkelder proces zou kunnen gaan. (EE)
Meer informatie:
Cassini Sees 'Flying-Saucer' Moon Atlas Up Close

   
13 april 2017 • Op Saturnusmaan Enceladus zijn mogelijk hydrothermale bronnen actief
Gegevens van de ruimtesonde Cassini wijzen erop dat er op de bodem van de ‘ondergrondse’ oceaan van de Saturnusmaan Enceladus hydrothermale bronnen actief zijn. Het waterstofgas dat deze bronnen uitstoten zou, in combinatie met in water opgelost koolstofdioxide, door eventueel aanwezige micro-organismen als energiebron kunnen worden gebruikt. Bij de reactie tussen waterstof en koolstofdioxide ontstaat methaan (Science, 14 april). Dat de oceaan onder de ijskorst van Enceladus waterstof bevat, is ontdekt toen Cassini eind oktober 2015 zijn diepste ‘duik’ maakte in de pluim van gas en ijsdeeltjes die via barsten in de ijskorst bij de zuidpool van Enceladus ontsnapt. De metingen laten zien dat deze pluim voor bijna 98 procent uit waterdamp bestaat, voor één procent uit waterstof en voor de rest uit een mengsel van andere moleculen, waaronder koolstofdioxide en methaan. In een gelijktijdig gepubliceerd artikel in The Astrophysical Journal Letters maakt een ander team van wetenschappers bekend dat ook de veel grotere Jupitermaan Europa regelmatig pluimen van materiaal de ruimte in blaast. Deze uitstoot werd in 2014 voor het eerst opgemerkt door de Hubble-ruimtetelescoop, en lijkt zich in 2016 te hebben herhaald. Volgens de wetenschappers zou het bij Europa eveneens kunnen gaan om waterdamp die via barsten in de ijskorst naar de ruimte ontsnapt. (EE)
Meer informatie:
NASA Missions Provide New Insights into 'Ocean Worlds' in Our Solar System

   
13 april 2017 • Frankrijk en Japan willen landen op Marsmaan
De ruimteagentschappen van de Frankrijk en Japan overwegen een missie waarbij een ruimtesonde materiaal van het oppervlak van de Marsmaan Phobos gaat ophalen. Daartoe hebben Parijs en Tokio afgelopen maandag een principe-overeenkomst getekend. De lancering zou in 2024 moeten plaatsvinden. De enigszins eivormige Marsmaan Phobos is slechts 27 kilometer lang. Over zijn oorsprong bestaat nog veel onduidelijkheid, en een analyse van zijn samenstelling zou daar een einde aan kunnen maken. Het maantje zou een ingevangen planetoïde kunnen zijn, maar het is ook denkbaar dat het bestaat uit puin dat na een inslag op Mars de ruimte in werd geblazen. Het zou niet voor het eerst zijn dat er een ruimtesonde in de richting van Phobos vertrekt. In 1988 stuurde de toenmalige Sovjet-Unie twee ruimtesondes naar het Marsmaantje, waarvan er slechts één zijn doel bereikte (en kort daarna uitviel). In 2011 lanceerde Rusland de Phobos-Grunt, die eveneens bodemmonsters zou gaan inzamelen, maar door een probleem bij de lancering strandde deze in een baan om de aarde. (EE)
Meer informatie:
France, Japan aim to land probe on Mars moon

   
12 april 2017 • Verre soortgenoot van Pluto opgemeten
Astronomen hebben, met behulp van de ALMA-telescoop in het noorden van Chili, de verre ‘ijsdwerg’ 2014 UZ224 – ook wel DeeDee genoemd – onder de loep genomen. DeeDee is het op één na verste object in ons zonnestelsel waarvan de omloopbaan goed bekend is. Alleen de dwergplaneet Eris schopt het nog verder. Uit de ALMA-gegevens blijkt dat DeeDee een vrij donker oppervlak heeft en ongeveer 635 kilometer groot is. Daarmee is zij ongeveer een derde kleiner dan de dwergplaneet Ceres, die tussen Mars en Jupiter om de zon cirkelt. Dat zou, gezien haar ijsachtige samenstelling, voldoende moeten zijn om DeeDee min of meer bolvormig te laten zijn – het criterium waaraan voldaan moet zijn om tot de dwergplaneten te worden gerekend. Met een afstand van bijna 14 miljard kilometer bevindt DeeDee zich momenteel ongeveer drie keer zo ver van de zon als de dwergplaneet Pluto. Over één rondje om de zon doet ze meer dan 1100 jaar. (EE)
Meer informatie:
ALMA Investigates ‘DeeDee,’ a Distant, Dim Member of Our Solar System

   
12 april 2017 • Bestaan van ‘bruggen’ van donkere materie bevestigd
Astronomen van de universiteit van Waterloo (Canada) hebben de eerste compositiefoto gemaakt van de ‘brug’ van donkere materie die sterrenstelsels met elkaar verbindt. De foto bevestigt de voorspelling dat de sterrenstelsels in ons heelal met elkaar verbonden zijn door een kosmisch ‘web’ van donkere materie (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 12 april). Donkere materie is een mysterieuze substantie die ongeveer een kwart van de totale hoeveelheid energie en materie in ons heelal voor zijn rekening neemt. Deze substantie straalt geen licht uit en absorbeert of weerkaatst ook geen licht. Zij verraadt haar bestaan alleen door de aantrekkingskracht die zij op haar omgeving uitoefent. Het is die zwaartekracht die de Britse onderzoekers in staat heeft gesteld om het bestaan van bruggen van donkere materie aan te tonen. De kracht zorgt ervoor dat de afbeeldingen van verder weg staande sterrenstelsels enigszins vervormd raken. Omdat het beeld-vervormende effect van één enkele donkeremateriebrug heel gering is, zijn voor het nieuwe onderzoek opnamen van meer dan 23.000 paren sterrenstelsels op 4,5 miljard lichtjaar bij elkaar opgeteld. Door middel van een statistische analyse laten de onderzoekers zien dat dergelijke bruggen het sterkst zijn tussen stelsels die minder dan 40 miljoen lichtjaar van elkaar verwijderd zijn. (EE)
Meer informatie:
Waterloo researchers capture first “image” of a dark matter web that connects galaxies

   
11 april 2017 • New Horizons meet helderheid van het heelal
Astronomen hebben de helderheid van het heelal gemeten. Anders gezegd: ze hebben de helderheid bepaald van de zogeheten 'optische achtergrond' - de gezamenlijke zichtbare straling van alle sterren en sterrenstelsels in het heelal. De metingen zijn uitgevoerd met de LORRI-camera aan boord van de Amerikaanse ruitmesonde New Horizons, die in 2015 op kleine afstand langs de verre dwergplaneet Pluto vloog. Metingen van de optische achtergrond vanuit de binnendelen van het zonnestelsel zijn moeilijk, omdat ze verstoord worden door lichtverstrooiing aan microscopisch kleine stofdeeltjes. In de buitendelen van het zonnestelsel komt enorm veel minder stof voor, waardoor de metingen veel 'schoner' zijn. Uit de waarnemingen blijkt dat de gemeten helderheid van de optische achtergrond in goede overeenstemming is met de verwachtingen op basis van het aantal sterrenstelsels op grote afstanden in het heelal. De resultaten zijn gepubliceerd in Nature Communications. (GS)
Meer informatie:
RIT scientist measures brightness of the universe with NASA’s New Horizons spacecraft (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • WHAM brengt geïoniseerd waterstof van Melkwegstelsel in kaart
Met een relatief kleine telescoop op de Cerro Tololo-sterrenwacht in Chili is de meest gedetailleerde kaart ooit vervaardigd van de verdeling van ijl geïoniseerd waterstofgas in het Melkwegstelsel. De Wisconsin H-Alpha Mapper (WHAM) heeft de afgelopen twintig jaar vrijwel continu metingen verricht aan de zwakke gloed van het hete gas. Het meeste geïoniseeerde waterstofgas bevindt zich in een relatief dikke centrale laag in het Melkwegstelsel, met een middellijn van ca. 75.000 lichtjaar en een dikte van ca. 6000 lichtjaar. Deze laag wordt de Reynoldslaag genoemd, naar de astronoom die eind jaren zeventig als eerste ontdekte dat zich vrijwel overal in de interstellaire ruimte heet geïoniseerd waterstofgas bevindt. De oorzaak van de ionisatie wordt overigens nog steeds niet volledig begrepen. Mogelijk ontstaat de Reynoldslaag voornamelijk onder invloed van de energierijke straling van zeer heldere, hete reuzensterren in de centrale schijf van het Melkwegstelsel. (GS)
Meer informatie:
UW project brings Milky Way’s ionized hydrogen into focus (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • Ruimtesonde New Horizons in winterslaap gebracht
De Amerikaanse ruimtesonde New Horizons is op 7 april om 21.32 uur Nederlandse tijd met succes in winterslaap gebracht. New Horizons werd in januari 2006 gelanceerd en maakte in juli 2015 een scheervlucht langs de dwergplaneet Pluto en zijn grote maan Charon. Tijdens de winterslaapperiode gebruikt de ruimtesonde vrijwel geen energie. Op 11 september wordt hij weer gewekt; dan beginnen de voorbereidingen voor de scheervlucht langs een relatief klein hemellichaam in de Kuipergordel: de ijsdwerg 2014 MU6, waar New Horizons op 1 januari 2019 op kleine afstand langs zal vliegen. New Horizons bevindt zich momenteel op 5,7 miljard kilometer afstand van de aarde; een radiosignaal doet er (met de lichtsnelheid van 300.000 kilometer per seconde) ruim vijf uur over om die afstand te overbruggen. (GS)
Meer informatie:
Nap Time for New Horizons: NASA Spacecraft Enters Hibernation (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • 'Grote Koude Vlek' ontdekt in Jupiterdampkring
Behalve een Grote Rode Vlek - een kolossale wervelstorm - komt er in de dampkring van de reuzenplaneet Jupiter ook een Grote Koude Vlek voor. Dat blijkt uit onderzoek met de Europese Very Large Telescope in Chili en met NASA's Infrared Telescope Facility op Hawaii. De ontdekking is gepubliceerd in Geophysical Research Letters. De Grote Koude Vlek is een enorm gebied van ca. 24.000 bij 12.000 kilometer in de hooggelegen thermosfeer van de planeet. De temperatuur is er ca. 200 graden lager dan in de omgeving. De 'vlek' wordt veroorzaakt door de poollichtactiviteit van Jupiter: het poollicht transporteert energie naar de lager gelegen delen van de dampkring, waardoor er in de hoge, ijle thermosfeer een sterke afkoeling optreedt. Uit onderzoek aan infraroodfoto's blijkt dat de Grote Koude Vlek al minstens vijftien jaar op min of meer dezelfde locatie voorkomt. Wel is de vlek zeer veranderlijk, zowel in temperatuur als in afmetingen. (GS)
Meer informatie:
‘Cold’ Great Spot discovered on Jupiter (origineel persbericht)

   
11 april 2017 • Röntgentelescoop XMM-Newton zag mogelijk materie direct naar zwart gat vallen
Een relatief dichtbij gelegen actief melkwegstelsel heeft flarden van processen in zijn binnenste kern laten zien. Die flarden geven astronomen nieuwe hints over wat er gebeurt bij superzware zwarte gaten, die behoren tot de meest exotische en tegelijk fundamentele objecten in het universum. Mogelijk betekenen de waarnemingen zelfs dat de onderzoekers materie zagen, die direct naar het zwarte gat viel. De kern van NGC 2617, een zogenoemde Active Galaxy Nucleus (AGN) in een melkwegstelsel op 200 miljoen lichtjaar van de aarde, trok de aandacht van Margherita Giustini van SRON, Netherlands Institute for Space Research en haar mede-onderzoekers. De kern veranderde namelijk van een relatief rustige AGN in een behoorlijk felle. Waarnemingen van NGC 2617 met de telescoop Integral voor gammastralen en vooral met röntgentelescoop XMM-Newton, lieten iets zien wat nog niet vaak is waargenomen dicht bij superzware zwarte gaten: het signaal van materie die z’n energie verliest. Bij het analyseren van de spectroscopische data uit de telescopen stelden Giustini en haar collega’s vast dat de samenstelling van de materie hoofdzakelijk ijzer betrof. Ze presenteerden drie natuurkundige scenario’s die het waargenomen signaal konden verklaren. Een mogelijkheid is dat aanvankelijk weggeblazen materie terug word getrokken door de sterke zwaartekracht van het superzware zwarte gat. Een andere mogelijkheid is dat het sterke zwaartekrachtsveld het signaal verstoort omdat de materie zo dicht bij het zwarte gat zelf is. En als laatste mogelijkheid hebben we misschien voor het eerst waargenomen dat materie direct naar de waarneemhorizon van het actieve zwarte gat is gevallen vanaf de accretieschijf, de omringende schijf met stof. Dit laatste scenario is iets anders, met ook een wezenlijk andere 'vingerafdruk' in het waargenomen signaal,dan zogeheten 'tidal disruption events' waarbij een inactief zwart gat wakker wordt om een voorbijganger uit elkaar te trekken en te verslinden. Dat was namelijk wel al eerder waargenomen. In elk geval hebben Giustini en haar collega’s naar dat gedeelte van de schijf met materie rond het zwarte gat gekeken, dat het dichtste bij het zwarte gat zelf zit. En misschien dus zelfs wel naar materie die er vanaf de zogeheten accretieschijf in viel: een voor astronomen spannende en veelbelovende waarneming om meer te weten te komen over hoe de natuurkundige wetten luiden, zo dicht in de buurt van zo’n een extreem kosmisch object. Gevestigd in het centrum van melkwegstelsels, blijken superzware zwarte gaten grote invloed te hebben op de eigenschappen van het melkwegstelsel waar ze in vertoeven, wat astronomen erg fascineert. Er moet een complexe diepgaande kosmische interactie zijn tussen melkwegstelsels en hun centrale superzware zwarte gat. De studie van zwarte gaten helpt astronomen dan ook het ontstaan en de evolutie van de kosmische structuren als geheel beter te begrijpen.
Meer informatie:
Origineel persbericht