19 oktober 2017 • Missie van ruimtesonde Dawn wordt verlengd
Het Amerikaanse ruimteagentschap NASA heeft toestemming gegeven voor een tweede verlenging van de onderzoeksmissie van de ruimtesonde Dawn, die sinds maart 2015 om de dwergplaneet Ceres cirkelt. Tijdens de verlengde missie moet Dawn in een langgerekte omloopbaan worden gebracht, die haar tot op minder dan 200 kilometer van het oppervlak van Ceres brengt. Dat betekent dat Dawn de dwergplaneet, die deel uitmaakt van de planetoïdengordel tussen de planeten Mars en Jupiter, van nog dichterbij zal kunnen onderzoeken. Tot nu toe is de ruimtesonde Ceres niet dichter genaderd dan 385 kilometer. De verlenging zal vooral worden gebruikt om de samenstelling van het oppervlak van de dwergplaneet te onderzoeken en te meten hoeveel ijs Ceres bevat. De missie gaat door tot Dawn haar laatste druppel raketbrandstof heeft verbruikt. Dat zal naar verwachting in de tweede helft van 2018 het geval zijn. Om vervuiling van de dwergplaneet tegen te gaan, zal Dawn niet landen of neerstorten op Ceres. Ze blijft in een stabiele baan om het hemellichaam heen draaien. (EE)
Meer informatie:
Dawn Mission Extended at Ceres

   
19 oktober 2017 • Japanse wetenschappers ontdekken diepe holte in de maan
Het Japanse ruimteagentschap JAXA heeft de ontdekking bekendgemaakt van een grote ‘grot’ onder het oppervlak van de maan, die gebruikt zou kunnen worden als onderkomen voor toekomstige astronauten. De ontdekking is gebaseerd op gegevens van de ruimtesonde SELENE, ook bekend als Kaguya, die vanaf oktober 2007 ruim anderhalf jaar om de maan heeft gecirkeld. De grot maakt deel uit van een zogeheten lavatunnel, een natuurlijke ondergrondse tunnel waar (lang geleden) lava doorheen is gestroomd. De lavatunnels op de maan hebben doorgaans een doorsnede van enkele tientallen tot honderden meters, en een ‘dak’ van minstens tien meter dik. De grot waar nu over gesproken wordt, bevindt zich bij de Marius-heuvels op de maan – een van de drie plekken waar Kaguya in 2009 grote en diepe gaten in het maanoppervlak ontdekte. Toen al bestond het vermoeden dat deze gaten – vermoedelijk ontstaan door meteorietinslagen – natuurlijke ‘dakramen’ zijn die een inkijkje geven in het inwendige van een tientallen kilometers lange lavatunnel. Radargegevens van dezelfde maansonde en zwaartekrachtgegevens van de Amerikaanse maanmissie GRAIL lijken dat vermoeden te bevestigen. De echo’s van de pulsen radiostraling die Kaguya naar het maanoppervlak zond, geven aan dat zich naast het ‘Marius-dakraam’ een lege ondergrondse holte bevindt. De radargegevens zijn niet nauwkeurig genoeg om harde uitspraken te doen over de diepte en omvang van de holte. Het zou kunnen gaan om een minder dan 75 meter hoge holte waarvan de bovenkant op een diepte van meer dan 75 meter ligt, maar het is ook mogelijk dat de holte dichter onder de oppervlakte ligt en hoger is. (EE)
Meer informatie:
Detection of intact lunar lava tubes in the data from SELENE (Kaguya) radar sounding

   
18 oktober 2017 • Trojanen van Mars hebben een ingewikkelde voorgeschiedenis
Astronomen hebben een verklaring gevonden voor het feit dat de trojanen van de planeet Mars zo onregelmatig verdeeld zijn. Trojanen zijn planetoïden die in dezelfde baan om de zon bewegen als een planeet, maar op ruime afstand daarvan blijven. De nieuwe bevindingen zijn gepresenteerd op de 49ste bijeenkomst van de Division for Planetary Sciences van de American Astronomical Society in Provo, Utah.Mars deelt zijn baan met tien van die trojanen. Eentje loopt voor op de planeet, de overige vormen zijn gevolg. Deze laatste groep bestaat weer uit een compacte familie van acht en een eenling. Vermoed werd dat die hechte familie het resultaat is van een reeks inslagen die het grootste familielid, Eureka, honderden miljoenen jaren zou hebben geteisterd. Het merkwaardige is echter dat de familie zo hecht is gebleven. Eigenlijk zouden de kleine planetoïden allang uit elkaar gedreven moeten zijn. En waarom hebben de beide eenlingen, die ongeveer net zo groot zijn als Eureka, geen brokstukken om zich heen? De astronomen hebben de verklaring gezocht bij een verschijnsel dat het Yarkovsky-O’Keefe-Radzievskii-Paddack-effect, kortweg YORP, wordt genoemd. Dat effect zorgt ervoor dat een planetoïde onder invloed van zonlicht steeds sneller gaat draaien. Uiteindelijk breken hierdoor brokstukken van de planetoïde af. Opvallend is dat Eureka momenteel net niet snel genoeg om haar as draait om uiteen te vallen. De planetoïde die Mars voorgaat in zijn baan, 1999 UJ7, roteert twintig keer zo langzaam. Dat kan betekenen dat hij niet netjes om één as draait, maar een tuimelbeweging maakt. In dat geval zou het YORP-effect geen greep meer op hem hebben en blijft de planetoïde intact. Voor de andere eenling, 1998 VF31, gaat deze vlieger echter niet op. Die draait maar drie keer zo traag om zijn as als Eureka. Met behulp van computersimulaties hebben de astronomen nu laten zien dat deze trojaan om een andere reden alleen is gebleven. Waar brokstukken van Eureka miljarden jaren in haar buurt kunnen blijven, is VF31 zodanig gepositioneerd, dat zich rond hem geen hechte familie kan vormen: weggeslingerde brokstukken kunnen binnen enkele honderden miljoenen jaren ontsnappen. (EE)
Meer informatie:
A Solar-Powered Asteroid Nursery at the Orbit of Mars

   
18 oktober 2017 • Organische verbindingen op Ceres komen niet van buitenaf
Nieuw onderzoek wijst erop dat de organische verbindingen die her en der op het oppervlak van de dwergplaneet Ceres zijn aangetroffen, niet van buitenaf zijn aangevoerd. Het lijkt erop dat het materiaal lokaal is geproduceerd. Door middel van computersimulaties hebben wetenschappers uitgeplozen wat er gebeurt met organische verbindingen die met inslaande kometen en planetoïden op Ceres terechtkomen. De modellen laten zien dat kometen met dermate grote snelheid inslaan, dat hun organische bestanddelen de klap niet overleven. Bij inslaande planetoïden, die zich met veel geringere snelheden in Ceres boren, zou ongeveer een kwart van de organische verbindingen behouden kunnen blijven. De verdeling van het organische materiaal op Ceres is echter niet in overeenstemming met de verdeling die zou ontstaan door inslagen van kleine planetoïden die net als Ceres deel uitmaken van de planetoïdengordel. Dit brengt wetenschappers tot de conclusie dat het organische materiaal dat op Ceres is aangetroffen noch door kometen, noch door planetoïden is aangevoerd. Deze resultaten zijn gepresenteerd op de 49ste bijeenkomst van de Division for Planetary Sciences van de American Astronomical Society in Provo, Utah. (EE)
Meer informatie:
SWRI Scientists Dig Into the Origin of Organics on Ceres

   
18 oktober 2017 • Komeet 41P ging plotseling veel langzamer draaien
De rotatiesnelheid van komeet 41P/Tuttle-Giacobini-Kresák blijkt afgelopen voorjaar sterk te zijn afgenomen. In zes weken tijd liep zijn rotatietijd op van 24 uur tot meer dan 48 uur. Nooit eerder is zo’n sterk vertraging in de draaiing van een komeet waargenomen. Komeet 41P, die in 1858 voor het eerst is waargenomen, volgt een langgerekte baan die hem eens in de ruim vijf jaar dicht in de buurt van de aardbaan brengt. Zo ook afgelopen voorjaar, en toen naderde hij onze planeet tot op 21 miljoen kilometer – de kleinste afstand sinds zijn ontdekking. Uit de verplaatsing van het gas dat het kleine ijzige hemellichaam bij opwarming uitstoot, kan worden afgeleid hoe snel het om zijn as draait. Op die manier hebben Amerikaanse astronomen kunnen vaststellen dat de rotatiesnelheid van 41P in de loop van maart en april van dit jaar halveerde. Daaruit leiden de astronomen af dat de komeet een zeer langwerpige vorm en een lage dichtheid heeft, en dat de uitstoot van gas voornamelijk aan zijn uiteinden plaatsvindt. Alleen dan kan de uitstoot van gas de draaiing van de komeet zo sterk afremmen als is waargenomen. Dat zou kunnen betekenen dat komeet 41P bij voorgaande bezoeken nog veel sneller heeft gedraaid – zo snel zelfs dat er brokstukken van het kleine hemellichaam zijn afgebroken. Dat zou in 2001 wel eens gebeurd kunnen zijn: toen vertoonde komeet 41P namelijk een plotselinge toename in helderheid, wat op een verhoogde uitstoot van gas en stof wijst. Overigens: als zijn rotatie blijft vertragen, zou de komeet wel eens geheel stil kunnen vallen en uiteindelijk in tegengestelde richting gaan draaien. Deze voorlopige onderzoeksresultaten zijn gepresenteerd op de 49ste bijeenkomst van de Division for Planetary Sciences van de American Astronomical Society in Provo, Utah. (EE)
Meer informatie:
Spinning Comet Rapidly Slows Down During Close Approach to Earth

   
17 oktober 2017 • Aantal onontdekte 'killer asteroids' waarschijnlijk kleiner dan gedacht
Het aantal onbekende 'killer asteroids' in ons zonnestelsel is mogelijk ruim twee maal zo klein als tot nu toe werd gedacht. Dat blijkt uit een nieuwe statistische analyse van waarnemingsgegevens van bekende planetoïden die een potentieel inslaggevaar voor de aarde vormen, uitgevoerd door Alan Harris van MoreData! in Californië. Een planetoïde met een middellijn van minstens 1 kilometer die een baan om de zon beschrijft waarbij hij in de toekomst in principe met de aarde in botsing kan komen, wordt een potentially hazardous asteroid (PHA) genoemd. Tot nu toe zijn 884 van zulke PHA's ontdekt; van geen van alle is op afzienbare termijn enig gevaar te duchten, maar in de verre toekomst kan een inslag niet worden uitgesloten. Op basis van de grootteverdeling en baaneigenschappen van bekende planetoïden is ooit geconcludeerd dat het werkelijke aantal PHA's 990 moet bedragen. Dat zou betekenen dat er nog ruim 100 onbekende 'potentiële projectielen' van minstens een kilometer groot moeten zijn. Een nieuwe analyse van de bestaande gegevens, waarbij rekening wordt gehouden met afrondings-effecten in de helderheidsgegevens, komt nu echter uit op een totaal aantal van 921 PHA's. Daarmee komt het aantal onontdekte 'risico-planetoïden' uit op minder dan 40. De nieuwe analyse is gepresenteerd op de 49e bijeenkomst van de Division for Planetary Sciences van de American Astronomical Society in Provo, Utah. (GS)
Meer informatie:
Persbericht van MoreData!

   
17 oktober 2017 • Ook stromend water mogelijk op 'bevroren' planeet Mars
Op de planeet Mars komen uitgestrekte netwerken van stromingspatronen voor - de zogeheten valley networks. Die zijn zo goed als zeker lang geleden gevormd door stromend water. Toch blijkt uit klimaatmodellen van Mars dat de rode planeet in het verleden grotendeels bevroren moet zijn geweest. De dampkring was weliswaar dikker, maar de zon was indertijd wat minder heet en helder dan nu, waardoor de oppervlaktetemperatuur op Mars toch zelden boven het vriespunt kwam. Met nieuwe modelberekeningen van geologen van Brown University, gepubliceerd in vakblad Icarus, kunnen de valley networks nu toch verklaard worden. Uit de berekeningen blijkt dat de randen van Mars-gletsjers overdag voldoende smeltwater produceerden om het ontstaan van de stromingspatronen te verklaren. Een soortgelijk proces heeft ook plaatsgevonden op sommige delen van het bevroren continent Antarctica (de zogeheten Dry Valleys). Overigens zijn er veel andere aanwijzingen dat er een paar miljard jaar geleden gedurende langere perioden stromend water op Mars is geweest. (GS)
Meer informatie:
Study Shows How Water Could Have Flowed on 'Cold & Icy' Ancient Mars (origineel persbericht)

   
16 oktober 2017 • Zeven Saturnusmaantjes houden ringenstelsel in toom
De vrij scherpe buitenrand van het ringenstelsel van de reuzenplaneet Saturnus wordt in stand gehouden door de zwaartekrachtwerking van maar liefst zeven kleine Saturnusmanen: Pan, Atlas, Prometeus, Pandora, Janus, Epimetheus en Mimas. Eerder werd aangenomen dat de scherpe rand van de zogeheten A-ring (de buitenste heldere ring van de planeet) uitsluitend veroorzaakt werd door de invloed van Janus. Nieuwe detailopnamen van golfpatronen in het ringenstelsel en nieuwe massabepalingen van de maantjes laten nu echter zien dat er sprake is van een gezamenlijke werking van deze zeven kleine hemellichamen. Dit is een van de nieuwe inzichten rond de planeet Saturnus die deze week gepresenteerd zijn op een bijeenkomst van de Division for Planetary Sciences van de American Astronomical Society in Provo, Utah. Ook werd daar bekendgemaakt dat de ruimtesonde Cassini, die op 15 september een snoekduik in de dampkring van de planeet maakte, ontdekt heeft dat er moleculen uit het ringenstelsel de atmosfeer in 'regenen'. Verrassend genoeg gaat het daarbij niet alleen om watermoleculen (de ringdeeltjes bestaan grotendeels uit ijs), maar ook om methaanmoleculen. Op de bijeenkomst zijn ook nieuwe opnamen gepresenteerd die gemaakt zijn tijdens de verschillende passages van Cassini tussen de planeet en het ringenstelsel door. Detailfoto's van zogeheten 'propellers' in het ringenstelsel (hier niet afgebeeld) laten zien dat deze kleine structuren vergelijkbaar zijn met mini-versies van planeten-in-wording in gas- en stofschijven rond jonge sterren. Overigens hebben de Cassini-metingen nog steeds geen duidelijkheid opgeleverd over de precieze rotatieperiode van het inwendige van Saturnus. (GS)
Meer informatie:
Fresh Findings from Cassini's Final Days at Saturn (origineel persbericht)

   
16 oktober 2017 • Zwaartekrachtgolven én zichtbaar licht gezien van botsende neutronensterren
Op 17 augustus hebben de twee Amerikaanse LIGO-detectoren zwaartekrachtgolven ontdekt van botsende neutronensterren in het sterrenstelsel NGC 4993, op 130 miljoen lichtjaar afstand van de aarde in het sterrenbeeld Waterslang. Vrijwel gelijktijdig detecteerde NASA's ruimtetelescoop Fermi een korte flits van energierijke gammastraling uit hetzelfde deel van de hemel. De exacte locatie van de botsing kon bepaald worden door gebruik te maken van de meetgegevens van Virgo, de Europese tegenhanger van LIGO in Italië. De Virgo-detector, waarbij Nederlandse onderzoekers van Nikhef (het nationaal instituut voor subatomaire fysica) bij betrokken zijn, detecteerde het zwaartekrachtgolfsignaal niet, ofschoon het daarvoor krachtig genoeg was. Daaruit concludeerden de onderzoekers dat de bron zich toevallig in een van de zogeheten 'blind spots' van de detector moest bevinden. In het betreffende deel van de sterrenhemel werd vervolgens met man en macht gezocht naar een optische tegenhanger. Die werd elf uur na de LIGO-detectie gevonden door de 1-meter Swope-telescoop op de Las Campanas-sterrenwacht in Chili. Het gaat om licht van de radioactieve vuurbal die bij de botsing de ruimte in geblazen werd met een snelheid van minstens 20 procent van de lichtsnelheid. De kosmische catastrofe is ook waargenomen met tientallen andere telescopen op aarde en in de ruimte, in vrijwel elk denkbaar golflengtegebied. De optische tegenhanger veranderde binnen 2 dagen van kleur en doofde daarna uit; de explosiewolk gloeide echter nog lange tijd na in het infrarood. Na 9 dagen werd ook röntgenstraling van de neutronensterbotsing waargenomen, en na ruim twee weken ook radiostraling. De nieuwe waarnemingen zetten de deur wagenwijd open voor een nieuw astronomisch onderzoeksgebied, dat wel 'multi messenger-astronomie' wordt genoemd. De nieuwe resultaten zijn maandag 16 oktober gepresenteerd op een persconferentie in Washington, D.C., en gepubliceerd in vele tientallen wetenschappelijke artikelen, onder andere in Physical Review Letters, The Astrophysical Journal, Nature en Science. In totaal zijn bijna 4000 astronomen en natuurkundigen van ruim 900 instituten over de hele wereld bij het onderzoek betrokken, waaronder onderzoekers van Nikhef, de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit in Nijmegen. Bij de botsing werd een grote hoeveelheid radioactief materiaal de ruimte in geblazen. In deze extreem snel expanderende vuurbal ontstonden nieuwe zware elementen, waaronder misschien wel even veel goud als de massa van de aarde. Dat blijkt onder andere uit spectroscopische metingen met het X-Shooter instrument op de Europese Very Large Telescope in Noord-Chili. De waarnemingen van de zogeheten 'kilonova' werpen een nieuw licht op het ontstaan van zware elementen in het heelal. (GS)
Meer informatie:
Persbericht Nikhef

   
12 oktober 2017 • Afstand gemeten van stervormingsgebied aan de ‘overkant’ van de Melkweg
Astronomen zijn erin geslaagd om de afstand te meten van een stervormingsgebied dat zich van ons uit gezien aan de andere kant van ons Melkwegstelsel bevindt. Nooit eerder is van zo’n ver object binnen de Melkweg de afstand bepaald (Science, 13 oktober). Bij de meting is gebruik gemaakt van de Very Long Baseline Array (VLBA) – een groot netwerk van radiotelescopen in Noord-Amerika. Daarbij is een eeuwenoude techniek toegepast waarbij de schijnbare verplaatsing van een object aan de hemel wordt gemeten die het gevolg is van de beweging van de aarde om de zon. Hoe geringer die schijnbare verplaatsing of ‘parallax’, des te verder is het object van ons verwijderd. Met het VLBA-netwerk is nu de parallax gemeten van het stervormingsgebied G007.47+00.05, dat zich van ons uit gezien voorbij het centrum van de Melkweg bevindt. Dat centrum ligt 27.000 lichtjaar van ons vandaan, en de VLBA-metingen komen voor ’G007’ uit op een afstand van 66.000 lichtjaar. Tot nog toe stond het afstandsrecord voor zulke metingen op ongeveer 36.000 lichtjaar. Stervormingsgebieden zijn doorgaans te vinden in de spiraalarmen van ons Melkwegstelsel. Door van honderden van deze gebieden de afstanden te bepalen, hopen astronomen dan ook de spiraalstructuur in kaart te kunnen brengen van een deel van de Melkweg dat van ons uit moeilijk te zien is. Naar verwachting zal deze onderneming een jaar of tien in beslag gaan nemen. (EE)
Meer informatie:
VLBA Measurement Promises Complete Picture of Milky Way

   
12 oktober 2017 • Zonachtige ster heeft meerdere planeten opgeslokt
Onderzoek van een dubbelster, bestaande uit twee zonachtige sterren, heeft laten zien dat een van beide sterren ongeveer 15 aardmassa’s aan planetair materiaal heeft opgeslokt. Deze ‘planetenverslinder’ en zijn begeleider bevinden zich op 350 lichtjaar van de aarde. De twee sterren zijn ongeveer 4 miljard jaar oud en draaien in een wijde baan om elkaar heen. De bijzondere ontdekking is gedaan door de astrofysicus Semyeong Oh van de Princeton Universiteit. Zij onderzocht de catalogus van de Europese Gaia-satelliet, die bezig is de om de sterren van onze Melkweg in kaart te brengen, op tweetallen sterren die met dezelfde snelheid dezelfde kant op bewegen. In veel gevallen zijn dat echte dubbelsterren: sterren die gelijktijdig dicht bij elkaar zijn gevormd en uit hetzelfde basismateriaal bestaan. De sterren HD 240429 en HD 240430 leken perfect aan dit signalement te voldoen, op één ding na: ze verschilden sterk van chemische samenstelling. HD 240429, die ‘Kronos’ is gedoopt, bevat aanzienlijk meer zware chemische elementen dan zijn tweeling, ‘Krios’. Omdat er weinig twijfel over bestaat dat de beide sterren uit één en dezelfde gaswolk zijn gevormd, en ook ongeveer even oud zijn, bleef er eigenlijk maar een verklaring over voor de afwijkende samenstelling van Kronos: hij lijkt enkele planeten te hebben verzwolgen. Omdat het verschil in samenstelling tussen de beide sterren het grootst is voor elementen als ijzer, silicium en magnesium, moeten dat rotsachtige werelden zijn geweest. Er zijn meer voorbeelden bekend van sterren die planetair materiaal hebben opgeslokt, maar niet eerder is zo’n gulzige ster als Kronos. ontdekt. Vermoed wordt dat de oorzaak ligt bij een dichte passage van een andere ster. Daarbij zouden de buitenste planeten van Kronos in langgerekte banen terecht zijn gekomen, die hen door het binnenste deel van het planetenstelsel voerden. De daar aanwezige rotsachtige binnenplaneten zouden vervolgens naar de ster toe zijn geslingerd. Als dit scenario klopt, zouden er nog steeds planeten in langgerekte banen om Kronos moeten wentelen. Verder onderzoek kan hier uitsluitsel over geven. (EE)
Meer informatie:
Devourer of planets? Princeton researchers dub star ‘Kronos’

   
11 oktober 2017 • Dwergplaneet Haumea heeft een ring
De toch al merkwaardige dwergplaneet Haumea, die buiten de baan van Neptunus om de zon draait, is omgeven door een smalle, dichte ring. Dat blijkt uit een analyse van waarnemingen die gedaan zijn op 21 januari van dit jaar, toen Haumea voor een ster langs schoof (Nature, 12 oktober). Haumea behoort tot de ‘ijsdwergen’ – een grote familie van ijsachtige objecten voorbij de baan van Neptunus waarvan Pluto het bekendste lid is. Ze onderscheidt zich van haar soortgenoten door haar snelle rotatie en merkwaardig vorm: ze is niet rond maar langwerpig. Haar lengte van 2320 kilometer is ongeveer gelijk aan de middellijn van Pluto. De sterbedekking is waargenomen vanuit tien sterrenwachten in zes verschillende Europese landen. Daarbij vielen twee dingen op. Op de eerste plaats nam de helderheid van de ster op het moment dat Haumea ervoor schoof abrupt af. Dat wijst erop dat Haumea, anders dan Pluto, geen atmosfeer van betekenis heeft. De helderheidsafname van de ster zou in dat geval geleidelijker zijn verlopen. Ook opvallend was dat de ster zowel kort vóór als ná zijn eigenlijke bedekking een korte helderheidsafname liet zien. De analyse van de waarnemingen toont aan dat deze secundaire bedekkingen zijn veroorzaakt door een ringstructuur rond Haumea. Mogelijk bestaat deze ring uit materiaal dat vrijgekomen bij een inslag op de dwergplaneet of simpelweg van haar oppervlak is weggeslingerd. Het is overigens niet voor het eerst dat rond een klein hemellichaam in ons zonnestelsel een ring is ontdekt. Ook bij onder meer de planetoïden Chariklo en Chiron zijn aanwijzingen voor het bestaan van een ringstructuur waargenomen. (EE)
Meer informatie:
Ring around a dwarf planet detected

   
10 oktober 2017 • Atomair waterstof domineerde ook de vroegste sterrenstelsels
Ook miljarden jaren geleden kwam er veel meer atomair waterstof in het heelal voor dan moleculair waterstof. Dat blijkt uit nieuwe waarnemingen, verricht met het ALMA-observatorium in Chili en met de Arecibo-radiotelescoop op Puerto Rico. Atomair waterstofgas bestaat uit losse waterstofatomen. Het is op grote afstanden alleen goed waarneembaar wanneer het gas heet is (geïoniseerd); koel, neutraal atomair waterstofgas is veel moeilijker te detecteren. Moleculair waterstofgas bestaat uit waterstofmoleculen (H2) en heeft altijd een lage temperatuur; het is eenvoudiger te detecteren, met (sub-)millimetertelescopen zoals ALMA. In ons eigen Melkwegstelsel en in naburige sterrenstelsels is atomair waterstofgas dominant: ongeveer 70% van al het waterstofgas komt in atomaire vorm voor; slechts 30% in moleculaire vorm. In verre sterrenstelsels, waar astronomen miljarden jaren terugkijken in de tijd, zijn in het verleden kolossale hoeveelheden moleculair waterstof aangetroffen, tot wel 10 maal de hoeveelheid die in ons eigen Melkwegstelsel voorkomt. Sterrenkundigen gingen er stilzwijgend vanuit dat de hoeveelheid atomair gas in die vroege stelsels dan ook veel kleiner zou zijn. Dat sluit mooi aan bij het gegeven dat er in deze stelsels in hoog tempo nieuwe sterren woreden geboren - sterren ontstaan in koele wolken van moleculair gas. De nieuwe, gevoelige radiowaarnemingen laten nu echter zien dat ook in de verre, vroege stelsels (op afstanden van zo'n 7 miljard lichtjaar) veel meer atomair waterstof voorkomt dan moleculair waterstof. Dat werpt een verrassend nieuw licht op de evolutie van sterrenstelsels en de stervormingsgeschiedenis van het heelal. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in Astsrophysical Journal Letters. (GS)
Meer informatie:
Scientists Discover More About the Ingredients for Star Formation (origineel persbericht)

   
10 oktober 2017 • Achtergrondstraling verraadt gasslierten tussen sterrenstelsels
Tussen afzonderlijke sterrenstelsels bevinden zich langgerekte slierten van ijl, heet gas. In totaal bevatten die intergalactische filamenten ongeveer even veel materie als de sterrenstelsels zelf. Aan het bestaan van dit 'kosmische web' (ook wel aangeduid met de term WHIM, voor warm/hot intergalactic medium) werd door vrijwel niemand meer getwijfeld. Computersimulaties van de evolutie van het heelal laten namelijk zien dat er zo'n slierterig netwerk van ijl gas moet zijn, en met ultraviolettelescopen in de ruimte zijn sterke aanwijzingen gevonden voor het bestaan van de filamenten (het gas absorbeert bepaalde ultraviolette golflengten in het licht van verre quasars). Twee teams van astronomen hebben nu onafhankelijk van elkaar het bestaan van de gasslierten aangetoond op een geheel andere wijze: in de kosmische achtergrondstraling (de 'echo' van de oerknal). Fotonen in de kosmische achtergrondstraling worden verstrooid door gasatomen in de filamenten, waardoor die een soort 'schaduw' veroorzaken. Dit zogeheten Sunyaev-Zel'dovich-effect is zeer gering, en werd alleen zichtbaar nadat verschillende metingen van de Europese ruimtetelescoop Planck bij elkaar waren 'opgeteld'. De teams bestudeerden honderdduizenden paren van sterrenstelsels. Uit de Planck-metingen van de kosmische achtergrondstraling bleek dat de dichtheid van gasatomen tussen de sterrenstelsels enkele malen zo hoog is als de gemiddelde materiedichtheid in het heelal. Hiermee lijkt het bestaan van het warm/hot intergalactic medium onomstotelijk aangetoond. (GS)
Meer informatie:
Nieuwsbericht op dailygalaxy.com

   
5 oktober 2017 • Maan had ooit een atmosfeer van vulkanisch gas
Nieuw onderzoek laat zien dat onze maan drie tot vier miljard jaar geleden een atmosfeer heeft gehad. De daarin aanwezige gassen waren afkomstig van de vele vulkaanuitbarstingen die op de toen nog jonge maan plaatsvonden. Het aanzien van de maan wordt bepaald door grote donkere vlakten van vulkanische basalt. Deze ‘maanzeeën’ zijn ontstaan toen het inwendige van de maan nog heet en vloeibaar was en magma door barsten in het oppervlak naar buiten kon treden. Analyse van maanmonsters die door astronauten van de Apollo-missies zijn verzameld, heeft aangetoond dat dit magma gassen als koolstofmonoxide, waterdamp, zwavel en andere vluchtige stoffen bevatte. Bij het nieuwe onderzoek hebben wetenschappers berekend hoeveel gas het oorspronkelijke magma moet hebben bevat. De resultaten laten zien dat dit voldoende moet zijn geweest voor de vorming van een tijdelijke atmosfeer. Op het hoogtepunt van de vulkanische activiteit was deze atmosfeer op zijn dichtst, maar zeventig miljoen jaar later was hij alweer verdwenen. De zwaartekrachtsaantrekking van de maan is te gering om zulke gassen langdurig te kunnen vasthouden. De hoeveelheid water die tijdens deze vulkanische ‘uitgassing’ vrijkwam zou ongeveer driemaal zo groot zijn geweest als het volume van het Meer van Genève. Veel daarvan is de ruimte in verdwenen, maar een klein deel kan als ijs zijn opgeslagen in diepe kraters aan de polen van de maan. (EE)
Meer informatie:
New NASA Study Shows Moon Once Had an Atmosphere

   
4 oktober 2017 • Maanmantel heeft heel andere samenstelling dan aardmantel
Wetenschappers van Purdue University hebben vastgesteld dat de mantel van de maan – de laag die direct onder de korst ligt – voornamelijk uit orthopyroxeen bestaat. Dat betekent dat de minerale samenstelling van de maanmantel sterk afwijkt van die van de aarde, die grotendeels uit het mineraal olivijn bestaat (Geology, 4 oktober). Ongeveer vier miljard jaar geleden vond aan de zuidpool van de maan een grote inslag plaats. Een forse planetoïde boorde zich diep in de nog jonge korst en door de explosie die daarbij optrad, ontstond de grootste en diepste krater die de maan rijk is: het 2500 kilometer grote Aitken-bekken. Bij deze gebeurtenis kwam het mantelgesteente van de maan deels bloot te liggen. Bovendien werd een deel ervan verspreid over het oppervlak aan de achterkant van de maan.Aan de hand van spectrale gegevens van het maanoppervlak, verzameld vanuit de ruimte, hebben de Amerikaanse planeetwetenschappers de samenstelling van dat inslagmateriaal vastgesteld. Anders dan verwacht bevat het relatief weinig olivijn en veel orthopyroxeen. Bij mantelgesteente van de aarde is dat precies andersom. Volgens de wetenschappers betekent deze ontdekking dat de bestaande modellen voor het ontstaan van de maan nog maar eens goed onder de loep moeten worden genomen. (EE)
Meer informatie:
Ancient asteroid impact exposes the moon’s interior

   
4 oktober 2017 • Astronomische ‘vliegtuigstrepen’ doven niet uit, maar lichten op
Een internationaal team van sterrenkundigen onder leiding van Francesco de Gasperin (Universiteit Leiden) heeft een onverwacht verschijnsel waargenomen in een samensmeltende cluster van sterrenstelsels. De astronomen ontdekten een sterrenstelsel met een gasstaart die eerst langzaam uitdooft, maar daarna om onduidelijke redenen weer opleeft (Science Advances, 4 oktober). De astronomen onderzochten Abell 1033. Dat is een cluster die bestaat uit twee kleinere clusters die aan het samensmelten zijn. Abell 1033 bevindt zich in het sterrenbeeld Kleine Leeuw (dichtbij de Grote Beer). Clusters van sterrenstelsels zijn de grootste structuren in het heelal. Ze kunnen honderden tot duizenden sterrenstelsels vergelijkbaar met onze Melkweg bevatten. Grote clusters vormen zich als kleinere clusters samensmelten. Ontdekt is dat een sterrenstelsel van de ene cluster een spoor van gas achterlaat terwijl het zich een weg baant door de andere cluster. Die staart doet denken aan het rookspoor van een stuntvliegtuigje, maar dan op astronomische schaal. De sterrenkundigen hadden verwacht dat de gasstreep van zo’n sterrenstelsel, net als bij een stuntvliegtuig, langzaam uitdooft en uiteindelijk verdwijnt. Hun verbazing was dan ook groot toen ze het uiteinde van de gasstaart juist weer zagen oplichten. ‘Dit was totaal onverwacht’, zegt Francesco de Gasperin, eerste auteur van het onderzoek dat in Science Advances verschijnt. ‘Omdat deze wolken uit elektronen bestaan, zouden ze hun energie langzaam maar zeker moeten uitstralen en verliezen. Maar in de staart, die zo'n honderd miljoen jaar ouder is dan de kop, zien we juist helder gloeiende elektronen.’ Een precieze verklaring voor het fenomeen is er nog niet, maar het lijkt erop dat de opleving plaatsvindt in de buurt van het centrum van de andere cluster van sterrenstelsels. Op de een of andere manier wordt een deel van de energie die vrijkomt bij het samensmelten van de clusters daar overgedragen op de elektronen.
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
4 oktober 2017 • Mysterieus helderheidsgedrag van Tabby’s ster wordt deels veroorzaakt door stof
NASA heeft het al eerder uitgelekte nieuws bevestigd dat de mysterieuze geleidelijke helderheidsvariaties van de ster KIC 8462852, alias ’Tabby’s ster’, worden veroorzaakt door kleine stofdeeltjes die zich tussen ons en de ster in bevinden. Dat blijkt uit recente waarnemingen met de ruimtetelescopen Swift en Spitzer. Tabby’s ster vertoont onregelmatige helderheidsvariaties, wat erop wijst dat er af en toe materie voor de ster langs schuift. Sommige astronomen meenden hierin een aanwijzing te zien dat er een kolossaal kunstmatig bouwwerk om de ster wentelt. De waarnemingen van Swift en Spitzer geven echter aan dat de helderheidsveranderingen van KIC 8462852 in het ultraviolet en het infrarood anders verlopen dan in zichtbaar licht. Dat wijst er sterk op dat de oorzaak moet worden gezocht bij een wolk van kleine stofdeeltjes. Een grote structuur zou op alle golflengten dezelfde mate van verzwakking veroorzaken. Daarmee is ’Tabby’s ster’ echter nog niet geheel ontraadseld. Naast trage helderheidsveranderingen vertoont de ster namelijk ook kortere fluctuaties. Die worden toegeschreven aan een zwerm van kometen – tevens een bekende bron van stofdeeltjes – die rond de ster zou cirkelen. Maar het is ook mogelijk dat ze worden veroorzaakt door grote ‘zonnevlekken’ op het oppervlak van de ster. (EE)
Meer informatie:
Mysterious Dimming of Tabby's Star May Be Caused by Dust

   
4 oktober 2017 • BlackGEM gaat bronnen van zwaartekrachtgolven waarnemen vanuit Chili
ESO, de Nederlandse Onderzoekschool voor Astronomie (NOVA), de Radboud Universiteit en de KU Leuven hebben een overeenkomst getekend voor de komst van de BlackGEM-array van telescopen naar ESO’s La Silla-sterrenwacht in Chili. BlackGEM gaat optische vervolgwaarnemingen doen aan de bronnen van zwaartekrachtgolven, zodra de laserinterferometers LIGO (in de VS) en Virgo (in Europa) een detectie hebben gedaan. De BlackGEM-array zal in eerste instantie bestaan uit drie onderling verbonden telescopen, en uiteindelijk uitgroeien naar vijftien telescopen. Hij zal helpen zoeken naar enkele van de meest indrukwekkende gebeurtenissen in het heelal: het samensmelten van neutronensterren en zwarte gaten. De telescopen worden uitgerust met 110 megapixel-groothoekcamera’s en zullen samen een gebied van dertien keer de volle maan in kaart brengen. Tot nu toe hebben de zwaartekrachtgolfdetectoren Advanced LIGO en Advanced Virgo vier detecties van zwaartekrachtgolven - rimpelingen in het weefsel van de ruimtetijd - gemeld, steeds afkomstig van versmeltende zwarte gaten. Door kortstondige visuele signalen te registreren, zal BlackGEM nauwkeurig kunnen vaststellen welke bronnen verantwoordelijk zijn voor zulke verschijnselen, zodat deze met grotere telescopen gedetailleerd onderzocht kunnen worden. De BlackGEM-array zal ook dienst gaan doen als surveytelescoop en een deel van zijn tijd gebruiken om de zuidelijke hemel in kaart te brengen. Hij zal daarnaast andere kortstondige verschijnselen registreren die niets met zwaartekrachtgolven te maken hebben.
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
3 oktober 2017 • Astronomen vinden vijf nieuwe dubbele superzware zwarte gaten
Sterrenkundigen hebben vijf nieuwe dubbele superzware zwarte gaten ontdekt. De ontdekking is gedaan door waarnemingen in zichtbaar licht te combineren met infraroodmetingen en röntgenwaarnemingen. De meeste sterrenstelsels hebben een superzwaar zwart gat in de kern, vaak vele miljoenen malen zo zwaar als de zon. Als twee sterrenstelsels met elkaar botsen en versmelten, zullen de twee superzware zwarte gaten naar het centrum van het resulterende stelsel 'zakken'. Gedurende honderden miljoenen jaren draaien ze vervolgens in een steeds kleiner wordende baan om elkaar heen, om uiteindelijk zelf ook te versmelten tot één zwart gat. De nieuwe dubbele superzware zwarte gaten zijn gevonden door versmeltende sterrenstelsels eerst te selecteren op basis van hun infraroodstraling (de centrale zwarte gaten worden omgeven door grote hoeveelheden opgewarmd gas en stof dat veel infraroodstraling uitzendt) en vervolgens metingen te doen met NASA's Chandra X-ray Observatory. Die röntgenwaarnemingen kunnen het dubbelkarakter van een superzwaar zwart gat aan het licht brengen. De ontdekking is belangrijk voor een beter inzicht in de evolutie van sterrenstelsels en in het aantal dubbele superzware zwarte gaten in het heelal. De verwachting is dat radiotelescopen binnen enkele jaren in staat zullen zijn om de extreem laagfrequente zwaartekrachtgolven van zulke dubbelstelsels te detecteren, door langdurige precisiemetingen uit te voeren aan pulsars. De nieuwe ontdekkingen zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal en Monthly Notices of the Royal Astronomical Society.(GS)
Meer informatie:
Seeing Double: Scientists Find Elusive Giant Black Hole Pairs (origineel persbericht)

   
3 oktober 2017 • Donkere energie is misschien niet constant
De mysterieuze donkere energie in het heelal varieert mogelijk in de loop van de tijd. Die conclusie trekken kosmologen van de University of Portsmouth in een artikel in Nature Astronomy, op basis van nieuwe statistische waarnemingen aan verre sterrenstelsels. In 1998 werd ontdekt dat de uitdijingssnelheid van het heelal sinds een paar miljard jaar aan het versnellen is, kennelijk onder invloed van een raadselachtige 'donkere energie' in de lege ruimte. Volgens sommige kosmologen is die donkere energie een constante 'afstotende' vacuümenergie, vergelijkbaar met de zogeheten 'kosmologische constante' die Albert Einstein begin vorige eeuw in zijn vergelijkingen introduceerde. Metingen aan de statistische eigenschappen van de verdeling van sterrenstelsels in het verre heelal lijken er nu echter op te wijzen dat donkere energie geen constante is, maar langzaam varieert in de loop van de tijd. In dat geval zou er dus geen sprake zijn van een vacuümenergie, maar van een (nog steeds mysterieus) dynamisch veld. Toekomstige waarnemingen, onder andere van DESI (Dark Energy Spectroscopic Instrument) zullen hopelijk definitief uitsluitsel geven over het gedrag van donkere energie, en daarmee hopelijk ook over de ware aard ervan. (GS)
Meer informatie:
Astronomers Reveal Evidence of Dynamical Dark Energy (origineel persbericht)

   
3 oktober 2017 • Stuur je naam naar Mars aan boord van ruimtesonde InSight
Wanneer de Amerikaanse planeetverkenner Mars InSight in mei 2018 koers zet naar de Rode Planeet, zal hij niet één maar twee microchips aan boord hebben met honderdduizenden namen van aardbewoners. In 2015 stuurden ruim 800.000 mensen hun naam al in voor plaatsing aan boord van een kleine siliciumchip die meegenomen zal worden naar het oppervlak van Mars. Er is nu besloten een tweede microchip mee te nemen. Wie ook zijn naam vereeuwigd wil zien op de koude buurplaneet van de aarde, kan terecht op de website https://mars.nasa.gov/syn/insight. Mars InSight is een stationaire lander die onderzoek gaat uitvoeren naar het inwendige van de planeet Mars. Eind november 2018 moet hij op Mars aankomen. (GS)
Meer informatie:
Another Chance to Put Your Name on Mars (origineel persbericht)

   
3 oktober 2017 • Nobelprijs Natuurkunde 2017 voor ontdekking zwaartekrachtgolven
De Nobelprijs Natuurkunde 2017 is toegekend aan de Amerikaanse natuurkundigen Rainer Weiss (50%), Barry Barish (25%) en Kip Thorne (25%). Weiss, Barish en Thorne leverden doorslaggevende bijdragen aan het ontwerp en de bouw van de Amerikaanse LIGO-detector (Laser Interferometer Gravitational-Wave Observatory), waarmee in september 2015 voor het eerst zwaartekrachtgolven zijn gemeten - minieme trillingen in de ruimtetijd, veroorzaakt door energierijke processen en verschijnselen in het heelal, zoals botsende zwarte gaten. Het bestaan van zwaartekrachtgolven werd ruim een eeuw geleden al voorspeld door Albert Einstein. Weiss (Massachusetts Institute of Technology) legde in 1972 de basis voor het ontwerp van LIGO. Thorne (California Institute of Technology, Caltech) leverde belangrijke theoretische bijdragen op het gebied van zwarte gaten en de algemene relativiteitstheorie. Barish (Caltech) nam in de jaren negentig het directeurschap van LIGO over van zijn voorganger Robbie Vogt, en wist het ambitieuze project organisatorisch en financieel te realiseren. Inmiddels is bij Pisa (Italië) ook de Europese Virgo-detector erin geslaagd om zwaartekrachtgolven te detecteren. De verwachting is dat er binnenkort nog meer nieuwe ontdekkingen gepresenteerd zullen worden. (GS)
Meer informatie:
Persbericht Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen

   
2 oktober 2017 • Zonnefysici herontdekken werk van Japanse amateurwaarneemster
De Amerikaanse zonnefysicus Delores Knipp heeft in het tijdschrift Space Weather een onderzoek gepubliceerd naar de zonnewaarnemingen van de Japanse amateurastronome Hisako Koyama (1916-1997). Koyama geniet in kringen van amateurastronomen wel enige bekendheid, maar haar waardevolle tekeningen van zonnevlekken waren tot nu toe bij westerse beroepssterrenkundigen nauwelijks bekend. In haar artikel noemt Knipp Koyama de 'hidden figure' van het zonneonderzoek, verwijzend naar het verfilmde boek Hidden Figures over de onderbelichte rol van vrouwen in de geschiedenis van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. Koyama maakte in een periode van ruim 40 jaar meer dan tienduizend tekeningen van zonnevlekken. Haar waarnemingen, die inmiddels allemaal gedigitaliseerd zijn, zijn minstens zo waardevol als de zonnewaarnemingen van grote namen als Galileo Galilei, Pierre Gassendi, Heinrich Schwabe en Rudolf Wolf. (GS)
Meer informatie:
New Study Highlights 'Hidden Figure' of Sun-Watchers (origineel persbericht)

   
2 oktober 2017 • Biomarker freon-40 blijkt niet geschikt als ‘verklikker’ van leven
Astronomen hebben met de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) en ESA’s ruimtesonde Rosetta freon-40 (methylchloride) ontdekt in het gas rond respectievelijk een jonge dubbelster en een komeet. Dit molecuul, een organohalogeen, wordt op aarde gevormd door biologische processen, maar dit is voor het eerst dat het in de interstellaire ruimte is gedetecteerd. De ontdekking wijst erop dat methylchloride niet zo geschikt is als ‘verklikker’ van leven als werd gehoopt. Aan het onderzoek, dat op maandag 2 oktober wordt gepubliceerd in Nature Astronomy, werkten onder anderen de Nederlandse astronomen Niels Ligterink en Ewine van Dishoeck (Sterrewacht Leiden) en Matthijs van der Wiel (ASTRON) mee. Het werd geleid door drie voormalige NOVA-promovendi. Het resultaat onderstreept nog eens hoe moeilijk het is om moleculen te vinden die het bestaan van buitenaards leven kunnen aantonen. Aan de hand van gegevens die zijn verzameld met ALMA in Chili en het ROSINA-instrument van ESA’s Rosetta-missie heeft een team van astronomen zwakke sporen ontdekt van de chemische verbinding freon-40 (CH3Cl) rond zowel het jonge stersysteem IRAS 16293-2422, ongeveer 400 lichtjaar van ons vandaan in het stervormingsgebied Rho Ophiuchi, als de komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko (67P/C-G) in ons eigen zonnestelsel. De nieuwe ALMA-waarneming is de eerste detectie ooit van een organohalogeen in de interstellaire ruimte. Organohalogenen bestaan uit halogenen (‘zoutvormers’), zoals chloor en fluor, die gebonden zijn aan koolstof en soms ook andere elementen. Op aarde worden deze verbindingen gevormd door bepaalde biologische processen die zich afspelen in de meest uiteenlopende organismen – van schimmels tot de mens. Ook ontstaan ze bij allerlei industriële processen, zoals de productie van kleurstoffen en medicijnen. De nieuwe ontdekking van een van deze verbindingen, freon-40, op plekken waar nog geen leven kan zijn ontstaan, kan als teleurstellend worden gezien, omdat eerder onderzoek had aangegeven dat deze moleculen op de aanwezigheid van leven zouden kunnen wijzen. “De ontdekking van freon-40 bij deze jonge, zonachtige sterren kwam als een verrassing,” zegt Edith Fayolle, onderzoeker bij het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics in Cambridge, Massachusetts (VS), en hoofdauteur van het artikel. “We hebben de vorming ervan simpelweg niet voorzien en waren verrast om het in zulke significante concentraties aan te treffen. Het staat nu vast dat deze moleculen zich gemakkelijk kunnen vormen in de kraamkamers van planeten, wat nieuwe inzichten oplevert over de chemische evolutie van planetenstelsels, inclusief het onze.” Het exoplanetenonderzoek gaat inmiddels verder dan het opsporen van planeten (de teller is de 3000 inmiddels ruimschoots gepasseerd). Er wordt nu ook gezocht naar zogeheten biomarkers – chemische verbindingen die op de mogelijke aanwezigheid van leven kunnen wijzen. Een cruciale stap in dit proces is bepalen welke moleculen een indicatie van leven zouden kunnen zijn, maar dat is netelige kwestie. “ALMA’s ontdekking van methylchloride in het interstellaire medium vertelt ons ook iets over de uitgangssituatie voor organische chemie op planeten,” voegt medeauteur Karin Öberg eraan toe. “Het feit dat methylchloride ook in een komeet is gevonden betekent dat het een bestanddeel kan zijn van de zogeheten ‘oersoep’, zowel op de jonge aarde als op pas gevormde rotsachtige exoplaneten.” Medeauteur Jes Jørgensen van het Niels Bohr Instituut van de Universiteit van Kopenhagen voegt toe: “Dit resultaat is een bewijs dat ALMA astrobiologisch interessante moleculen kan detecteren in vormende zonnestelsels. Eerder hebben we met ALMA al eenvoudige suikers en peptidebindingen rond verschillende sterren ontdekt”. Ewine van Dishoeck beaamt: “De bijkomende ontdekking van freon-40 rond komeet 67P/C-G toont aan dat er een duidelijk verband bestaat tussen de pre-biologische chemie rond jonge sterren en ons eigen zonnestelsel.” De astronomen hebben ook onderzocht hoe het zit met de relatieve hoeveelheden freon-40 die verschillende koolstofisotopen bevatten. Daaruit blijkt dat die verhoudingen voor het jonge stersysteem en de komeet ongeveer gelijk zijn. Dit onderbouwt het vermoeden dat een jong planetenstelsel de chemische samenstelling kan erven van de ster-vormende wolk waaruit het is voortgekomen. Dat betekent dat planeten al tijdens hun vormingsproces of anders via komeetinslagen van organohalogenen kunnen worden voorzien.
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
28 september 2017 • Lancering nieuwe ruimtetelescoop opnieuw uitgesteld
Het wil maar niet vlotten met de opvolger van de Hubble-ruimtetelescoop. NASA heeft besloten om de lancering van de James Webb Space Telescope op te schuiven van oktober 2018 naar het voorjaar van 2019. Daarmee is de vertraging in het project opgelopen tot acht jaar. Volgens NASA is de nieuwe vertraging niet het gevolg van hardwareproblemen. De oorzaak ligt bij het in elkaar passen van de verschillende onderdelen van de zeer complexe ruimtetelescoop, dat langzamer gaat dan verwacht. Ook wordt er meer tijd uitgetrokken om het gevaarte als geheel grondig te testen. De kosten van de vertraging kunnen worden opgevangen binnen het bestaande budget en zullen geen gevolgen hebben voor het wetenschappelijke programma dat uitgevoerd moet worden – aldus NASA. (EE)
Meer informatie:
NASA’s James Webb Space Telescope to be Launched Spring 2019

   
28 september 2017 • Toch watervoorraden rond de evenaar van Mars?
Nabij de evenaar van de planeet Mars zijn – tegen de verwachting in – nog steeds flinke voorraden (bevroren) water te vinden. Dat blijkt uit een nieuwe analyse van gegevens die tussen 2002 en 2009 zijn verkregen met een instrument van NASA’s Mars Odyssey. De gegevens zijn verzameld met de neutronenspectrometer van de Mars Odyssey. Door nog eens goed naar deze data te kijken, hebben wetenschappers onverwacht hoge hoeveelheden waterstof ontdekt langs delen van de evenaar van Mars. De aanwezigheid van waterstof wordt gezien als een sterke aanwijzing dat zich waterijs onder het oppervlak bevindt. Merkwaardig is wel dat tot nu toe werd aangenomen dat waterijs in de bodem rond de evenaar van Mars niet lang kan standhouden. Uit de gegevens van de Mars Odyssey was oorspronkelijk dan ook geconcludeerd dat het waargenomen waterstof afkomstig was van waterhoudende mineralen. De onderzoekers denken dat het bevroren water mogelijk wordt beschermd door een dunne harde korst, een zogeheten duricrust. Een andere mogelijkheid is dat het toch niet om waterijs gaat, maar om gehydrateerde zouten. (EE)
Meer informatie:
A Fresh Look at Older Data Yields a Surprise Near the Martian Equator

   
28 september 2017 • Verre komeet doet zijn winterjas uit
Met de Hubble-ruimtetelescoop is een komeet waargenomen die op een afstand van 2,4 miljard kilometer – voorbij de baan van Saturnus dus – al activiteit vertoont. De geringe opwarming door de verre zon was voor het ijzige hemellichaampje blijkbaar al voldoende om zich in een ruim 1 miljoen kilometer grote stofwolk of coma te hullen. Dat is nog nooit waargenomen bij een komeet die zich voor het eerst in het centrale deel van het zonnestelsel begeeft. De komeet, die de aanduiding C/2017 K2 (PANSTARRS) heeft gekregen, is miljoenen jaren geleden vertrokken uit het buitengebied van ons zonnestelsel, de zogeheten Oortwolk. Van huis uit had hij een temperatuur van ruwweg –260 °C. Volgens wetenschappers David Jewitt van de universiteit van Californië in Los Angeles kan de huidige activiteit van de komeet dus nooit het gevolg zijn van de verdamping van waterijs. Jewitt denkt dat de oorzaak ligt bij de sublimatie – het van ijs rechtstreeks in damp overgaan – van zeer vluchtige gassen zoals zuurstof, stikstof, koolstofdioxide en koolstofmonoxide. Bij hun ontsnapping uit de komeet komen ook stofdeeltjes vrij en dat zou tot de vroege vorming van de coma hebben geleid. Deze sublimatie zou zich overigens beperken tot het buitenste laagje van de komeet, die als het ware zijn winterjas uitdoet. De meeste kometen worden pas ontdekt wanneer ze al een stuk dichter bij de zon zijn, en dan zijn die vluchtige gassen allang verdwenen. Dat zou verklaren waarom ‘K2’ de eerste komeet is waarbij zo’n vroege coma is waargenomen. Hoewel de coma van de komeet pas in juni werd ontdekt, blijkt uit archiefbeelden van een andere telescoop dat de (toen nog niet opgemerkte) komeet al in 2013 actief was. Toen bevond hij zich nog tussen de banen van Uranus en Neptunus. K2 werd uiteindelijk pas in mei van dit jaar ontdekt met de Panoramic Survey Telescope and Rapid Response System (Pan-STARRS) op Hawaï – een telescoopsysteem dat autonoom naar nieuwe kometen, planetoïden en andere hemellichamen zoekt. Astronomen zullen de komeet nog geruime tijd kunnen volgen. Pas in 2022 bereikt hij zijn kleinste afstand tot de zon, die overigens nog net buiten de omloopbaan van Mars ligt. Naar verwachting zal K2 dan nog aanzienlijk actiever zijn dan nu. (EE)
Meer informatie:
Hubble Observes the Farthest Active Inbound Comet Yet Seen

   
28 september 2017 • Toch nog ‘nieuwe’ close-up van komeet 67P
Bij een analyse van de laatste telemetrische gegevens die de Europese ruimtesonde Rosetta naar de aarde stuurde, is een close-up van het oppervlak van komeet 67P ontdekt die tot nu toe aan de aandacht was ontsnapt. De opname is gemaakt op 30 september 2016, vlak voordat Rosetta uitviel na haar afsluitende landing op het komeetoppervlak. Tijdens haar gecontroleerde afdaling maakte Rosetta een hele reeks opnamen, die de komeet van steeds dichterbij lieten zien. De gegevens van de allerlaatste opname kwamen niet compleet op aarde aan, waardoor ze niet werden opgemerkt door de software die de binnenkomende beelden automatisch verwerkte. Elke opname bestond uit zes datapakketjes, en van de laatste heeft Rosetta er maar drie naar de aarde kunnen overseinen. Deze beeldgegevens zijn nu gebruikt om de allerlaatste opname nog voor ongeveer de helft te reconstrueren. De foto toont een ongeveer 1 meter groot stuk van het oppervlak van de komeet, waarop details van enkele millimeters groot te zien zijn. (EE)
Meer informatie:
Unexpected surprise: a final image from Rosetta

   
27 september 2017 • Stof zit eetlust van superzware zwarte gaten vaak in de weg
Al tientallen jaren proberen astronomen erachter te komen waarom twee van de meest voorkomende soorten actieve sterrenstelsels, zogeheten Type I en Type II stelsels, er vanaf de aarde waargenomen anders uitzien. Beide soorten hebben vraatzuchtige superzware zwarte gaten in hun kern, die actief bezig zijn om materie op te slokken en straling uit te zenden. Maar de stelsels van Type I lijken aanzienlijk helderder dan die van Type II. De standaard verklaring was dat dit simpelweg komt door de stand van de stelsels. Type II stelsels zouden van ons uit gezien zodanig zijn gekanteld, dat hun heldere kern niet boven de ring van stof rond het zwarte gat uitsteekt. Nieuw onderzoek door een internationaal team van astronomen wijst er echter op dat deze soorten actieve sterrenstelsels fundamenteel van elkaar verschillen (Nature, 28 september). Dat volgt uit een analyse van gegevens over 836 actieve sterrenstelsels die met de NASA-satelliet Swift en telescopen op aarde zijn verzameld. De gegevens laten zien dat de centrale zwarte gaten in stelsels van Type I in een hoger tempo materie opslokken en straling uitzenden dan die in stelsels van Type II. Volgens de onderzoekers wordt dit verschil veroorzaakt door de hoeveelheid stof in de naaste omgeving van het centrale zwarte gat. Bij stelsels van Type II zit het stof veel dichter bij het zwarte gat, waardoor het de toevoer van gas hindert. (EE)
Meer informatie:
Black Holes With Ravenous Appetites Define Type I Active Galaxies