13 juni 2019 • Laatste Cassini-waarnemingen maken ringenstelsel Saturnus alleen maar onbegrijpelijker
In een artikel dat deze week in Science is gepubliceerd doen wetenschappers verslag van de waarnemingen van de ringen van Saturnus die ruimtesonde Cassini tegen het einde van zijn missie van heel dichtbij heeft gedaan. Op de beelden vallen allerlei texturen en patronen op, uiteenlopend van klonteringen tot ‘strohalmen’. Over hun ontstaan bestaat nog veel onduidelijkheid, maar wel is meer inzicht verkregen over de variaties in chemie en temperatuur binnen het ringenstelsel. Een van de ontdekkingen is die van een reeks strepen in de zogeheten F-ring, die dezelfde lengte en oriëntatie hebben. Volgens de wetenschappers zijn deze strepen ontstaan door een groep objecten die gelijktijdig in de ring zijn ingeslagen. Dat bewijst dat de ring wordt bestookt met materiaal dat om Saturnus zelf draait en niet door kometenpuin dat van verder weg komt. Hoewel de recente Cassini-beelden scherper zijn dan ooit, hebben ze het raadsel van de fijnstructuur van het ringenstelsel allen maar vergroot. Op sommige plaatsen is het ringmateriaal verdeeld in scherp begrensde banden, terwijl het elders om nog onduidelijke redenen klonteriger is. Merkwaardig is ook dat de buitenste delen van de A-ring slechts zwakke sporen van waterijs vertonen. Dat is verrassend omdat dat deel van de ring heel helder is, wat normaal gesproken een teken is dat het ijs daar heel schoon is en in spectrometrisch opzicht juist en sterker ‘watersignaal’ zou moeten afgeven. Globaal gezien is waterijs het belangrijkste bestanddeel van de ringen A, B en C van Saturnus. Het laatste Cassini-onderzoek wijst erop dat het ringmateriaal geen waarneembare hoeveelheden ammoniak en methaan bevat, en ook geen organische verbindingen. Ook dat is verrassend, omdat eerder is vastgesteld dat vanuit de D-ring organisch materiaal op Saturnus neerregent. (EE)
Meer informatie:
NASA’s Cassini Reveals New Sculpting in Saturn Rings

   
12 juni 2019 • ‘Keukenzout’ gevonden op Jupitermaan Europa
Nieuwe spectra, verkregen met de Keck-telescoop op Hawaï, laten zien dat er op het (ijs)oppervlak van de grote Jupitermaan Europa natriumchloride te vinden is – gewoon keukenzout dus. De ontdekking bevestigt dat de zoute oceaan onder de ijskorst van Europa qua samenstelling op de oceanen op aarde lijkt (Science Advances, 12 juni). Europa is van nabij onderzocht door de Amerikaanse ruimtesonde Galileo, die onder meer met een infraroodspectrometer was uitgerust. Met dit instrument is ook zout op de Jupitermaan aangetoond, maar dat betrof (waarschijnlijk) magnesiumsulfaat. Keukenzout is echter niet waarneembaar in het infrarode deel van het spectrum, en is daardoor tot nu toe over het hoofd gezien. Saillant detail: de Hubble-ruimtetelescoop had dit twintig jaar geleden al kunnen ontdekken, maar niemand is op het idee gekomen om dit instrument daarvoor in te zetten. Met de (nieuwe) spectrometer van de Keck-telescoop is op een bepaalde plek op Europa – Tara Regio – dan toch eindelijk natriumchloride opgespoord. De aanwezigheid van het zout kan erop wijzen dat er hydrothermale bronnen op de bodem van de verscholen oceaan actief zijn. Maar zeker is dat niet: het is ook mogelijk dat het zout al sinds het ontstaan van deze Jupitermaan in het oppervlakte-ijs zit. (EE)
Meer informatie:
Table Salt Compound Spotted on Europa

   
12 juni 2019 • Astronomen ontdekken populatie van ‘koude quasars’
Het lijkt erop dat er sterrenstelsels bestaan die grote hoeveelheden koud gas herbergen en er ondanks de aanwezigheid van een actief superzwaar zwart gat in hun centrum in slagen om nieuwe sterren te produceren. Dat maakt astronoom Allison Kirkpatrick vandaag bekend tijdens de bijeenkomst van de American Astronomical Society die deze week in de stad St. Louis wordt gehouden. Een actief superzwaar zwart gat is bezig om gas uit zijn omgeving aan te trekken. Dat gas verzamelt zich in een ‘accretieschijf’ rond het zwarte gat en is een krachtige bron van energierijke elektromagnetische straling, waaronder röntgenstraling. Hierdoor is de kern van het sterrenstelsel op allerlei golflengten enorm helder. Zo'n intens stralende kern wordt een quasar genoemd. Doorgaans wordt aangenomen dat quasars funest zijn voor de stervorming in het omringende sterrenstelsel. Onder invloed van magnetische velden zenden ze behalve röntgenstraling ook jets van energierijke deeltjes de ruimte in, en dat zorgt ervoor dat de aanvoer van intergalactisch gas naar het sterrenstelsel wordt afgeremd. Daardoor stokt de vorming van nieuwe sterren in het stelsel. Uit een survey die Kirkpatrick heeft gedaan blijkt echter dat ongeveer tien procent van de sterrenstelsels met een quasar in hun centrum nog steeds koud gas bevatten en nieuwe sterren maken. ‘Koude quasars' noemt Kirkpatrick deze objecten. Vermoed wordt dat de koude quasars kenmerkend zijn voor de overgangsfase die sterrenstelsels doorlopen wanneer de productie van nieuwe sterren stil komt te vallen. Deze overgangsperiode zou slechts ongeveer 10 miljoen jaar duren – een oogwenk naar kosmische maatstaven. Vandaar dat koude quasars relatief zeldzaam zijn. (EE)
Meer informatie:
Astrophysicist announces her discovery that could rewrite story of how galaxies die

   
12 juni 2019 • Reuzenplaneten en ‘mislukte’ sterren hebben weinig gemeen
Waarnemingen met de Gemini Planet Imager (GPI) van de Gemini South-telescoop in Chili wijzen erop dat grote planeten en bruine dwergen, oftewel (te) kleine sterren, niet op dezelfde manier ontstaan. De GPI maakt gebruik van een coronagraaf, waarmee het licht van en ster wordt afgeschermd om zo zwakke objecten in diens naaste omgeving te kunnen opsporen. Bij 300 zonachtige sterren die met behulp van dit instrument zijn bekeken zijn zes reuzenplaneten en drie bruine dwergen ontdekt. Bruine dwergen hebben meer massa dan planeten, maar zijn niet zwaar genoeg om waterstof in zwaardere elementen om te zetten, zoals echte sterren dat doen. Een analyse van deze waarnemingen laat zien dat bruine dwergen en reuzenplaneten niet zo veel met elkaar gemeen hebben. Waar zware bruine dwergen talrijker zijn dan minder zware, is dat bij planeten juist andersom. Bovendien bevinden bruine dwergen zich doorgaans verder van hun moederster. Dat wijst erop dat bruine dwergen op vergelijkbare wijze ontstaan als sterren: door samentrekking van een grote wolk van gas en stof. Planeten ontstaan juist door samenklonteringen van grote aantallen brokjes ijs en gesteente. Een ander opvallend resultaat van de GPI-survey is dat alle ontdekte planeten om de zwaarste van de onderzochte sterren cirkelen – sterren met minstens anderhalf keer zoveel massa als de zon. En dat terwijl planeten zich juist makkelijker laten opsporen bij lichtere, zwakkere sterren. Dit ‘tegenstrijdige’ verband werd al geruime tijd vermoed: het is een bevestiging van het ‘bottom-up’-scenario voor de planetenvorming. Ook wijst de survey erop dat het aantal reuzenplaneten – planeten van het type Jupiter – daalt naarmate de afstand tot de ster groter is dan die tussen de zon en Jupiter. Het lijkt er dus op dat ‘onze’ Jupiter zich zo’n beetje op de meest normale plek in het zonnestelsel bevindt. Zowel op veel kleinere als op veel grotere afstanden van een ster zijn zulke planeten minder talrijk. Hoe dan ook komen reuzenplaneten niet veel voor bij zonachtige sterren. (EE)
Meer informatie:
The Formative Years: Giant Planets vs. Brown Dwarfs

   
12 juni 2019 • Zelflerende machines jagen op kosmische explosies en versnellen innovatie
De Nationale Wetenschapsagenda kent vandaag 4,5 miljoen euro toe aan CORTEX, het Centrum voor Onderzoek in Real Time naar het Explosieve Universum. Het centrum is een samenwerkingsverband van twaalf partners uit wetenschap, bedrijfsleven en maatschappij. Het samenwerkingsverband gaat zelflerende machines sneller maken voor onderzoek naar kosmische explosies en voor maatschappelijke toepassingen. De kern van CORTEX bestaat uit: ASTRON, Nikhef, SURF, Netherlands eScience Center, Universiteit van Amsterdam, Radboud Universiteit Nijmegen, Centrum Wiskunde & Informatica, IBM Nederland, BrainCreators, ABN AMRO, NVIDIA, NOVA en Stichting ILT. Er wordt samengewerkt met Rijksmuseum, Thermo Fisher en de Universiteit Leiden. Kunstmatige intelligentie is sinds kort belangrijk in de maatschappij en de wetenschap. Kunstmatige intelligentie wordt bijvoorbeeld gebruikt door virtuele assistenten in mobieltjes, door zoekmachines op internet en door wetenschappers in de speurtocht naar patronen in de natuur en in het heelal. De zelflerende systemen zijn echter nog niet snel genoeg voor bijvoorbeeld zelfsturende auto's en voor het opsporen van felle explosies van licht en zwaartekrachtsgolven uit het heelal. Sarah Caudill (Nikhef) wil zelflerende machines inzetten bij onderzoek naar zwarte gaten en neutronensterren. ‘De storm aan zwaartekrachtsgolven die wordt gevormd wanneer een stel zwarte gaten of neutronensterren samensmelt, piekt maar een paar seconden. En dat misschien maar eens per week. Snelle kunstmatige intelligentie kan helpen deze om deze verre explosies te herkennen, nog terwijl ze afgaan.’ Antonia Rowlinson (Universiteit van Amsterdam en ASTRON) vult aan: ‘Als we de kosmische explosies onmiddellijk waarnemen met radiotelescopen gaat ons dat veel leren over het heelal. Zelflerende machines kunnen de nagloeiende radio-explosie uit duizenden achtergrondbronnen herkennen. Als we het vervagen van deze kosmische vuurballen volgen, kunnen we bepalen wat voor enorme energie er bij de explosies komt kijken.’ 
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
11 juni 2019 • Magnetische velden houden zwart gat in Melkwegkern rustig
Magnetische velden zorgen ervoor dat het zwarte gat in het centrum van ons Melkwegstelsel relatief weinig activiteit vertoont. Dat concluderen sterrenkundigen op basis van nieuwe waarnemingen van de vliegende infraroodsterrenwacht SOFIA (een infraroodtelescoop aan boord van een omgebouwde Boeing, die waarnemingen doet vanuit de stratosfeer). Door metingen te verrichten aan de polarisatie van infraroodstraling is het mogelijk om magnetische velden in kaart te brengen. Dat is nu voor het eerst in detail gedaan voor straling die afkomstig is uit de omgeving van de radiobron Sagittarius A* - het zwarte gat in het centrum van het Melkwegstelsel. Terwijl superzware zwarte gaten in de kernen van andere sterrenstelsels vaak grote activiteit vertonen, als gevolg van het opslokken van materie vanuit hun omgeving, is Sgr A* (ruim vier miljoen keer zo zwaar als de zon) relatief rustig. Uit de SOFIA-waarnemingen blijkt dat het magnetisch veld zodanig georiënteerd is dat plasma (elektrisch geladen gas) bij voorkeur in een baan rond het zwarte gat terecht komt, waardoor er weinig materiaal naar binnen valt. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal en gepresenteerd op de 234ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in St. Louis, Missouri. (GS)
Meer informatie:
Magnetic Field May Be Keeping Milky Way’s Black Hole Quiet (origineel persbericht)

   
11 juni 2019 • Ahuna Mons op Ceres is een cryovulkaan
De merkwaardige, ruim vier kilometer hoge berg Ahuna Mons op de dwergplaneet Ceres is ontstaan door cryovulkanisme (ijsvulkanisme). Dat blijkt uit een nieuwe gedetailleerde analyse van zwaartekrachtmetingen door de Amerikaanse ruimtesonde Dawn. Onder de piramidevormige berg blijkt zich een massaconcentratie te bevinden met een hogere dichtheid dan de rest van de mantel van Ceres. Volgens Europese planeetonderzoekers gaat het om een 'cryokamer' - de koude tegenhanger van een magmakamer in de aardmantel. Hierin bevindt zich een mengsel van zout water, modder en gesteente. Door inwendige bewegingen is dat mengsel op een zwakke plek in de ijsrijke korst van Ceres naar buiten geperst, waar het omhoog gestuwd werd tot een hoogte van enkele kilometers alvorens volledig te bevriezen. (GS)
Meer informatie:
A new and unusual type of volcanic activity (origineel persbericht)

   
11 juni 2019 • Edwin Hubble's classificatie van spiraalstelsels op de schop
De gangbare classiificatie van spiraalvormige sterrenstelsels, in 1927 opgesteld door de Amerikaanse astronoom Edwin Hubble, moet op de schop. Dat blijkt uit resultaten van het Galaxy Zoo-project die gepubliceerd zijn in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Hubble meende dat er bij spiraalstelsels een verband is tussen de grootte van de centrale verdikking (de 'kern' van het stelsel) en het uiterlijk van de spiraalarmen: een grote centrale verdikking zou samengaan met strak opgewonden spiraalarmen (type Sa); een kleine centrale verdikking met 'losjes' opgewonden armen (type Sc; Sb is een tussenvorm). Burgerwetenschappers van het internationale Galaxy Zoo-project hebben op bestaande foto's van grote telescopen nu echter ruim 6000 sterrenstelsels bekeken en gekarakteriseerd, en uit de analyse van die resultaten blijkt dat het door Hubble beschreven verband lang niet altijd opgaat. Daarmee komt de standaard-classificatie van sterrenstelsels op losse schroeven te staan. Het nieuwe resultaat doet vermoeden dat de populaire dichtheidsgolventheorie voor het verklaren van de spiraalarmen van sterrenstelsels mogelijk incompleet is, of in elk geval niet de enige verklaring vormt. (GS)
Meer informatie:
Citizen Scientists Re-tune Hubble's Galaxy Classification (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Nieuwe ‘planetenspeurder’ van Breakthrough Watch en ESO vangt eerste licht op
Breakthrough Watch, het mondiale astronomische programma dat naar aarde-achtige planeten rond nabijgelegen sterren speurt, en de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), de belangrijkste intergouvernementele astronomische organisatie van Europa, hebben vandaag bekendgemaakt dat een nieuw instrument van de Very Large Telescope (VLT), bedoeld voor de jacht op exoplaneten, zijn eerste licht heeft opgevangen. Het instrument – de Near Earths in the AlphaCen Region of kortweg NEAR – is ontworpen om planeten op te sporen in de ‘leefbare zones’ van de twee dichtstbijzijnde zonachtige sterren, die deel uitmaken van het Alfa Centauri-stelsel. De leefbare zone is het gebied rond een ster waar water in vloeibare vorm kan bestaan. NEAR is de afgelopen drie jaar ontwikkeld en gebouwd in samenwerking met de Universiteit van Uppsala in Zweden, de Universiteit van Luik in België, het California Institute of Technology in de VS en Kampf Telescope Optics in München, Duitsland. Op 23 mei zijn astronomen van ESO begonnen aan de eerste tiendaagse reeks VLT-waarnemingen die moeten uitwijzen of zich in dit stersysteem inderdaad een of meer planeten bevinden. De waarnemingen zullen morgen, 11 juni, worden afgesloten. Met het nieuwe instrument kunnen planeten worden gedetecteerd die minimaal tweemaal zo groot zijn als de aarde. Dat gebeurt in het infraroodbereik waar eventuele planeten hun warmtestraling uitzenden en stelt astronomen dus in staat om vast te stellen of de planeet een temperatuur heeft die vloeibaar water toelaat. Met een afstand van 4,37 lichtjaar (ongeveer 38 biljoen kilometer) is het Alfa Centauri-stelsel de meest nabije buur van ons zonnestelsel. Het bestaat uit twee zonachtige sterren, Alfa Centauri A en B, en een rode dwergster, Proxima Centauri. Onze huidige kennis van de planetenstelsels van Alfa Centauri is beperkt. In 2016 ontdekte een team gebruikmakend van ESO-instrumenten een aarde-achtige planeet die in een baan om Proxima Centauri draait. Maar of ook Alfa Centauri A en B planeten kunnen hebben staat niet vast: het is onduidelijk hoe stabiel de omloopbanen van aarde-achtige planeten in zo’n dubbelster zijn. Alleen waarnemingen van deze eventuele planeten kunnen daar zekerheid over geven. Het fotograferen van zulke planeten is een grote technische uitdaging, omdat het sterlicht dat zij weerkaatsen doorgaans miljarden keren zwakker is dan het licht dat rechtstreeks van hun moedersterren afkomstig is. Het waarnemen van een kleine planeet nabij een ster op enkele lichtjaren afstand kan worden vergeleken met het lokaliseren van een mot die om een straatlantaarn fladdert die tientallen kilometers van je vandaan staat. Om dit probleem op te lossen zijn Breakthrough Watch en ESO in 2016 een samenwerking aangegaan om een speciaal instrument te bouwen: een zogeheten thermische infraroodcoronagraaf. Deze is ontworpen om het grootste deel van het licht van de ster tegen te houden en geoptimaliseerd om het infrarode licht van het warme oppervlak van een om de ster cirkelende planeet op te vangen, in plaats van de geringe hoeveelheid sterlicht die deze weerkaatst. De coronagraaf veroorzaakt als het ware een kunstmatige verduistering van de ster waar de telescoop op gericht is. Dat maakt het mogelijk om veel zwakkere objecten in diens omgeving te detecteren, net zoals objecten in de buurt van de zon (die in het felle zonlicht ‘verdrinken’) zichtbaar worden tijdens een totale zonsverduistering. De coronagraaf is geïnstalleerd op een van de vier 8-meter-telescopen van de VLT en is in feite een uitbreiding van een bestaand instrument, VISIR, dat daardoor beter geschikt is geworden voor de detectie van infraroodstraling die kenmerkend is voor potentieel leefbare exoplaneten. Vanaf nu kan VISIR zoeken naar warmtesignaturen die vergelijkbaar zijn met die van de aarde, die energie absorbeert van de zon en deze deels weer uitzendt in de vorm van thermische infraroodstraling. NEAR modificeert het bestaande VISIR-instrument op drie manieren, waarbij verschillende geavanceerde technieken worden gecombineerd. Om te beginnen maakt hij het instrument geschikt voor coronagrafie, wat betekent dat het licht van een ster drastisch kan worden gereduceerd, zodat de signaturen van eventuele aarde-achtige planeten zichtbaar worden. Ten tweede gebruikt hij adaptieve optiek om de secundaire spiegel van de telescoop zodanig te vervormen dat de onscherpte die door de aardatmosfeer wordt veroorzaakt wordt gecompenseerd. En tot slot maakt hij gebruik van nieuwe ‘chopping-strategieën’ die beeldruis helpen tegengaan en het instrument bovendien in staat stellen om snel – om de 100 milliseconden – tussen twee doelsterren om te schakelen. Hierdoor kan de beschikbare telescooptijd efficiënter worden benut.
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
10 juni 2019 • Ook de zon kan 'supervlammen' produceren
De zon vertoont regelmatig energierijke explosies aan het oppervlak - zogeheten zonnevlammen. Onderzoekers van de Universiteit van Colorado in Boulder komen nu echter tot de conclusie dat er op de zon incidenteel ook veel krachtiger 'supervlammen' kunnen voorkomen. Zo'n supervlam zou desastreus zijn voor onze kwetsbare technologische beschaving. Pasgeboren, actieve sterren vertonen ongeveer eens per week zo'n krachtige supervlam. Uit metingen van de Amerikaanse ruimtetelescoop Kepler, aangevuld met waarnemingen van onder andere de Europese ruimtetelescoop Gaia, blijkt nu echter dat oudere, 'rustige' sterren zoals de zon (die een leeftijd heeft van 4,6 miljard jaar) ook eens in de paar duizend jaar een dergelijke supervlam kunnen produceren. Er is dus een kleine maar reële kans dat zoiets in de komende eeuw gaat gebeuren. De nieuwe resultaten, gebaseerd op een statistische analyse van supervlammen op 43 zonachtige sterren, zijn in mei gepubliceerd in The Astrophysical Journal en werden vandaag gepresenteerd op de 234ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in St. Louis, Missouri. (GS)
Meer informatie:
Rare ‘superflares’ could one day threaten Earth (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Paradoxale planeet geeft geheimen prijs
Nieuwe metingen aan het licht van een paradoxale planeet bieden meer inzicht in het ontstaan van zogeheten 'hete Jupiters' - zware exoplaneten in kleine omloopbanen rond hun moederster. Planeet CI Tau b is zo'n hete Jupiter. Hij draait in slechts 9 dagen rond een ster die zich op 450 lichtjaar afstand van de aarde bevindt. Het paradoxale zit 'm in de leeftijd van de ster: die is pas 2 miljoen jaar oud. Doorgaans wordt aangenomen dat zware gasvormige planeten in de loop van vele miljoenen jaren ontstaan. Onderzoekers van Rice University hebben nu het (gereflecteerde) licht van CI Tau b voor het eerst direct kunnen meten. Uit de waarnemingen konden ze de massa en de (infrarode) helderheid van de planeet afleiden. Hij blijkt 11,6 keer zo zwaar te zijn als Jupiter, en slechts 134 keer zo zwak als de ster zelf. De nieuwe resultaten ondersteunen de zogeheten hot start-theorie voor de vorming van zware reuzenplaneten: een zeer snelle vorming onder invloed van een gravitationele instabiliteit in de gas- en stofschijf rond de pasgeboren ster. De onderzoekers presenteerden hun nieuwe metingen vandaag op de 134ste bijeenkomst van de American Astronomical Society in St. Louis (Missouri). Binnenkort volgt een publicatie in Astrophysical Journal Letters. (GS)
Meer informatie:
Spectral Clues to Puzzling Paradox of Distant Planet (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Complex leven mogelijk zeldzamer dan gedacht
Volgens theoretisch onderzoek van biogeochemici van de Universiteit van Californië in Riverside zijn complexe ecosystemen in het heelal waarschijnlijk zeldzamer dan tot nu toe werd gedacht. Doorgaans wordt aangenomen dat er op een planeet complexe levensvormen kunnen voorkomen wanneer die planeet zich in de zogeheten bewoonbare zone van zijn moederster bevindt - het gebied waar de oppervlaktetemperatuur geschikt is voor het bestaan van vloeibaar water. In een artikel in The Astrophysical Journal rekenen de onderzoekers echter voor dat die bewoonbare zone veel smaller is (of in sommige gevallen in het geheel niet bestaat) als het gaat om complexe levensvormen, die veel minder goed bestand zijn tegen allerlei giftige gassen. Zo kan een grote hoeveelheid UV-straling van de moederster leiden tot de vorming van hoge concentraties koolmonoxide, en kan een planeet aan de buitenzijde van de traditionele bewoonbare zone alleen warm genoeg blijven als zijn dampkring extreem hoge concentraties giftig kooldioxide bevat. De planetenstelsels van de nabije rode dwergsterren Proxima Centauri en Trappist-1 zouden volgens de nieuwe analyse helemaal geen bewoonbare planeten tellen. (GS)
Meer informatie:
New study dramatically narrows the search for advanced life in the universe (origineel persbericht)

   
10 juni 2019 • Dwergstelsel bevat verrassend licht zwart gat
Het zwarte gat in het centrum van het dwergsterrenstelsel NGC 4395, op 15 miljoen lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Jachthonden, is slechts tienduizend keer zo zwaar als de zon (ter vergelijking: het zwarte gat in het centrum van ons eigen Melkwegstelsel weegt ruim vier miljoen zonsmassa's, en sommige reuzenstelsels hebben een zwart gat van miljarden zonsmassa's). De massa van het zwarte gat in NGC 4395 is gemeten met behulp van de reverberation mapping-techniek. De resultaten zijn vandaag gepubliceerd in Nature Astronomy. Reverberation mapping maakt gebruik van het feit dat energierijke straling van de accretieschijf rond een zwart gat (een snel rondcirkelende schijf van heet gas) invloed heeft op koelere materie op grotere afstand - de zogeheten broad line region. Daarin worden atomen geïoniseerd die vervolgens weer recombineren en straling uitzenden. Uit het tijdsverschil tussen het oplichten van de accretieschijf en de resulterende lichtflits in de broad line region kan de afstand van dat laatste gebied worden afgeleid. Wanneer ook de bewegingssnelheid van het gas in de broad line region bekend is, is het mogelijk om de massa van het zwarte gat te berekenen. Het zwarte gat in NGC 4395 blijkt veertig maal lichter te zijn dan tot nu toe werd aangenomen. Het nieuwe resultaat kan meer licht werpen op het ontstaan en de evolutie van zwaardere zwarte gaten in de kernen van grotere sterrenstelsels. (GS)
Meer informatie:
Astronomers Determine Mass of Small Galaxy's Central Black Hole (origineel persbericht)

   
7 juni 2019 • Kosmische aurora verlicht de verbinding tussen twee clusters van sterrenstelsels
Voor het eerst is een stroom van magnetische velden en relativistische elektronen geïdentificeerd langs een filament die de clusters van sterrenstelsels Abell 399 en Abell 401 met elkaar verbindt. Dankzij de gegevens die door de Low Frequency Array (LOFAR) radiotelescoop zijn verzameld, was het voor het eerst mogelijk om dit fenomeen op radiogolflengte te ontdekken en te meten (Science, 7 juni). In het universum wordt materie gedistribueerd langs een zogenaamd ‘kosmisch web’ bestaande uit draderige, filamentaire structuren, waarvan op de kruising zich enorme concentraties van duizenden sterrenstelsels vormen, bekend als ‘clusters’. Clusters van sterrenstelsels kunnen worden beschouwd als de grootste door zwaartekracht gebonden structuren in het universum. Tot nu toe was een magnetisch veld in de filamenten die de clusters verbinden nooit eerder waargenomen. Waarnemingen met radiotelescopen hebben eerder wel een ‘halo’ van radiostraling geobserveerd in de centrale gebieden van sommige clusters, wat het bestaan ​​van een magnetisch veld bevestigde. Ondanks dat ze immens zijn, zijn filamenten van het kosmische web extreem ijl en moeilijk te detecteren. ‘De unieke gevoeligheid voor het detecteren van uitgebreide emissie onderzocht door LOFAR is de sleutel om voor de eerste keer deze ‘kosmische aurora’ in intergalactische filamenten te onthullen’, aldus Emanuela Orrù van ASTRON, het Nederlands Instituut voor Radioastronomie.De internationale LOFAR-telescoop bestaat uit een Europees netwerk van radioantennes die met elkaar verbonden zijn door een snel glasvezelnetwerk dat zich uitstrekt over zeven landen. LOFAR is ontworpen, gebouwd en wordt nu beheerd door ASTRON (Nederlands instituut voor radioastronomie), met Exloo (Drenthe) als kernlocatie. LOFAR werkt door de signalen van meer dan 100.000 afzonderlijke dipoolantennes met elkaar te combineren. Krachtige computers verwerken de radiosignalen op zodanig wijze dat het lijkt of hij een 1900 kilometer grote ‘schotel’ vormt. Op lage frequentie is LOFAR ongeëvenaard als het op gevoeligheid en resolutie (d.w.z. het vermogen om detailrijke beelden te maken) aankomt. Deze studie werd gecoördineerd door Federica Govoni van het National Institute for Astrophysics (INAF) uit Cagliari. Onder de deelnemers in Nederland waren Emanuela Orrù en Marco Iacobelli van ASTRON, Huub Röttgering en Reinout van Weeren van de Universiteit Leiden, Michael Wise van het Nederlands Instituut voor Ruimte-onderzoek (SRON) en onderzoekers van verschillende Europese instituten (in Italië, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Zweden, Engeland).
Meer informatie:
Volledig persbericht

   
6 juni 2019 • Exoplaneet HAT-P-6 b zoekt nieuwe naam
De Internationale Astronomische Unie (IAU) bestaat dit jaar 100 jaar en organiseert de mondiale competitie ‘IAU100 NameExoWorlds’. Elk land krijgt een exoplaneet toegewezen en mag die samen met het publiek een naam geven. Meer dan 70 landen zijn al bezig met een nationale campagne om het publiek te laten stemmen. Het doel van de campagne is mensen te laten nadenken over onze plaats in het heelal en over de hypothetische vraag hoe een buitenaardse beschaving naar onze aarde zou kijken. Astronomen hebben de afgelopen decennia duizenden planeten en planeetstelsels ontdekt rond nabije sterren. Sommige planeten zijn klein en rotsachtig zoals onze aarde; andere lijken meer op gasreuzen als Jupiter. Om de meeste sterren cirkelen planeten. Alleen al het enorme aantal sterren in het heelal en de overvloedigheid van prebiotische materialen, maakt het bestaan van leven elders in het heelal waarschijnlijk. De IAU is verantwoordelijk voor de officiële naamgeving van hemellichamen. De IAU viert dit jaar 100 jaar internationale samenwerking, en wil dit aspect van de sterrenkunde benadrukken met de wereldwijde campagne. Tijdens de competitie van 2015 werden al 19 exoplaneten vernoemd. Dit jaar krijgt élk land de kans een naam te geven aan een planeetstelsel, bestaande uit een exoplaneet en een ster. Elk land heeft een ster toegewezen gekregen die zichtbaar is vanuit dat land en helder genoeg is om met een kleine telescoop te bekijken. Dat is gebeurd na een zorgvuldige selectie van een groot aantal bekende exoplaneten en hun moedersterren. Al deze planeten zijn gasreuzen, vergelijkbaar met Jupiter en Saturnus. Nederland heeft de ster HAT-P-6 en de exoplaneet HAT-P-6 b toegewezen gekregen. Het stelsel ligt op ongeveer 650 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Andromeda. De hele lijst met planeten is hier te vinden.  In elk deelnemend land is een nationaal comité opgericht om een nationale verkiezing op te zetten. Dit comité volgt de methode en de richtlijnen die door de IAU100 NameExoWorlds-stuurgroep zijn opgesteld. Het nationaal comité is verantwoordelijk voor publieksparticipatie, communicatie rond het project en het ontwerpen van een stemsysteem. De nationale competitie vindt plaats in de periode juni-november 2019. De resultaten van de wereldwijde verkiezingen worden bekendgemaakt in december 2019. De gekozen namen worden dan parallel aan de bestaande wetenschappelijke namen gebruikt, met een verwijzing naar de indieners. 
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
6 juni 2019 • Dominique Wanningen (17) wint dertiende Nederlandse Sterrenkunde Olympiade
Dominique Wanningen (17) van het Murmellius College in Alkmaar is de winnaar van de dertiende Nederlandse Sterrenkunde Olympiade. Zij heeft een waarneemreis naar de sterrenwacht op het Canarische eiland La Palma gewonnen. De tweede prijs, een telescoop, ging naar Annemarijn Zwerver (18) van het Hogeland College in Warffum en de derde prijs, een astronomieboek, is gewonnen door Tijn Ansems (16) van het Willem van Oranje College in Waalwijk. De Sterrenkundeolympiade vond dit jaar plaats op de Afdeling Sterrenkunde van de Radboud Universiteit Nijmegen. Het is een jaarlijkse wedstrijd voor middelbare scholieren die geïnteresseerd zijn in natuur- en sterrenkunde en wordt afwisselend georganiseerd door een van de NOVA-instituten. In de eerste ronde hebben deelnemers opgaven moeten doen die hun kennis en inzicht in de sterrenkunde testten. Hieruit zijn de beste acht deelnemers gekozen. Zij zijn uitgenodigd voor de finale, waarbij ze de afgelopen dagen een groot aantal masterclasses voorgeschoteld kregen over uiteenlopende onderwerpen, zoals zwaartekrachtgolven, supernovae en exoplaneten. De docenten dit jaar waren Gijs Nelemans (gravitatiestraling), Onno Pols (sterhopen), Marijke Haverkorn (exoplaneten), Nadia Blagorodnova (supernovae) en Frank Verbunt (sterclusters). De hoofdprijs is traditiegetrouw een reis naar de Roque de los Muchachos-sterrenwacht op het Canarische eiland La Palma, waar Dominique Wanningen met een professionele telescoop mag gaan waarnemen. Daarnaast mag zij een verslag schrijven over haar reis voor astronomie-magazine Zenit. 
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
5 juni 2019 • Ring van ‘koel’ gas waargenomen rond superzwaar zwart gat in Melkwegcentrum
Sagittarius A*, het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg, is omgeven door koel interstellair gas. Dat blijkt uit waarnemingen met de ALMA-telescoop in het noorden van Chili (Nature, 5 juni). Het Melkwegcentrum is 26.000 lichtjaar van ons verwijderd. Bekend was al dat de naaste omgeving van het daar aanwezige zwarte gat wemelt van de sterren, stof en wolken van heet en minder heet gas. Deze gassen maken deel uit van een uitgestrekte accretieschijf die op enkele tienden van een lichtjaar van het centrum begint. Tot nu toe was alleen het ijle, 10 miljoen graden hete deel van deze accretieschijf in beeld gebracht. Dat gas is een sterke bron van röntgenstraling, die met behulp van röntgensatellieten goed waarneembaar is. Daarnaast was met kleinere ALMA-achtige telescopen al koeler gas op afstanden van enkele lichtjaren van zwarte gat waargenomen, dat temperaturen van ongeveer 10.000 °C heeft. Met de grote ALMA-telescoop is nu vastgesteld dat dit koele gas zich inderdaad tot op een fractie van een lichtjaar van het zwarte gat uitstrekt. Hierdoor is het nu ook mogelijk om te bepalen om hoeveel koel gas het gaat. Veel is het niet: ongeveer een tiende Jupitermassa oftewel een tienduizendste zonsmassa. Door het dopplereffect heeft het gas in de schijf dat onze kant op komt een iets kortere (‘blauwere’) golflengte dan het gas dat zich van ons verwijdert. Daaruit leiden astronomen af dat het koele gas daadwerkelijk om Sagittarius A* cirkelt. (EE)
Meer informatie:
Cool, Nebulous Ring Around Milky Way's Supermassive Black Hole

   
5 juni 2019 • Geen 'late maansopkomst' op D-Day
Aan de vooravond van de 75ste verjaardag van D-Day - de invasie van Normandië op 6 juni 1944 - publiceren astronomen van Texas State University hun onderzoek naar de astronomische omstandigheden tijdens die historische gebeurtenis, die een keerpunt betekende in de Tweede Wereldoorlog. In veel artikelen over D-Day is sprake van een 'late maansopkomst', die nodig zou zijn geweest om de nachtelijke verrassingsmanoeuvre zo heimelijk mogelijk uit te voeren. Donald Olson en zijn collega's komen echter tot de conclusie dat de maan op D-Day helemaal niet laat opkwam. Op 6 juni 1944 was het Volle Maan, en kwam de maan in Normandië korte tijd voor zonsondergang op, om even na zonsopkomst weer onder te gaan. De geallieerden hadden juist veel baat bij het maanlicht. In een publicatie op de website van het Amerikaanse maandblad Sky & Telescope zetten Olson en zijn collega's uiteen dat het misverstand grotendeels is toe te schrijven aan een passage in het beroemde boek The Longest Day van Cornelius Ryan. Die baseerde zich weer op een foutieve quote van de Amerikaanse generaal Walter Bedell Smith in een artikelenreeks in de Saturday Evening Post in 1946. (GS)
Meer informatie:
Full moon at Normandy: Celestial Sleuth corrects D-Day historical record (origineel persbericht)

   
3 juni 2019 • Centrum van sterrenstelsel Mrk 1216 zit tjokvol donkere materie
Waarnemingen aan de verdeling van heet interstellair gas in het centrum van het sterrenstelsel Markarian 1216 (Mrk 1216), verricht met NASA's Chandra X-ray Observatory, wijzen uit dat de kern van dit merkwaardige stelsel een grote concentratie aan donkere materie bevat. Zonder die grote hoeveelheid donkere materie zou het hete gas (waarvan Chandra de röntgenstraling in kaart heeft gebracht) zich al lang over een veel groter gebied hebben verspreid. De nieuwe waarnemingen bevestigen de theorie dat compacte elliptische stelsels zoals Mrk 1216 hun leven begonnen als zogeheten 'red nuggets' - kleine, roodgekleurde en zeer compacte sterrenstelsels die binnen één miljard jaar na de oerknal zijn ontstaan. Van Mrk 1216 en zijn soortgenoten was al bekend dat de sterren in het centrum dichter op elkaar gepakt zitten dan bij 'normale' elliptische sterrenstelsel. Astronomen vermoedden daarom dat het de 'afstammelingen' zijn van de 'red nuggets', die op zeer grote afstanden zijn ontdekt, waar we ver terugkijken in de tijd, tot ca. één miljard jaar na de oerknal. In dat geval zou de donkere materie in een stelsel als Mrk 1216 ook zo'n hoge dichtheidsconcentratie te zien moeten geven. Dat lijkt nu bevestigd door de Chandra-metingen. De nieuwe resultaten zijn gepubliceerd in The Astrophysical Journal. (GS)
Meer informatie:
Heart of Lonesome Galaxy is Brimming with Dark Matter (origineel persbericht)

   
3 juni 2019 • Duitse maantelescoop maakt in Spanje jacht op mysterieuze flitsen
Astronomen van de Universiteit van Würzburg in Duitsland hebben een relatief kleine, volledig geautomatiseerde telescoop in gebruik genomen op een donkere plek zo'n 100 kilometer ten zuiden van Sevilla (Spanje), om het raadsel van mysterieuze lichtverschijnselen op de maan op te lossen. De telescoop heeft twee afzonderlijke camera's die continu op de maan gericht zijn (tenminste, wanneer die zichtbaar is). Wanneer beide camera's een bijzonder lichtverschijnsel op de maan registreren, ontvangen de onderzoekers een melding, zodat vervolgwaarnemingen gepland kunnen worden. Op die manier hoopt projectleider Hakan Kayal zogeheten Transient Lunar Phenomena (TLP's, kortdurende lichtverschijnselen op de maan) op het spoor te komen. Die worden al sinds halverwege de vorige eeuw waargenomen. Vaak gaat het om relatief kortdurende verschijnselen, maar sommige TLP's duren vele minuten. In sommige gevallen kan er sprake zijn van de inslag van een meteoriet, maar er zijn ook lichtverschijnselen gezien die misschien veroorzaakt worden door 'uitgassing' van maangesteente. Kortom, de ware aard van de zeldzame TLP's is niet goed bekend. De nieuwe 'maantelescoop' moet daar de komende tijd verandering in gaan brengen. (GS)
Meer informatie:
Flashes on the Moon (origineel persbericht)

   
3 juni 2019 • ESO draagt bij aan verdediging aarde tegen gevaarlijke planetoïden
Dankzij de unieke mogelijkheden van het SPHERE-instrument van ESO’s Very Large Telescope is het gelukt om de scherpste opnamen te maken van een dubbelplanetoïde terwijl deze op 25 mei langs de aarde vloog. De planetoïde vormde op zichzelf geen bedreiging, maar wetenschappers hebben hem kunnen gebruiken als oefenobject. Daarbij is aangetoond dat de geavanceerde technologie van ESO van cruciaal belang kan zijn voor de verdediging van onze planeet. Het International Asteroid Warning Network (IAWN) heeft een grote waarnemingscampagne gecoördineerd van de planetoïde 1999 KW4 terwijl deze op 25 mei 2019 op een afstand van 5,2 miljoen kilometer [1] langs de aarde vloog. 1999 KW4 heeft een diameter van ongeveer 1,3 kilometer, en vormt geen enkel risico voor de aarde. Omdat zijn baan goed bekend is, zagen wetenschappers deze fly-by lang van tevoren aankomen en kon een waarnemingscampagne worden voorbereid. ESO deed mee aan deze campagne met haar ‘vlaggenschip’, de Very Large Telescope (VLT). De VLT is uitgerust met SPHERE – een van de weinige instrumenten ter wereld die in staat is om opnamen te maken die scherp genoeg zijn om de beide componenten van de planetoïde, die ongeveer 2,6 kilometer van elkaar verwijderd zijn, te kunnen onderscheiden. SPHERE is ontworpen voor het waarnemen van exoplaneten. Zijn geavanceerde adaptieve optische systeem (AO) corrigeert de turbulentie van de atmosfeer en levert beelden af die zo scherp zijn als die van een ruimtetelescoop. Hij is ook uitgerust met coronagrafen die de heldere gloed van sterren onderdrukken, zodat zwakke exoplaneten in hun omgeving zichtbaar kunnen worden gemaakt. Door zijn gebruikelijke jacht op exoplaneten even te onderbreken, heeft SPHERE astronomen geholpen bij het vaststellen van de kenmerken van de dubbelplanetoïde. Hierdoor kan nu worden gemeten of de kleinste component – de satelliet – dezelfde samenstelling heeft als het hoofdobject. ‘In combinatie met alle gegevens die tijdens de IAWN-campagne met andere telescopen zijn verkregen, zullen deze data essentieel zijn bij de overweging of een planetoïde die op ramkoers met de aarde ligt eventueel kan worden afgebogen’, legt ESO-astronoom Olivier Hainaut uit. ‘In het ergste geval is deze kennis ook essentieel om te kunnen voorspellen wat er gebeurt als een planetoïde in aanraking komt met de aardatmosfeer en het aardoppervlak, zodat we de schade in geval van een botsing kunnen beperken.’ ‘De dubbele planetoïde raasde met meer dan 70.000 km/u langs de aarde, wat de waarnemingen met de VLT tot een grote uitdaging maakte’, zegt Diego Parraguez, die de telescoop bestuurde. Parraguez moest dan ook alles op alles zetten om de telescoop gericht te houden op de snelle planetoïde en deze met SPHERE vast te leggen. VLT-astronoom Bin Yang verklaart: ‘Toen we de satelliet in de AO-gecorrigeerde beelden zagen, waren we buitengewoon enthousiast. Op dat moment wisten we dat al onze inspanningen de moeite waard waren geweest.’ Mathias Jones, een andere VLT-astronoom die bij deze waarnemingen betrokken was, legt uit wat die inspanningen inhielden: ‘De atmosferische omstandigheden waren zeer ongunstig. Daarbij was het licht van de planetoïde relatief zwak. Ook bewoog hij heel snel. Daardoor crashte het AO-systeem enkele malen. Het was geweldig om te zien dat ons harde werken zich ondanks deze moeilijkheden heeft uitbetaald!’ Hoewel 1999 KW4 geen gevaar vormt voor de aarde, vertoont hij opvallende overeenkomsten met een andere dubbelplanetoïde, Didymos geheten, die in de verre toekomst wél een bedreiging zou kunnen zijn. Didymos en zijn metgezel, ‘Didymoon’, zijn het doelwit van een toekomstig planetair afweerexperiment. NASA’s ruimtesonde DART zal op Didymoon inslaan in een poging om diens omloopbaan om zijn grotere soortgenoot te veranderen. Dit experiment is bedoeld om te onderzoeken of planetoïden inderdaad voldoende uit koers kunnen worden gebracht. Na de inslag zal de Hera-missie van ESA de beide Didymos-planetoïden in 2026 onderzoeken om belangrijke informatie te verzamelen, zoals de massa en oppervlakte-eigenschappen van Didymoon, en de vorm van de DART-krater. Het succes van dergelijke missies is afhankelijk van samenwerkingen tussen organisaties, en het volgen van aardscheerders is een belangrijk aandachtspunt voor de samenwerking tussen ESO en ESA. Deze samenwerking gaat terug tot hun eerste succesvolle gezamenlijke waarnemingen van een potentieel gevaarlijke aardscheerder, begin 2014. ‘We zijn blij een rol te mogen spelen in het beschermen van de aarde tegen planetoïden’, zegt Xavier Barcons, directeur-generaal van ESO. ‘Daarbij benutten we niet alleen de geavanceerde mogelijkheden van de VLT, maar werken we ook samen met ESA aan prototypen voor een groot netwerk om het opsporen, volgen en onderzoeken van planetoïden naar een hoger niveau te tillen.’ Deze recente ontmoeting met 1999 KW4 komt slechts een maand voor de viering van Asteroid Day, een jaarlijks terugkerend educatief evenement dat op 30 juni wordt gehouden. De dag is door de Verenigde Naties in het leven geroepen om de bewustwording omtrent planetoïden te vergroten. Op vijf continenten zullen activiteiten worden georganiseerd, en ESO is een van de grootste astronomische organisaties die daaraan meedoen. Het ESO Supernova Planetarium & Bezoekerscentrum organiseert een hele reeks activiteiten rond het thema planetoïden, en iedereen is welkom om aan de festiviteiten deel te nemen.
Meer informatie:
Origineel persberichtq

   
3 juni 2019 • Directe waarneming van twee puinruimende planeten rond jonge ster
Een internationaal team van sterrenkundigen onder leiding van Sebastiaan Haffert (Universiteit Leiden) heeft een directe afbeelding gemaakt van twee exoplaneten die als een stofzuiger een spoor trekken in de planeetvormende schijf rond de jonge ster PDS 70. Het is pas het tweede meervoudige exoplaneetsysteem dat direct gefotografeerd is en het eerste waarbij de planeten nog steeds materiaal verzamelen en groeien. Het onderzoek verschijnt vandaag in het vakblad Nature Astronomy. PDS 70, de ster waaromheen de twee exoplaneten draaien, bevindt zich op ongeveer 370 lichtjaar van de aarde. De ster is slechts 6 miljoen jaar oud, iets kleiner dan onze zon en omgeven door twee schijven van gas en stof. De twee exoplaneten draaien hun rondjes tussen de twee schijven. Ze hebben als het ware een pad schoongeveegd en de grote schijf in tweeën gehakt. De binnenste planeet, PDS 70 b, staat op ongeveer 3 miljard kilometer van zijn ster. Dat is vergelijkbaar met de baan van Uranus in ons zonnestelsel. De planeet is ongeveer 4 tot 17 keer zo zwaar als Jupiter. Deze planeet was in 2018 al ontdekt. De buitenste planeet, PDS 70 c, draait op ongeveer 5 miljard kilometer om zijn ster. Dat is vergelijkbaar met de afstand van Neptunus tot onze zon. Planeet c is ongeveer 1 tot 10 keer zo zwaar als Jupiter. Het team detecteerde PDS 70 c met behulp van de MUSE-spectrograaf op de Very Large Telescope (VLT) van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO). Deze, mede door Nederland ontwikkelde, spectrograaf is een enorm stabiel instrument met een lange sluitertijd. Daardoor kan het zeer lichtzwakke objecten waarnemen. Het instrument is oorspronkelijk ontwikkeld om zwakke sterrenstelsels in het vroege heelal te onderzoeken. Dankzij een nieuwe instelling die corrigeert voor verstoringen in de atmosfeer kan MUSE sinds 2018 beelden maken met heel hoge resolutie. De telescoop is zo nauwkeurig dat het zogeheten H-alpha-straling kan opvangen die bij groeiende exoplaneten vrijkomt. De planeten PDS 70 b en PDS 70 c hebben een bijzondere verhouding in omlooptijden. In de tijd dat planeet b twee rondjes aflegt rond de ster, maakt planeet c er één. Sommige sterrenkundigen vermoeden dat een vergelijkbare vorm van baanresonantie tussen Jupiter en Saturnus ook een rol speelde in het ontstaan van ons planetenstelsel. Ze noemen dat de 'grand tack hypothese' (vrij vertaald: de grote laveerhypothese). Die gaat ervan uit dat Jupiter in het begin van zijn bestaan onder invloed van Saturnus een omtrekkende, laverende beweging maakte: eerst richting de zon en daarna weer naar buiten. Voor sterrenkundigen komt de ontdekking van de exoplaneten in een stofschijf als geroepen. Ze hadden namelijk al tientallen stofschijven met gaten rond sterren gezien, maar nooit waren de bijbehorende planeten zichtbaar. In de toekomst hopen ze meer exoplaneten in stofschijven zichtbaar te maken. Ook hopen ze meer planeten te vinden die nog in hun groeifase zijn. Zo kunnen de wetenschappers beter begrijpen hoe planeten ontstaan en zich ontwikkelen. [Aanvulling op origineel persbericht: In een artikel in Astrophysical Journal Letters schrijven onderzoekers van de Monash School of Physics and Astronomy in Melbourne, Australië dat infraroodwaarnemingen van planeet PDS 70 b, uitgevoerd met ESO's Very Large Telescope, ook voor het eerst aanwijzingen opleveren voor het bestaan van een circumplanetaire stofschijf rond een zich vormende planeet. (GS)]
Meer informatie:
Origineel persbericht

   
31 mei 2019 • Kolossale uitbarsting waargenomen bij magnetisch actieve ster
Voor het eerst zijn wetenschappers erin geslaagd om een coronale massa-ejectie (CME) waar te nemen bij een andere ster dan onze zon (Nature Astronomy, 27 mei). De waarneming bevestigt het al bestaande vermoeden dat grote uitbarstingen als deze kenmerkend zijn voor magnetisch actieve sterren. Zoals de naam al aangeeft, treden CME’s op in de corona – het buitenste deel van de atmosfeer – van een ster. De CME werd opgemerkt bij een 450 lichtjaar verre ster die de aanduiding HR 9024 heeft. De gebeurtenis bestond uit een intense flits van röntgenstraling, gevolgd door de uitstoot van een reusachtige bel plasma (ziedend heet gas dat uit geladen deeltjes bestaat). Bij de uitbarsting kwam ruwweg een miljoen biljoen kilogram aan plasma vrij en een kinetische energie in de orde van duizend biljoen biljoen joule. Beide getallen zijn ruwweg een factor tienduizend groter dan bij de CME’s die onze zon produceert. (EE)
Meer informatie:
A Giant Stellar Eruption Detected for the First Time

   
30 mei 2019 • Röntgencamera NICER tast de hemel af
NASA heeft een kaart gepresenteerd die de complete hemel laat zien op röntgengolflengten. De gegevens voor deze kaart zijn verzameld met de Neutron star Interior Composition Explorer (NICER), een röntgeninstrument aan boord van het internationale ruimtestation ISS. De helderste plekken op de kaart geven de locaties aan die NICER tijdens de eerste 22 maanden dat hij in bedrijf was het meest heeft waargenomen. Het betreft bekende bronnen van kosmische röntgenstraling die regelmatig opnieuw worden bekeken. De wijde bogen daar tussenin ontstaan doordat het instrument van bron naar bron zwenkt. Ook elders, ver van de heldere röntgenobjecten, vertoont de hemel een zwakke gloed van röntgenstraling. Een opvallend object op de NICER-kaart is de Cygnus-lus, die zich als een rond vlekje vertoont (linksboven op de kaart). De Cygnus-lus is het restant van een supernova, een ontploffende ster, die zich 5000 tot 8000 jaar geleden heeft voltrokken. De supernovarest heeft een middellijn van ongeveer 90 lichtjaar en is ruwweg 1500 lichtjaar van ons verwijderd. Het hoofddoel van de NICER-missie is de nauwkeurige bepaling van de afmetingen van de compacte restanten die achterblijven na supernova-explosies, zogeheten neutronensterren. De meetresultaten moeten de vraag beantwoorden uit welk soort materie deze objecten nu precies bestaan. (EE)
Meer informatie:
NICER’s Night Moves Trace the X-ray Sky

   
29 mei 2019 • Uitzonderlijk hete Neptunus-achtige exoplaneet ontdekt
Astronomen hebben een nieuwe exoplaneet ontdekt die iets kleiner is dan de planeet Neptunus, maar heter dan Mercurius. Ondanks zijn hoge temperatuur van 1000 graden Celsius heeft NGTS-4b een atmosfeer. De onderzoekers spreken van een ‘verboden planeet’ (Monthly Notices of the Royal Astronomical Society, 29 mei). Met dat laatste wordt bedoeld dat NGTS-4b zich in de zogeheten Neptunus-woestijn bevindt. Dat is de naaste omgeving van een ster, waar normaal gesproken geen planeten ter grootte van Neptunus te vinden zijn. Dit gebied wordt zo sterk aangestraald door de centrale ster dat de atmosferen van planeten verdampen en alleen hun rotsachtige kern overblijft. Desondanks heeft NGTS-4b, de eerste exoplaneet van dit type die in de ‘verboden zone’ is aangetroffen, wel degelijk een atmosfeer. Vermoed wordt dat de planeet pas vrij recent – minder dan een miljoen jaar geleden – naar de ster toe is gemigreerd. Een andere mogelijkheid is dat de planeet oorspronkelijk nog veel groter was dan nu en nog bezig is om zijn atmosfeer te verliezen. In dat geval kan hij zich al langer in de buurt van zijn ster bevinden. NGTS-4b heeft twintig keer zoveel massa als de aarde en is twintig procent kleineer dan Neptunus. Elke omloop om zijn ster duurt slechts 32 aardse uren. De planeet is opgespoord met de Next-Generation Transit Survey, een opstelling van twaalf kleine telescopen die de hemel afspeurt naar sterren die regelmatige helderheidsdipjes vertonen. De NGTS is speciaal ontwikkeld om exoplaneten op te sporen die om relatief heldere en nabije sterren cirkelen. (EE)
Meer informatie:
The ‘Forbidden’ Planet Has Been Found in The ‘Neptunian Desert’

   
28 mei 2019 • Dubbelsterren kunnen sterrenstelsel uitgeslingerd worden
Met het Amerikaanse Chandra X-ray Observatory zijn röntgendubbelsterren ontdekt in de intergalactische ruimte - de ruimte tussen individuele sterrenstelsels. Veel van deze dubbelsterren zijn uit hun moederstelsel weggeslingerd, aldus de onderzoekers in een artikel in The Astrophysical Journal. Als een zware ster aan het eind van zijn leven explodeert als supernova, en die explosie is enigszins asymmetrisch, kan het resterende object (een compacte neutronenster of in sommige gevallen een zwart gat) met hoge snelheid in een bepaalde richting weggeslngerd worden. Wanneer er rond de geëxplodeerde ster een begeleider cirkelde, wordt die daarbij kennelijk af en toe 'meegenomen', en komt de dubbelster uiteindelijk in de intergalactische ruimte terecht. Materiaal dat van de begeleider op de compacte supernovarest valt, wordt sterk verhit en zendt röntgenstraling uit; zo ontstaat een zogeheten röntgendubbelster. Chandra keek in totaal 15 dagen lang (verspreid over een groot aantal jaren) naar de omgeving van 29 sterrenstelsels in de relatief nabijgelegen Fornax-cluster, op ca. 60 miljoen lichtjaar afstand, en ontdekte in totaal 1177 röntgenbronnen. Een stuk of dertig daarvan blijken röntgendubbelsterren te zijn die uit hun moederstelsel geslingerd zijn. (GS)
Meer informatie:
Chandra Finds Stellar Duos Banished from Galaxies (origineel persbericht)

   
27 mei 2019 • Diepenveen-meteoriet heeft overeenkomsten met planetoïde Ryugu
De Diepenveen-meteoriet viel op 27 oktober 1873, maar werd pas in 2012 in een privé-collectie herontdekt voor de wetenschap. Nu publiceert een team van 26 onderzoekers van verschillende internationale onderzoeksinstituten - met Marco Langbroek van Naturalis Biodiversity Center als eerste auteur - de resultaten van grondig onderzoek naar de ‘Diepenveen’ in Meteoritics & Planetary Science. Opvallend: de steen is na anderhalve eeuw omzwervingen op aarde nog verrassend vers én vertoont mogelijk overeenkomsten met de planetoïde Ryugu waarop de Japanse ruimtesonde Hayabusa 2 eerder dit jaar is geland. Het wordt spannend om, als Hayabusa 2 in 2020 terug naar aarde komt met steenmonsters, de materialen te vergelijken. De steenmeteoriet ‘Diepenveen’ is in 2012 herontdekt in een privécollectie door een oud-conservator van het Eise Eisinga Planetarium. Eind 2013 werd de steen door de toenmalige eigenares geschonken aan de rijkscollectie, beheerd door Naturalis Biodiversity Center in Leiden. Bij het nu gepubliceerde onderzoek waren in Nederland ook de VU Amsterdam, het KNMI en de KNVWS betrokken. De meteoriet behoort tot het CM-type van de koolstofchondrieten, een speciale groep meteorieten met soms honderden soorten organische moleculen. De Diepenveen is een zogeheten ‘regoliet’, materiaal dat afkomstig is van een door inslagen flink omgewoeld en tot stof en brokstukjes vergruisd oppervlak. Het materiaal wijkt echter op een aantal punten flink af van andere meteorieten van het CM-type:• de zuurstofisotopen (variaties van het zuurstofatoom) zijn lichter dan in andere stenen van deze groep;• sommige delen van de steen zijn minder omgezet door contact met water in de ruimte dan gangbaar;• het Diepenveen-materiaal heeft verschillende inslagen meegemaakt, waarbij de laatst gedateerde grote inslag zo’n 1,5 miljard jaar geleden plaatsvond in de planetoïdengordel, wat behoorlijk jong is voor ons zonnestelsel;• het materiaal heeft na de laatste inslag, toen het C/Cg-type moederlichaam onder invloed van Jupiter-verstoringen al in een baan dichter bij de aarde terecht was gekomen, nog zo'n 3 tot 5 miljoen jaar als klein object van ongeveer een halve meter doorsnee door de ruimte gevlogen. Dat is veel langer dan normaal bij dit type meteoriet.De onderzoekers hebben veel koolstofverbindingen (organische moleculen, zoals aminozuren) gevonden die ook in sommige andere meteorieten voorkomen, maar ze bleken andere samenstellingen en verhoudingen te hebben. De verhouding van twee belangrijke aminozuren in de steen lijkt juist niet op die van andere meteorieten van het CM type, maar wél op die van meteorieten van een heel ander type (CI). De Diepenveen lijkt nog het meeste op een CM-meteoriet die in 1979 in Antarctica is gevonden, Yamato 793321. Indirect geeft dat ook een bevestiging dat de bijzondere eigenschappen hun oorsprong vinden in processen in de ruimte, want de Diepenveen en Y-793321 hebben na hun val op aarde een compleet andere geschiedenis meegemaakt. De Diepenveen heeft eigenschappen van verschillende meteorieten uit verschillende groepen en kan daardoor mogelijk dienen als een ‘kosmische bruggenbouwer’ die meteorietsoorten met elkaar verbinden. De eigenschappen van de Diepenveen zette de onderzoekers op het spoor van planetoïden die kunnen lijken op de ruimterots waarvan Diepenveen ooit afbrak. Ze vonden er een door te kijken hoe zonlicht weerkaatst wordt door vergruisde oppervlakken. Het reflectiespectrum van de Diepenveen lijkt op dat van de koolstofrijke planetoïde Ryugu, een ruimterots van ongeveer een kilometer doorsnee waarop de Japanse ruimtesonde Hayabusa 2 op 21 februari 2019 is geland. “Hier op aarde kun je gesteente vaak in context beter begrijpen, maar dat is met een steenmeteoriet uit het zonnestelsel een stuk lastiger. Ruimtemissies kunnen dus uitkomst bieden,” licht Naturalis-onderzoeker en mede-auteur Sebastiaan de Vet toe. Mogelijk bestaat een deel van het oppervlak van Ryugu dus uit materiaal dat vergelijkbaar is met de Diepenveen-meteoriet. “Overeenkomsten tussen meteorieten en planetoïden zijn vrij zeldzaam, dus als Hayabusa 2 in 2020 naar de aarde terugkomt met kleine gesteentemonsters is het spannend om het materiaal met Diepenveen te kunnen vergelijken,” voegt Leo Kriegsman toe, die als Naturalis-onderzoeker ook meewerkte aan de studie.De Diepenveen kan op deze manier mogelijk nieuwe aanwijzingen geven over de bouwstenen en de processen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van rotsplaneten en misschien zelfs aan het leven op onze planeet.
Meer informatie:
Vakpublicatie over het onderzoek

   
27 mei 2019 • Sterrenkundigen Selma de Mink en Sera Markoff geëerd, NAC nu koninklijk
De sterrenkundigen Selma de Mink en Sera Markoff, beiden van de Universiteit van Amsterdam, zijn op 27 mei gelauwerd voor hun verdiensten voor de astronomie. De Mink kreeg de Pastoor Schmeitsprijs voor haar onderzoek aan zware sterren. Markoff ontving de Willem de Graaffprijs voor haar publieksvoorlichtingsactiviteiten. De sterrenkundigen ontvingen hun prijzen op de eerste dag van de jaarlijkse Nederlandse Astronomenconferentie, dit keer in Paterswolde. Eerder die dag werd de 100-jarige Nederlandse Astronomen club 'koninklijk' en was er aandacht voor de recente vernoeming van een aantal planetoïden naar Nederlanders. Dr. Selma de Mink (1979) ontvangt de Pastoor Schmeitsprijs voor haar onderzoek naar zware sterren. De Mink is universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam. Zij studeerde en promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Daarna werkte De Mink als postdoc in Bonn (Duitsland), Baltimore (VS) en Pasadena (VS). Sinds 2014 is ze verbonden aan de UvA. De Mink bestudeert de zwaarste sterren. Dat zijn de voorlopers van supernovae en zwarte gaten. Deze sterren produceren alle zware elementen in het heelal. De Mink liet onder andere zien dat sommige zware dubbelsterren snel draaien, weinig massa uitwisselen en na hun ontploffing veel zwaardere zwarte gaten nalaten dan verwacht. Prof. dr. Sera Markoff (1971) ontvangt de Willem de Graaffprijs voor haar bevlogen, enthousiasmerende en veelzijdige publieksvoorlichtingsactiviteiten. Markoff is hoogleraar theoretische hoge-energieastrofysica aan de Universiteit van Amsterdam. Ze gaat geregeld met een team van jonge onderzoekers naar scholen in achterstandsbuurten om daar jonge kinderen kennis te laten maken met wetenschap in het algemeen en sterrenkunde in het bijzonder. Afgelopen week organiseerde ze nog een sterrenkijkavond gecombineerd aan een iftar-viering tijdens de ramadan. De Nederlandse Astronomenclub heeft het predicaat 'Koninklijk' ontvangen. Daarmee gaat de honderdjarige vereniging vanaf nu door het leven als Koninklijke Nederlandse Astronomenclub (KNA, in het Engels: Royal Netherlands Astronomical Society). De Groningse Commissaris van de Koning René Paas overhandigde het predicaat. De Koninklijke Nederlandse Astronomenclub is de beroepsvereniging van astronomen in Nederland en België. De KNA is opgericht op 5 oktober 1918. De club telt op dit moment 441 leden: 309 in Nederland en België, en 132 in het buitenland. De KNA stelt zich ten doel: "de studie der sterrenkunde in Nederland te bevorderen" (citaat uit het reglement). Daartoe stimuleert de KNA het onderwijs in de sterrenkunde in basis en middelbaar onderwijs en wordt eenmaal per jaar de Nederlandse Astronomenconferentie georganiseerd. Tijdens de Nederlandse Astronomenconferentie was er aandacht voor de recente vernoeming van een aantal planetoïden door de Internationale Astronomische Unie. Zo is planetoïde 12652 Groningen genoemd naar de stad Groningen. Verder zijn er planetoïden genoemd naar de Groningse Nobelprijswinnaar Ben Feringa, de Nijmeegse sterrenkundige Heino Falcke, zijn Amsterdamse collega Michiel van der Klis en de in 2017 overleden Groningse sterrenkundige Ger de Bruijn. De Nederlandse Astronomenconferentie vindt op 27, 28 en 29 mei 2019 plaats in Paterswolde, op de grens van Groningen en Drenthe. Het is het jaarlijkse congres van de Koninklijke Nederlandse Astronomenclub (KNA). De 74ste editie van deze conferentie wordt georganiseerd door het Kapteyn Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Er zijn meer dan tweehonderd sterrenkundigen uit Nederland en België aanwezig.
Meer informatie:
Oorspronkelijk persbericht

   
27 mei 2019 • Ultrakleine bacteriën overleven in Martiaanse omstandigheden
In de Dallol Hot Springs in het noorden van Ethiopië, in een gebied waar drie tektonische platen in de aardkorst uit elkaar bewegen, zijn ultrakleine bacteriën gevonden van de Nanohaloarchaeles-stam die goed blijken te overleven in extreme omstandigheden zoals ze in het verre verleden vermoedelijk ook op de planeet Mars voorkwamen. Het gaat om bacteriën van 50 tot 500 nanometer groot (ca. twintig keer zo klein als 'normale' bacteriën) die kennelijk aangepast zijn aan extreem hoge temperaturen (rond de 90 graden Celsius), een extreem grote hoeveelheid agressieve zouten, en een zeer zure omgeving (lage pH-waarde). Volgens de Spaanse onderzoekers, die hun resultaten vandaag publiceren in Scientific Reports, kwamen zulke omstandigheden lang geleden ook voor in hydrothermische bronnen op de planeet Mars. (GS)
Meer informatie:
Vakpublicatie over het onderzoek

   
23 mei 2019 • Tijdschema voor Amerikaanse maanmissies bekendgemaakt
Het Amerikaanse ruimteagentschap NASA heeft het tijdschema gepresenteerd voor het Artemis-programma dat in 2024 astronauten op de maan moet afleveren. Ook zal er dat jaar een klein ruimtestation in een baan om de maan worden gebracht. Het eerste onderdeel van de missie, de onbemande Artemis 1, staat gepland voor 2020. Twee jaar later moet de Artemis 2 astronauten in een omloopbaan om de maan brengen. Als alles volgens plan verloopt volgt in 2024 een landing op de maan, waarbij voor het eerst ook een vrouw betrokken is. Alle drie de missies zullen worden gelanceerd door de grootste raket die ooit is gebouwd: het Space Launch System (SLS) van Boeing. Deze raket is overigens nog volop in ontwikkeling en heeft al diverse tegenslagen te verwerken gehad. Bovenop de raket wordt een Orion-capsule van Lockheed Martin gemonteerd. Naast deze drie NASA-missies zullen er ook nog vijf lanceringen plaatsvinden die ‘bouwstenen’ van het mini-ruimtestation Gateway naar de maan moeten brengen. Deze lanceringen zullen worden uitgevoerd door private ruimtevaartondernemingen. Gateway dient als uitvalbasis voor de maanlanding en zal in eerste instantie bestaan uit een eenvoudige aandrijfmodule, voorzien van grote zonnepanelen, en een klein onderkomen voor de astronauten. Wie de eigenlijke maanlander gaat bouwen staat nog niet vast. Naast Boeing en Lockheed Martin is ook Blue Origin in de race. (EE)
Meer informatie:
NASA unveils schedule for 'Artemis' 2024 Moon mission